[naam eiser] , uit [plaats] , eiser
en
De algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR
(gemachtigde: mr. J.A. Launspach).
Inleiding
1. Het beroep van eiser is gericht tegen de in bezwaar gehandhaafde ongeldigverklaring van zijn rijbewijs omdat hij twee keer een onvoldoende resultaat heeft behaald voor een rijvaardigheidsonderzoek.
De rechtbank heeft het beroep op 19 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door [persoon A] en de gemachtigde van het CBR. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Motivering
3. Eiser heeft twee rijvaardigheidsonderzoeken gehad. Bij beide onderzoeken heeft eiser voor het praktijkgedeelte een negatief resultaat behaald. Eiser voert tegen de uitslagen van de onderzoeken niets aan, zodat zijn gebrekkige rijvaardigheid vast staat. Zijn rijbewijs is daarom terecht ongeldig verklaard. De rechtbank begrijpt dat de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs voor eiser moeilijk is, zeker omdat zijn vrouw invalide is. Gelet op de gebrekkige rijvaardigheid van eiser acht de rechtbank het met het CBR echter geen goed idee dat eiser weer de weg op gaat.
4. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Dit proces-verbaal uitspraak is vastgesteld door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met de uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.