ECLI:NL:RBROT:2026:10976

ECLI:NL:RBROT:2026:10976

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 31-07-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer ROT 24/9062, ROT 24/9549, ROT 24/9627 en ROT 24/9628
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Uitspraak over het besluit van het college om aan het COA een tijdelijke omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen en in gebruiknemen van een AZC. Eisers 1, 2, en 3 zijn naar het oordeel van de rechtbank geen belanghebbende bij de omgevingsvergunning. Hun bezwaren zijn dus terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de vergunningverlening voor hen gevolgen van enige betekenis heeft. Dat zij zich zorgen maken over de gevolgen van het AZC in hun wijk is daarvoor onvoldoende. Ten aanzien van het beroep van eiser 4 oordeelt de rechtbank dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. De ruimtelijke onderbouwing van de vergunning is voldoende inzichtelijk en zorgvuldig. Het college mocht bij de besluitvorming uitgaan van de uitkomsten van de ruimtelijke onderbouwing en het nadere rapport. De rechtbank is van oordeel dat het college een goede belangenafweging heeft gemaakt, waarbij het meer gewicht heeft mogen toekennen aan het algemeen belang. De rechtbank ziet geen aanleiding voor de verwachting dat van het maximale aantal van 150 asielzoekers zal worden afgeweken. Het COA en de gemeente hebben maatregelen genomen waarmee de risico’s op overlast en onveiligheid voldoende worden beperkt. Het college heeft voldoende toegelicht dat een eventuele waardedaling van de woning van eiser 4 niet zodanig ernstig is dat deze niet kan worden beoordeeld in een aparte planschadeprocedure. Eiser 4 heeft niet onderbouwd dat er alternatieve locaties binnen de gemeente beschikbaar zouden zijn voor het AZC, waarmee een zodanig vergelijkbaar resultaat kan worden bereikt en derden bovendien aanmerkelijk minder worden benadeeld, zodat het college geen medewerking had mogen verlenen aan de vergunningaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2026 in de zaken tussen

[eiser 1] , uit [woonplaats] (ROT 24/9062),

het college van burgemeester en wethouders van Gorinchem

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummers: ROT 24/9062, ROT 24/9549, ROT 24/9627 en ROT 24/9628

(gemachtigde: mr. A.C.Z. van Beijsterveldt)

[eiser 2] , uit [woonplaats] (ROT 24/9549),

[eiser 3] , uit [woonplaats] (ROT 24/9627), en

[eiser 4] , uit [woonplaats] (ROT 24/9628), eisers

en

(gemachtigden: mr. P. Speé en [gemachtigde 1] ).

Als derde-partij neemt aan het geding deel: Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA).

(gemachtigden: [gemachtigde 2] , mr. J.C. Meijer en [gemachtigde 3] ).

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om aan het COA een tijdelijke omgevingsvergunning te verlenen voor de duur van tien jaar voor het bouwen en in gebruiknemen van een asielzoekerscentrum. Eisers zijn het niet eens met dit besluit. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de belanghebbendheid van [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] . Daarnaast beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning heeft mogen verlenen.

Ten aanzien van de beroepen van [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] oordeelt de rechtbank dat zij geen belanghebbenden zijn bij de verleende omgevingsvergunning, zodat het college hun bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Ten aanzien van het beroep van [eiser 1] oordeelt de rechtbank dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. De beroepen zijn dus ongegrond. Hierna licht de rechtbank dit oordeel nader toe.

Procesverloop

2. Met het primaire besluit van 4 april 2024 heeft het college aan het COA een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor de duur van tien jaar voor het bouwen en in gebruiknemen van een asielzoekerscentrum aan [adres 1] in [plaats] (de locatie).

Met het bestreden besluit 1 van 10 september 2024 heeft het college het bezwaar van [eiser 1] tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Met de bestreden besluiten 2, 3 en 4 van 10 september 2024 heeft het college de bezwaren van [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] niet-ontvankelijk verklaard.

Eisers hebben beroepen ingesteld. Het college heeft verweerschriften ingediend. [eiser 1] , [eiser 3] en [eiser 4] hebben aanvullende stukken ingediend.

De rechtbank heeft de beroepen op 9 juli 2026 gevoegd op zitting behandeld. Hieraan hebben eisers, de gemachtigde van [eiser 1] , [echtgenote eiser 1] (echtgenote), de gemachtigden van het college, en de gemachtigden van het COA deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is het toetsingskader?

3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (Ow) en de Invoeringswet Omgevingswet (IOw) in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de IOw het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 21 december 2023. Dat betekent dat in dit geval het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Hoe zijn de bestreden besluiten tot stand gekomen?

4. Op 21 december 2023 heeft het COA een aanvraag om een tijdelijke omgevingsvergunning ingediend voor de duur van 10 jaar voor het bouwen en in gebruiknemen van een asielzoekerscentrum (AZC) voor 150 asielzoekers op de locatie. De locatie betreft een lege kavel waar het COA tijdelijk woon- en kantoorunits wil bouwen. Daarnaast omvat het project terreinwerkzaamheden voor parkeren en recreatie. Met de gemeente Gorinchem is het COA overeengekomen dat de locatie maximaal 10 jaar aan het COA wordt verhuurd en mag worden ingezet als tijdelijke opvanglocatie. Het AZC is sinds december 2024 gerealiseerd en in bedrijf.

Eisers zijn alle woonachtig in [plaats] in de omgeving van de locatie. [eiser 1] woont aan [adres 2] , [eiser 2] aan [adres 3] , [eiser 3] aan [adres 4] en [eiser 4] aan [adres 5] .[eiser 1] betoogt dat het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning voor het AZC heeft kunnen verlenen. Hij vreest, kort samengevat, voor uitbreiding van het AZC, overlast en waardedaling van zijn woning. [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] betogen dat hun bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard omdat zij vinden dat zij wel belanghebbenden zijn bij de omgevingsvergunning.

Op de locatie is het bestemmingsplan “Bedrijventerrein-Oost II” (bestemmingsplan) van kracht en geldt de enkelbestemming “Bedrijventerrein-2”. Verder gelden een maximum bebouwingspercentage van het terrein van 80%, een maximum bouwhoogte van 24 meter en een minimum bouwhoogte van 8 meter. Het bouwplan is in strijd met artikel 4, eerste lid, onder 1, van de planregels omdat de aangewezen gronden niet bestemd zijn voor een AZC. Een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid is er niet.

Met het primaire besluit van 4 april 2024 heeft het college aan het COA een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor de duur van tien jaar voor de activiteiten “bouwen” en “handelen in strijd met de regels van ruimtelijke ordening”. Het college heeft voor de activiteit “strijdig gebruik” toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4, elfde lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor).

Met bestreden besluit 1 van 10 september 2024 heeft het college het bezwaar van [eiser 1] , in overeenstemming met het advies van de bezwaarcommissie, ongegrond verklaard. Volgens de bezwaarcommissie heeft het college een deugdelijke belangenafweging heeft gemaakt, waarbij het meer gewicht heeft mogen toekennen aan het algemeen belang om asielzoekers tijdelijk op te vangen vanwege de vluchtelingencrisis. Het college heeft veiligheidsmaatregelen genomen die het risico op overlast en onveiligheid voldoende beperken. De vrees voor criminele of overlast veroorzakende activiteiten betreft een handhavingskwestie. Het afsluiten van de brug tussen [straat 1] en [straat 2] valt ook buiten het bestek van de procedure. Hetzelfde geldt voor de gestelde waardedaling van de woning van [eiser 1] . Eiser heeft volgens de bezwaarcommissie niet onderbouwd dat andere locaties geschikt zouden zijn voor het project. Het college heeft voldoende aangetoond dat sprake is van een tijdelijke en omkeerbare situatie. Ook bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat zal worden afgeweken van het maximale aantal van 150 asielzoekers.

Met de bestreden besluiten 2, 3 en 4 van 10 september 2024 heeft het college in overeenstemming met het advies van de bezwaarcommissie het bezwaar van [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] niet-ontvankelijk verklaard. Het is niet aannemelijk dat in het geval van [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] sprake is van gevolgen van enige betekenis, gelet op de afstand tot het AZC en de tussenliggende bebouwing. Om die reden kunnen [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] niet als belanghebbende in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden aangemerkt.

De beroepen van [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4]

Zijn de bezwaren van [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard?

5. [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] betogen dat zij belanghebbenden zijn bij de verleende omgevingsvergunning, zodat hun bezwaren daartegen ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard. Zij ervaren wel degelijk gevolgen van enige betekenis. [eiser 3] en [eiser 4] voeren aan dat zij op minder dan 260 meter van de locatie wonen. [eiser 3] stelt zicht op de locatie te hebben. De woonadressen van [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] liggen aan de meest waarschijnlijke looproute van de locatie naar verder gelegen voorzieningen, zoals winkels, apotheek, scholen, gezondheidscentrum, sportclubs en de binnenstad. Ook liggen in de wijk diverse speeltuinen. [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] verwachten dat de verkeersbewegingen en de overlast in de wijk door de komst van het AZC zullen toenemen. De omgeving biedt volgens [eiser 3] en [eiser 4] voor het AZC ook onvoldoende voorzieningen. [eiser 3] heeft verder op de zitting verklaard te vrezen voor waardedaling van zijn woning. [eiser 3] en [eiser 4] vrezen ook voor de gevolgen voor flora en fauna. [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] voeren aan dat procespartijen het voordeel van de twijfel moeten krijgen als twijfel bestaat of zij gevolgen van enige betekenis ondervinden. Ten slotte verwijst [eiser 2] naar diverse uitspraken.

6. Op grond van artikel 6:6, onder a, van de Awb kan een bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan een bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar. Eén van de vereisten voor een ontvankelijk bezwaar is dat degene die bezwaar instelt belanghebbende is.

Op grond van artikel 8:1 van de Awb kan alleen een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter. Alleen degene die een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) geldt als uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium “gevolgen van enige betekenis” dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken als de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie en risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

7. De rechtbank stelt vast dat de afstand tussen de locatie en de woonadressen van [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] respectievelijk 578, 255 en 232 meter is. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat bij alle drie sprake is van tussenliggende bebouwing en dat [eiser 2] en [eiser 4] geen zicht op de locatie hebben. [eiser 3] heeft op de zitting verklaard dat hij vanuit zijn tuin zicht op de locatie heeft op een afstand van circa 200 meter met een tussenliggende sloot en weiland. [eiser 2] heeft verder verklaard dat sinds de opening van het AZC sprake is van een toename van het aantal voetgangers in de wijk, maar dat hij hiervan geen overlast ondervindt.Gelet op wat eisers in hun beroepschriften en ter zitting hebben aangevoerd acht de rechtbank, gelet op de vaste rechtspraak over dit onderwerp, het niet aannemelijk dat de vergunningverlening voor hen gevolgen van enige betekenis heeft. Dat zij zich zorgen maken over de gevolgen van het AZC in hun wijk is onvoldoende om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt. [eiser 2] woont op een te grote afstand van het AZC en heeft daarop bovendien geen zicht. Dat laatste geldt ook voor [eiser 4] . Tussen het AZC en hun woningen is andere bebouwing gelegen. [eiser 3] heeft wel zicht op het AZC maar dat is in dit geval onvoldoende om aan te nemen dat hij om die reden gevolgen van enige betekenis ondervindt. Verder is ook geen sprake van ruimtelijke gevolgen die zodanig zijn dat de feitelijke gevolgen voor hen van enige betekenis zijn. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de locatie aan de overzijde van een doorgaande weg, net buiten de woonwijk ligt en dat diverse looproutes mogelijk zijn naar verder gelegen voorzieningen. Op zitting heeft de rechtbank met partijen naar de kaart van de wijk gekeken. Het college heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de meest voor de hand liggende looproute van de asielopvang naar het dichtstbijzijnde winkelcentrum niet door de woonwijk loopt, maar langs de doorgaande weg aan [straat 2] , waarbij mede in aanmerking is genomen dat daar een voetpad is aangelegd met verlichting. Uiteraard zullen asielzoekers ook door de woonwijk lopen maar uit wat eisers daarover hebben verklaard, is de rechtbank niet gebleken dat er nu in grote aantallen asielzoekers door de straten van eisers lopen en dat hoefde ten tijde van de vergunningverlening ook niet te worden verwacht. Dat er anderszins verkeersoverlast zal ontstaan of dat de voorzieningen in de wijk onder druk staan door de komst van het AZC is de rechtbank niet gebleken. Daarbij neem de rechtbank onder meer in aanmerking dat het college op de zitting onweersproken heeft verklaard dat in het AZC slechts 20 kinderen wonen die op een eersteopvangschool (voorheen internationale schakelklas) zitten die niet in de wijk ligt. Voor zover [eiser 3] en [eiser 4] hebben gewezen op mogelijke overlast en zij daarmee doelen op criminaliteit langs de looproute in de wijk, merkt de rechtbank op dat, wat daar van zij, zoiets niet als een gevolg van de vergunningverlening kan worden aangemerkt. Dat er gevolgen kunnen zijn voor beschermde flora en fauna, zoals [eiser 3] en [eiser 4] aanvoeren, is niet aannemelijk, nog daargelaten dat zij niet voldoen aan de in de rechtspraak ontwikkelde criteria om zich op dit belang te kunnen beroepen in deze procedure. Ook de enkele stelling van [eiser 3] dat hij voor waardedaling van zijn woning vreest, is niet voldoende om hem ondanks al het voorgaande op die grond als belanghebbende aan te merken. Gelet op het voorgaande zijn [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] naar het oordeel van de rechtbank geen belanghebbenden bij de bestreden besluiten 2, 3 en 4. De uitspraken waarnaar zij hebben verwezen maken dit oordeel niet anders. Het college heeft hun bezwaren dus terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen zijn ongegrond.

Het beroep van [eiser 1]

Mocht het college de omgevingsvergunning verlenen?

8. [eiser 1] stelt dat het tijdelijke AZC ruimte biedt aan 150 asielzoekers, maar dat uitbreiding niet is uitgesloten. Ook vreest hij dat de omgevingsvergunning niet tijdelijk zal zijn. Het college heeft verder onvoldoende rekening gehouden met zijn belangen. [eiser 1] vreest voor overlast en aantasting van zijn veiligheid en eigendom. Hij wil daarom dat het college de brug van [straat 1] naar [straat 2] afsluit. Het college doet volgens [eiser 1] niets om de nadelige gevolgen van het besluit te beperken. [eiser 1] moet hoge kosten maken om zijn perceel te beveiligen. Zijn woning is niet meer verkoopbaar voor een marktconforme prijs. Het college heeft de keuze voor de locatie ten slotte onvoldoende gemotiveerd.

9. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk. Op grond van het eerste lid, onder c, is het verboden zonder een omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Op grond van artikel 2.10, eerste lid, onder c van de Wabo wordt de aanvraag, voor zover deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12. Op grond van het tweede lid wordt, in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

Op grond van artikel 4, elfde lid, van bijlage II bij het Bor geldt komen voor de verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, in aanmerking: ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.

Op grond van artikel 4, eerste lid, onder 1, van de planregels zijn de voor “Bedrijventerrein-2” aangewezen gronden onder meer bestemd voor:

a. bedrijven;

(…)

e. ontsluitingswegen, voet- en fietspaden, water en groen;

f. parkeervoorzieningen;

10. Niet in geschil is dat er sprake is van strijd met artikel 4, eerste lid, onder 1 van de planregels omdat een AZC als functie niet is toegestaan onder de bedrijfsbestemming. Met het verlenen van de omgevingsvergunning heeft het college medewerking verleend aan het bouwplan door in zoverre af te wijken van het bestemmingsplan.

11. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.

12. Volgens het college is er geen sprake van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Ter motivering van bestreden besluit 1 heeft het verwezen naar de ruimtelijke onderbouwing van [bedrijf] B.V. van 26 maart 2024 die door het COA bij de aanvraag is ingediend. In de ruimtelijke onderbouwing staat dat voor de aspecten verkeer en parkeren, luchtkwaliteit, geluid, water, bodem, archeologie en cultuurhistorie, bedrijven en milieuzonering, externe veiligheidsrisico’s en kabels en leidingen geen belemmeringen zijn voor de realisatie van het tijdelijke AZC. In de ruimtelijke onderbouwing staat ook dat het COA voor het aspect sociale veiligheid een pakket aan maatregelen heeft getroffen om deze in de omgeving van de planlocatie te waarborgen. Hierover heeft het COA afstemming gezocht met de gemeente Gorinchem. Door het nemen van deze maatregelen vormt het aspect sociale veiligheid volgens de ruimtelijke onderbouwing geen belemmering voor het voorgenomen tijdelijke AZC. Voor het aspect natuur is een nader onderzoek verricht dat is vastgelegd in het onderzoeksrapport van Stadsecologie 0183 van 24 juni 2024. Volgens dit rapport is er geen aanleiding om aan te nemen dat sprake zou zijn van overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming (Wnb). Uit het rapport van Stadsecologie 0183 volgen vijf aanbevelingen om overtreding van de Wnb te voorkomen. Deze aanbevelingen heeft het college als voorwaarden aan de omgevingsvergunning verbonden.

De rechtbank vindt dat de ruimtelijke onderbouwing voldoende inzichtelijk en zorgvuldig is. Het college mocht bij de besluitvorming uitgaan van de uitkomsten van de ruimtelijke onderbouwing en het nadere rapport. De rechtbank is van oordeel dat het college de bij het plan betrokken belangen, zowel het algemeen maatschappelijk belang om asielzoekers in verband met de vluchtelingencrisis (in Nederland) op te vangen als de belangen van omwonenden, waaronder [eiser 1] , goed tegen elkaar heeft afgewogen. Het college heeft daarbij meer gewicht mogen toekennen aan het algemeen belang. De rechtbank neemt daarbij de hiernavolgende aspecten in aanmerking.

Omvang van de vergunning

De aanvraag door het COA omvat een maximaal aantal van 150 asielzoekers. Dit aantal is ook in de omgevingsvergunning en de bestuursovereenkomst tussen het college en het COA bindend vastgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding voor de verwachting dat hiervan zal worden afgeweken. Een hoger aantal staat de omgevingsvergunning althans niet toe. Het COA heeft op de zitting verder genoegzaam verklaard dat er bewoners zijn die op de locatie geregistreerd staan, maar op een ander adres verblijven (grijze beddenregel). Op de locatie zijn volgens het COA echter nooit meer dan 150 asielzoekers aanwezig. De rechtbank overweegt dat als op enig moment meer dan 150 asielzoekers aanwezig zouden zijn, de mogelijkheid voor het college bestaat om handhavend op te treden. De omgevingsvergunning is verder verleend voor de duur van tien jaar. Ook wat betreft de tijdelijkheid van de omgevingsvergunning heeft de rechtbank geen reden om aan te nemen dat hiervan zal worden afgeweken, nu de (grondslag van) omgevingsvergunning dit niet toestaat.

Sociale veiligheid

Zoals hiervoor al is overwogen heeft het COA een aantal maatregelen genomen voor het beheer in en rond het AZC, waaronder 24/7 beveiliging en toegangsbeheer op de locatie; zeven dagen per week aanwezigheid van COA-medewerkers op de locatie; het hanteren van huisregels en toezien op de naleving daarvan; het oppakken van signalen over spanningen tussen bewoners; het verzorgen van dagbesteding (leerplichtige kinderen gaan naar school); het informeren over de gedragsregels in Nederland; wanneer nodig opschalen naar of assistentie vragen aan de politie; het deelnemen aan structureel omwonendenoverleg en veiligheidsoverleg met gemeente, politie en eventuele andere betrokkenen; en 24/7 bereikbaarheid voor omwonenden. Verder heeft de gemeente Gorinchem samen met de politie en het COA een veiligheidsplan opgesteld. Hierin is vastgelegd hoe veiligheidsrisico’s op en rond het AZC kunnen worden beperkt, hoe incidenten kunnen worden voorkomen en hoe moet worden gehandeld als zich incidenten voordoen. Naar het oordeel van de rechtbank vormen de voornoemde maatregelen geen zekerheid dat er zich geen incidenten zullen voordoen, maar worden de risico’s op overlast en onveiligheid hiermee voldoende beperkt. Op de zitting heeft het college verder genoegzaam verklaard dat er sinds de opening van de locatie in december 2024 nauwelijks tot geen incidenten hebben plaatsgevonden. De gemeente heeft ook geen meldingen ontvangen of signalen van klankbordgroepen uit de wijk. Het voorgaande is bevestigd door buitengewoon opsporingsambtenaren en de politie. Dat [eiser 1] , naar eigen zeggen, hoge kosten heeft moeten maken om zijn perceel met een hek te beveiligen, kan volgens de rechtbank dan ook geen gevolg zijn van daadwerkelijke overlast van het AZC. De rechtbank benadrukt verder dat eventuele criminele overlast nooit het gevolg kan zijn van de verlening van de omgevingsvergunning. Het al dan niet afsluiten van de brug van [straat 1] naar [straat 2] valt buiten de reikwijdte van de omgevingsvergunning en dus buiten de beoordeling door de rechtbank in deze zaak. Het college heeft hierover hoe dan ook aangevoerd niet met dit voorstel in te stemmen, omdat de brug open moet blijven voor fietsers, voetgangers en hulpdiensten. De rechtbank vindt dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het rekening heeft gehouden met de sociale veiligheid.

Waardedaling

Over de gestelde waardedaling van de woning van [eiser 1] overweegt de rechtbank dat hiervoor in beginsel een aparte procedure tot vergoeding van planschade bestaat waarop [eiser 1] een beroep kan doen. Dit ligt enkel anders als op voorhand duidelijk is dat de waardedaling zodanig ernstig is dat dit in de belangenafweging een doorslaggevende rol zou moeten spelen. Over de gestelde waardedaling heeft het college op de zitting het volgende verklaard. Uit de nadere gronden van [eiser 1] van 11 december 2025 en het verkoopadvies van makelaar [makelaar] van 3 december 2025 maakt het college niet op dat de vermeende waardedaling van [eiser 1] woning niet via de weg van een planschadeverzoek kan worden beoordeeld. Daarbij neemt het college het volgende in aanmerking. Een planschadebeoordeling gaat uit van een vergelijking met de hypothetische situatie waarin het bouwplan gerealiseerd wordt met wat maximaal bij recht mogelijk is. Dat zou in dit geval op de locatie (onder meer) bebouwing van 24 meter hoog inhouden. In de verleende omgevingsvergunning is door het college juist afgeweken van de minimale hoogte van 8 meter die het bestemmingsplan voorschrijft. Met het bouwplan is namelijk een lagere bouwhoogte gerealiseerd van circa 6,12 meter. De conclusie van de makelaar dat in het najaar geen vergelijkbare woningen zijn verkocht, maakt volgens het college verder niet dat zonder meer sprake is van een waardedaling, lastige verkoopopties of onevenredig nadeel voor [eiser 1] . De conclusie van de makelaar dat er in de wijk woningen onder de vraagprijs zijn verkocht, geeft daartoe ook geen aanleiding. Het college vindt verder dat de woningen in het verkooprapport van de makelaar van 5 december 2025 in zoverre niet vergelijkbaar zijn met de woning van [eiser 1] , omdat deze niet op korte afstand van het AZC zijn gelegen. Met het voorgaande heeft het college volgens de rechtbank genoegzaam toegelicht dat een eventuele waardedaling van de woning niet zodanig ernstig is dat deze niet kan worden beoordeeld in een aparte planschadeprocedure.

Alternatieven

Het college moet beslissen over een bouwplan zoals dat is ingediend. Als een project op zichzelf voor het college aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven alleen tot weigering van medewerking door het college leiden, als op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Het is aan degene die stelt dat er alternatieven zijn, om dit aannemelijk te maken.

De rechtbank vindt dat [eiser 1] niet heeft onderbouwd dat er alternatieve locaties binnen de gemeente beschikbaar zouden zijn voor de vestiging van het AZC, waarmee een zodanig vergelijkbaar resultaat kan worden bereikt en derden bovendien aanmerkelijk minder worden benadeeld, zodat het college geen medewerking had mogen verlenen aan de onderhavige aanvraag.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de slotsom dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen.

Conclusie en gevolgen

13. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A. Brekelmans, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2026.

De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand