ECLI:NL:RBROT:2026:10979

ECLI:NL:RBROT:2026:10979

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 18-06-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer NL:TZ:2613392:R-RK - NL:TZ:2613393:R-RK
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Moratorium toegewezen voor zes maanden. Verzoekster heeft voldoende en een stabiel inkomen om de lopende huurtermijnen te voldoen. De huur van juni 2026 is (weliswaar te laat) voldaan.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing

toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk

rekestnummers: [nummer 1] - [nummer 2]

uitspraakdatum: 18 juni 2026

[verzoekster] ,

wonende te [straatnaam],

[postcode] [woonplaats],

verzoekster.

1. De procedure

Verzoekster heeft op 26 mei 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van deze rechtbank van 29 mei 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 11 juni 2026.

Ter zitting van 11 juni 2026 zijn verschenen en gehoord:

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2. Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden overeenkomstig het bepaalde in het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 22 juli 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster over te gaan.

Verzoekster werkt als zelfstandig ondernemer (ZZP-er) en ontvangt daarnaast toeslagen van de Belastingdienst. De betalingsproblemen zijn volgens verzoekster ontstaan door terugloop van de omzet tijdens de Coronapandemie. Verzoekster wil graag een oplossing voor haar schuldenproblematiek. Zij heeft zich daarom gemeld bij Zuidweg & Partners voor schuldhulpverlening. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat de onderneming van verzoekster niet levensvatbaar is en dat zij daarom met de onderneming gaat stoppen. Verzoekster zal dan terugvallen op een Participatiewet-uitkering en daarmee zou zij, tezamen met de toeslagen van de Belastingdienst, voldoende inkomsten moeten hebben om de lopende huurtermijnen van € 729,61 per maand te kunnen voldoen. De huur van juni 2026 is, weliswaar te laat, betaald. Verzoekster heeft ter zitting toegezegd dat zij vanaf heden de huur tijdig en volledig zal voldoen.

3. Het verweer

Verweerster heeft ter zitting verklaard in te stemmen met het verzoek zodat verzoekster het schuldhulpverleningstraject kan doorlopen.

4. De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het proces-verbaal van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 22 juli 2025 heeft overgelegd en een kopie van het exploot van 7 mei 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 2 juni 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.

Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.

Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.

Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het proces-verbaal van 22 juli 2025 ten uitvoer kan leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster stopt met werken als zelfstandig ondernemer. Verzoekster valt dan terug op een Participatiewet-uitkering. Met een Participatiewet-uitkering (en de toeslagen van de Belastingdienst) heeft zij een stabiel inkomen waarmee zij de lopende huurtermijnen kan voldoen. Daarbij heeft verzoekster toegezegd de huur voortaan tijdig en volledig te zullen voldoen. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.

De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.

Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard.

Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5. De beslissing

De rechtbank:

- schort de tenuitvoerlegging op van de uit het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 22 juli 2025 voortvloeiende bevoegdheid van verweerster om tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [straatnaam] te [locatie], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;

- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf

29 mei 2026;

- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig en volledig worden voldaan;

- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;

- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.P. Pot, rechter, en in aanwezigheid van mr. C. Hulsegge, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.T.P. Pot

Griffier

  • mr. C. Hulsegge

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand