Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 18 juni 2026
[verzoekster] ,
wonende te [straatnaam],
[postcode] [woonplaats]
verzoekster.
1. De procedure
Verzoekster heeft op 29 mei 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 29 mei 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 11 juni 2026.
Stichting Waterweg Wonen (hierna: verweerster) heeft voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.
Ter zitting van 11 juni 2026 zijn verschenen en gehoord:
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 december 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
De advocaat van verzoekster heeft ter zitting verklaard dat verzoekster een sluitend budget heeft waarmee zij de lopende huurtermijnen kan voldoen. Verzoekster ontvangt namelijk een Participatiewet-uitkering en toeslagen van de Belastingdienst. Daarmee heeft zij voldoende inkomsten om maandelijks de huur van € 757,38 te voldoen. Verzoekster heeft dit aangetoond doordat zij al vanaf oktober 2025 de huur betaalt. Daarnaast heeft verzoekster zich onder bewind laten stellen. Het beschermingsbewind is uitgesproken op
2 april 2026.
Vervolgens heeft de advocaat van verzoekster ter zitting bevestigd dat het schuldhulpverleningstraject is beëindigd. Verzoekster heeft daartegen bezwaar gemaakt en een voorlopige voorziening ingediend bij de bestuursrechter. Daarmee staat de beëindiging van het schuldhulpverleningstraject nog niet onherroepelijk vast.
Vervolgens heeft de beschermingsbewindvoerder ter zitting verklaard dat de Participatiewet-uitkering weliswaar tijdelijk is opgeschort vanwege haar verblijf in het buitenland, maar geeft daarbij aan dat verzoekster zich vandaag nog bij de gemeente gaat melden waarna de opschorting vandaag nog zal worden opgeheven. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij inziet dat haar frequente, al dan niet langdurige, verblijf in het buitenland het oplossen van haar financiële problemen bemoeilijk. Zij zal daarom niet meer naar het buitenland gaan totdat haar financiële problemen zijn opgelost.
3. Het verweer
Verweerster verzoekt de rechtbank het verzoek moratorium af te wijzen. Verzoekster heeft sinds 1 januari 2025 een structurele huurachterstand. Verweerster heeft gedurende deze periode herhaaldelijk geprobeerd om met verzoekster in contact te komen en om de ontstane achterstand met haar te bespreken en oplossingen te onderzoeken. Deze pogingen zijn lange tijd zonder resultaat gebleven, doordat verzoekster wegens verblijf in het buitenland feitelijk onbereikbaar was. Vanaf oktober 2025 zijn weliswaar huurbetalingen ontvangen, maar verweerster heeft gerede twijfel over de bestendigheid daarvan. Deze betalingen zijn naar alle waarschijnlijkheid verricht door de schoondochter van verzoekster, met wie hierover meerdere gesprekken zijn gevoerd. Pas nadat een eerste ontruiming was aangezegd tegen 20 januari 2026, heeft op 16 januari 2026 een persoonlijk gesprek plaatsgevonden tussen verzoekster, verweerster en Minters. Daarbij is een traject ontruimingspreventie aangeboden waarmee verzoekster heeft ingestemd. Ondanks inspanningen van verweerster om een ontruiming te voorkomen, heeft verzoekster onvoldoende uitvoering gegeven aan de op haar rustende verplichtingen. Verzoekster is afspraken niet nagekomen, heeft gevraagde stukken niet dan wel onvolledig aangeleverd en heeft onvoldoende medewerking verleend aan het ingezette traject door ontruimingspreventie. Als gevolg daarvan is het traject voortijdig beëindigd. Daarnaast is ook het schuldhulpverleningstraject beëindigd wegens schending van de op verzoekster rustende medewerkingsplicht. Er is nu sprake van een uitsluitingstermijn van twaalf maanden. Ook de voortzetting van de uitkering is door haar handelen in gevaar gekomen waardoor de continuïteit van het inkomen een onzekere factor is. Gelet op het voorgaande heeft verweerster er geen vertrouwen meer in dat verzoekster haar verplichtingen nog naar behoren zal nakomen.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 december 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 26 mei 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 2 juni 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 18 december 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. De huur wordt al vanaf oktober 2025 voldaan. Daarnaast is er inmiddels sprake van beschermingsbewind. Met beschermingsbewind wordt gewaarborgd dat ook de toekomstige huurtermijnen zullen worden voldaan.
Daarnaast staat de beëindiging van het schuldhulpverleningstraject nog niet onherroepelijk vast. Verzoekster heeft namelijk tegen dat besluit bezwaar gemaakt en een voorlopige voorziening bij de bestuursrechter ingediend. Om verzoekster in de gelegenheid te stellen het bezwaar en de voorlopige voorziening af te wachten ziet de rechtbank aanleiding om aan verzoekster een laatste kans te geven en het verzoek om een moratorium toe te wijzen. Nu met beschermingsbewind wordt gewaarborgd dat ook de toekomstige huurtermijnen zullen worden voldaan, loopt de schade aan de zijde van verweerster niet verder op. Met het moratorium heeft verzoekster de kans om aan haar schuldenproblematiek te werken, met oog op een schuldenvrije toekomst. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank wijst het moratorium toe, maar ziet aanleiding om af te wijken van de verzochte termijn van zes maanden. De rechtbank zal het moratorium toewijzen voor vier maanden. Na afloop van die periode zal duidelijk (moeten) zijn of het bezwaar tegen het beëindigen van het schuldhulpverleningstraject gegrond is verklaard en of verzoekster voldoende meewerkt aan een spoedig en efficiënt verloop van dat traject. Alleen als dat het geval is, kan zij mogelijk bij uitzondering in aanmerking komen voor een tweede moratorium op basis van hetzelfde ontruimingsvonnis, waarbij geldt dat de maximale duur van het tweede moratorium twee maanden zal zijn. De rechtbank acht daarbij bovendien termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 18 december 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [straatnaam] te [woonplaats], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van vier maanden vanaf
29 mei 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig en volledig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.P. Pot, rechter, en in aanwezigheid van mr. C. Hulsegge, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.
De griffier is buiten staat
dit vonnis mede te ondertekenen