Rechtbank Rotterdam
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,
Dienst Toeslagen, verweerder.
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/1637
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2026 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen
gemachtigde: mr. J.F. Cheung,
en
Procesverloop
Eiseres heeft een aanvraag gedaan om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
Met de uitspraak van 24 juli 2025 (ROT 25/4540) heeft de rechtbank verweerder opgedragen een besluit bekend te maken op de aanvraag van eiseres.
Eiseres heeft opnieuw beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
4. Vanwege de zeer grote omvang van de hersteloperatie toeslagen is sprake van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 3 juni 2026 overwogen dat de besluitvorming door verweerder over aanvragen om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade volledig is vastgelopen. De ingezette versnellingsmaatregelen staan op gespannen voet met doel en strekking van de Wht. Gegevens over de impact van de alternatieve hersteltrajecten op de te verwachten doorlooptijd ontbreken. In navolging van de Afdeling ziet de rechtbank bij deze stand van zaken geen mogelijkheid om vast te stellen welke nadere beslistermijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort is. Verweerder moet daarom binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden een besluit op de aanvraag van eiseres bekendmaken.
5. Verweerder heeft verzocht te bepalen dat de nadere beslistermijn niet loopt gedurende de periode van een alternatief hersteltraject of gedurende de bedenktijd die eiseres desgewenst krijgt om een keuze voor een alternatief traject te maken. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank daartoe geen aanleiding.
6. Bij de huidige stand van zaken werkt het contraproductief om dwangsommen aan verweerder op te leggen, omdat daardoor overmatig capaciteit wordt besteed aan beroepen die zijn gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, terwijl deze capaciteit moet worden besteed aan de inhoudelijke besluitvorming. De huidige praktijk is dusdanig ontspoord, dat het niet zinvol is om een dwangsom op te leggen. De rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom daarom vast op € 0,- per dag dat de nadere beslistermijn wordt overschreden.
7. Het oordeel dat het bij de huidige stand van zaken niet zinvol is een dwangsom op te leggen heeft een tijdelijk karakter. Na 3 juni 2027 kan opnieuw worden bezien of met een dwangsom aan verweerder een effectieve prikkel kan worden opgelegd. De rechtbank wijst eiseres erop dat het indienen van een herhaald beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag om aanvullende compensatie vóór 3 juni 2027 zal leiden tot het kennelijk niet-ontvankelijk verklaren van het beroep omdat het procesbelang bij zo’n herhaald beroep ontbreekt.
8. Eiseres heeft verzocht de hoogte van de verbeurde rechterlijke dwangsom vast te stellen. De bestuursrechter is daartoe niet bevoegd. Ingevolge artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb kan de dwangsom ten uitvoer worden gelegd met toepassing van artikel 611c en 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Eiseres kan deze vordering uitsluitend bij de burgerlijke rechter instellen.
9. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
10. De rechtbank veroordeelt verweerder verder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb, is niet gebleken.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, rechter, in aanwezigheid van
I.G. Nugteren, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 3 september 2026.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.