Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 18 juni 2026
[verzoeker] ,
wonende te [straatnaam] ,
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.
1. De procedure
Verzoeker heeft op 28 mei 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 29 mei 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 11 juni 2026.
Ter zitting van 11 juni 2026 zijn verschenen en gehoord:
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden overeenkomstig het bepaalde in het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 4 juli 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker over te gaan.
Verzoeker wenst een oplossing voor zijn schuldenproblematiek. Hij heeft zich daarom gemeld bij Geldplein voor schuldhulpverlening. De aanvraag voor schuldhulpverlening in combinatie met budgetbeheer is nog in behandeling. Partijen hebben al wel een stabilisatieovereenkomst getekend. Daarnaast heeft verzoeker een Participatiewet-uitkering aangevraagd. Verzoeker is nog in afwachting van de toekenning daarvan. Wel heeft hij alvast een voorschot op deze uitkering ontvangen. Met een Participatiewet-uitkering van ongeveer € 1.400,00 en toeslagen van de Belastingdienst van ongeveer
€ 550,00 heeft verzoeker voldoende inkomsten om de lopende huurtermijnen van
€ 751,89 per maand te voldoen. Bovendien wordt verwacht dat budgetbeheer voor de huurbetaling van juli 2026 is ingesteld zodat daarmee de toekomstige huurbetalingen zijn gewaarborgd.
3. Het verweer
Verweerster heeft ter zitting verklaard dat zij kan instemmen met het verzoek als verzoeker de huur van juli 2026 tijdig en volledig betaalt.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het proces-verbaal van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 4 juli 2025 heeft overgelegd en een kopie van het exploot van 12 mei 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 2 juni 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het proces-verbaal van 4 juli 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat verzoeker een Participatiewet-uitkering heeft aangevraagd en dat hij al een voorschot op deze uitkering heeft ontvangen. Verwacht wordt dat deze uitkering voor de huurbetaling van juli 2026 is toegekend. Met een Participatiewet-uitkering naast de toeslagen van de Belastingdienst heeft verzoeker voldoende inkomsten om de lopende huurtermijnen te voldoen. Bovendien wordt met budgetbeheer gewaarborgd dat die huurtermijnen tijdig en volledig worden voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van de uit het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 4 juli 2025 voortvloeiende bevoegdheid van verweerster om tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [straatnaam] te [locatie] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
29 mei 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig en volledig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.P. Pot, rechter, en in aanwezigheid van mr. C. Hulsegge, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.