RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/711977 / JE RK 25-2618
Datum uitspraak: 22 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. R.S. Boonstra, kantoorhoudende te Rotterdam.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[naam vader] ,
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] ,
[naam oma (mz)] ,
hierna te noemen: de oma van moederszijde (mz), wonende in [woonplaats 3] ,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de Raad met bijlage van 17 december 2025, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum.
Aan de moeder is in het kader van de pilot kosteloze rechtsbijstand als advocaat mr. R.S. Boonstra, advocaat te Rotterdam, aangewezen.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon A] .
De vader, de oma mz en de GI zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
[voornaam minderjarige] verblijft op een groep van Enver.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [voornaam minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van negen maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. [voornaam minderjarige] heeft aangegeven dat hij zich thuis onveilig voelt. Daarnaast heeft de Raad zorgen over zijn gedrag en zijn emotionele ontwikkeling. [voornaam minderjarige] ziet soms zijn eigen aandeel in incidenten niet. Ook de school van [voornaam minderjarige] heeft zorgen geuit. Betrokkenheid van de GI is noodzakelijk om zicht te krijgen op hoe het op school gaat en met wie [voornaam minderjarige] omgaat. [voornaam minderjarige] is inmiddels vanuit de (vrijwillige) crisisopvang overgeplaatst naar een groep van Enver. Deze plek kan [voornaam minderjarige] meer rust geven. Hier kan de komende periode diagnostiek worden afgenomen. Het is belangrijk dat er behandeling wordt ingezet en er eventueel een coach komt voor [voornaam minderjarige] . Daarnaast moet er onderzocht worden wat een passende vervolgstap is voor [voornaam minderjarige] . De Raad acht een periode van negen maanden voor de uithuisplaatsing een aanvaardbare termijn voor [voornaam minderjarige] .
4. De standpunten
De moeder heeft ter zitting ingestemd met het verzoek van de Raad. Er is veel gebeurd de afgelopen tijd. [voornaam minderjarige] woonde eerst thuis, is toen naar de vader gegaan en heeft daarna een tijdje bij de oma mz gewoond. Het ging op deze plekken niet goed met [voornaam minderjarige] . Hij heeft een maand bij de crisisopvang gezeten en hij heeft nu een tijdelijke plek bij Enver. De moeder staat volledig achter de plaatsing en doet wat zij kan.
5. De beoordeling
Gelet op het feit dat er ter zitting geen verweer is gevoerd tegen een ondertoezichtstelling en de kinderrechter op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting van oordeel is dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling (artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek) is voldaan, zal de kinderrechter [voornaam minderjarige] onder toezicht stellen van de GI voor de duur van twaalf maanden. De kinderrechter benadrukt dat het belangrijk is dat de jeugdbeschermer de regie gaat voeren en dat de hele situatie van [voornaam minderjarige] in kaart wordt gebracht, zodat passende hulpverlening kan worden ingezet. De kinderrechter acht het met de Raad van belang dat er een nauwe samenwerking komt tussen alle betrokken hulpverleners, ook die van zijn halfzusje [naam halfzusje] .
Verder is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [voornaam minderjarige] heeft de afgelopen periode veel meegemaakt. Er was sprake van een onveilige opvoedsituatie bij de moeder thuis en de relatie tussen [voornaam minderjarige] en de moeder is verstoord. [voornaam minderjarige] geeft aan dat hij vaak door de moeder is geslagen. [voornaam minderjarige] heeft ook bij de vader en de oma mz gewoond, maar is daarna naar een crisisopvang gegaan. Sinds 21 januari 2026 heeft hij een plek bij Enver. Hier kan hij blijven en kan hij de rust en stabiliteit krijgen die hij nodig heeft. [voornaam minderjarige] kan aan zichzelf werken met de benodigde hulpverlening. In de komende periode is het belangrijk dat het perspectief van [voornaam minderjarige] duidelijk wordt. Er moet in kaart worden gebracht wat in de toekomst een passende plek voor hem is. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlenen voor de verzochte duur van negen maanden.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [voornaam minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 22 januari 2026 tot 22 januari 2027;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 22 januari 2026 tot 22 oktober 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2026 door mr. D.G.J. Roset, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Henschen als griffier, en op schrift gesteld op 30 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.