Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/715137 / FA RK 26-1329
Beschikking van 31 augustus 2026 over het ouderlijk gezag en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dan wel de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht
in de zaak van:
[de vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. N. Schuerman te Rotterdam,
t e g e n
[de man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. A.F. Mandos te Rijswijk.
In deze zaak is als bijzondere curator benoemd:
mr. R.F.H. Weisz-Hertsworm, advocaat te Rotterdam, hierna: de bijzondere curator.
1. De verdere procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
de beschikking van deze rechtbank van 7 april 2026 waarin de bijzondere curator is benoemd;
het bericht met bijlagen van de vrouw van 21 april 2026;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlage van de man, ingekomen op 20 mei 2026;
de berichten met bijlagen van de vrouw van 27 mei 2026, 10 juni 2026 en 25 juni 2026;
het verslag van de bijzondere curator van 14 juli 2026;
het bericht met bijlage van de vrouw van 15 juli 2026;
het bericht van de man van 28 juli 2026.
Buiten de toegestane termijn is het volgende stuk overgelegd:
- het bericht met bijlagen van de man van 3 augustus 2026.
De rechtbank heeft aan het begin van de mondelinge behandeling beslist dit stuk buiten beschouwing te laten.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de bijzondere curator;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] .
2. De vaststaande feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
Uit de vrouw is geboren de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats] .
De man heeft de minderjarige erkend. Uit de akte van erkenning, opgemaakt op [datum 3] 2024 te [plaats] door de ambtenaar van de burgerlijke stand, blijkt dat de erkenning naar Surinaams recht heeft plaatsgevonden.
De man heeft de Surinaamse nationaliteit en de vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit.
3. De beoordeling
De verzoeken kort samengevat
De vrouw verzoekt te bepalen dat het gezag over de minderjarige voortaan alleen aan haar toekomt. De vrouw heeft haar verzoek aangevuld met het verzoek om partijen te verwijzen naar [omgangshuis] .
De man verzoekt bij zelfstandig verzoek – na wijziging daarvan tijdens de mondelinge behandeling – om vaststelling van een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) met een voorgestelde opbouw.
Tussenbeschikking 7 april 2026
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 7 april 2026 heeft de rechtbank mr. R.F.H. Weisz-Hertsworm tot bijzondere curator benoemd ten behoeve van de belangenbehartiging van de minderjarige, met de taakomschrijving de wensen en behoeften van de minderjarige over de zorgregeling in beeld te brengen en te onderzoeken wat de reden is waarom de minderjarige geen contact heeft met de man en te onderzoeken of er nu of in de nabije toekomst mogelijkheden zijn voor duurzame contacten tussen de minderjarige en de man. Als dit mogelijk is, zou de bijzondere curator wellicht kunnen ondersteunen bij het hervatten van dit contact. Verder is bepaald dat de bijzondere curator vóór 1 augustus 2026 schriftelijk verslag doet van haar bevindingen en is de behandeling van de zaak aangehouden tot 1 mei 2026 PRO FORMA.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van Brussel II-ter bevoegd te beslissen op het verzoek tot voorziening in het gezag over de minderjarige, en het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling.
De Nederlandse rechter past op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 Nederlands recht toe op de verzoeken van de vrouw en op het zelfstandig verzoek van de man.
Voorvraag gezamenlijk gezag
Voordat de rechtbank de verzoeken die zien op de minderjarige inhoudelijk kan beoordelen, moet de voorvraag beantwoord worden of de man en de vrouw met het gezamenlijk ouderlijk gezag zijn belast over de minderjarige of dat één van hen belast is met het eenhoofdig ouderlijk gezag. Om te bepalen welk recht van toepassing is op deze voorvraag wordt aansluiting gezocht bij artikel 16 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996. Op grond van lid 1 van dat artikel wordt het van rechtswege ontstaan of tenietgaan van ouderlijke verantwoordelijkheid, zonder tussenkomst van een rechterlijke of administratieve autoriteit, beheerst door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de minderjarige.
Omdat de minderjarige op het moment van de geboorte zijn gewone verblijfplaats had in Nederland, is dat recht van toepassing.
Naar dit recht zijn de man en de vrouw gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. De man heeft de minderjarige namelijk na 1 januari 2023 erkend, zodat de man op grond van artikel 1:251b BW van rechtswege mede het gezag heeft verkregen.
Zorgregeling
De vrouw verzoekt om partijen te verwijzen naar [omgangshuis] .
De man verzoekt bij zelfstandig verzoek – na wijziging daarvan tijdens de mondelinge behandeling – om een zorgregeling vast te stellen met de volgende opbouw:
vier opeenvolgende zaterdagen van 10.00 tot 18.00 uur, en daarna
vier opeenvolgende zondagen van 10.00 tot 18.00 uur, en daarna
vier keer opeenvolgende overnachtingen van vrijdag 10.00 uur tot zaterdag 12.00 uur, om tenslotte
om de week omgang te doen plaatsvinden van vrijdag 17.00 uur tot en met zondag 12.00 uur, waarbij de minderjarige onder andere het nodige kan opbouwen met zijn oudere broer(tje).
Op grond van artikel 1:253a BW, voor zover hier van belang, kan de rechtbank op verzoek van de gezaghebbende ouders of een van hen een zorgregeling vaststellen.
(i) [omgangshuis]
Gebleken is dat partijen zich in maart 2026 gezamenlijk hebben aangemeld voor een traject bij [omgangshuis] (hierna: het omgangshuis). Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat partijen naar verwachting medio september 2026 kunnen starten met het traject. Er bestaat dus nu geen aanleiding (meer) voor de rechtbank om partijen te verwijzen naar het omgangshuis. Bovendien bestaat er geen rechtsgrond voor een procespartij om aan de rechtbank te verzoeken om doorverwijzing, zodat de vrouw niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar verzoek dat ziet op de verwijzing.
(ii) aanhouding zelfstandig verzoek van de man
De man staat achter het traject bij het omgangshuis, maar geeft aan dat hij de voorkeur geeft aan de door hem verzochte zorgregeling met opbouw en daarom wel graag een beslissing wil op zijn zelfstandig verzoek.
De rechtbank beslist dat zij het zelfstandig verzoek van de man aanhoudt in afwachting van het traject bij het omgangshuis.
De rechtbank vindt het een goed idee dat partijen een traject bij het omgangshuis volgen. De rechtbank is het eens met de raad dat partijen stevige professionele hulp nodig hebben om zich te laten ondersteunen bij het opbouwen van het contact tussen de man en de minderjarige. Het gaat er daarbij wat de rechtbank betreft niet om dat er op dit moment contra-indicaties zouden zijn voor het contact tussen de man en de minderjarige. Uit het verslag en de toelichting van de bijzondere curator blijkt namelijk dat het contact tussen de man en de minderjarige goed verloopt. De minderjarige is gehecht aan de man en is blij om hem te zien. De vrouw bevestigt dat.
Het gaat erom dat tussen partijen sprake is van een ernstig verstoorde verhouding, zoals de bijzondere curator dat in haar verslag beschrijft.
De man is strafrechtelijk veroordeeld voor mishandeling van de vrouw, gepleegd op [datum 1] 2025 en op [datum 2] 2025. Aan hem is een deels voorwaardelijke taakstraf opgelegd, met als bijzondere voorwaarden onder meer behandeling gericht op agressiebeheersing en een locatieverbod voor de woning van de vrouw. De man heeft weliswaar aangegeven dat hij het niet eens is met de veroordeling en dat hij in hoger beroep is gegaan, maar de rechtbank gaat op dit moment uit van het vonnis van de strafrechter.
De man ontkent herhaaldelijk dat hij ooit fysiek geweld heeft gebruikt tegen de vrouw en ook dat sprake was van problematisch alcoholgebruik. Hij wijt het uit elkaar gaan van partijen aan de online gokverslaving, terugkerende jaloezie en depressiviteit van de vrouw. Volgens de man verlopen de contactmomenten nu soepel en ervaart hij daarbij geen spanning.
De vrouw geeft aan dat zij als gevolg van structureel psychisch en fysiek geweld door de man nog veel spanning en paniek ervaart rondom de contactmomenten. De vrouw geeft ook aan dat zij er last van heeft dat de man de communicatie rondom de contactmomenten verder belast met zaken die niet over de minderjarige gaan, zoals dat zij een taekwondo-pak en een hangmat voor de man moet meenemen.
De rechtbank vindt het, net als de raad, zeer zorgwekkend dat de man en de vrouw een fundamenteel andere beleving hebben over wat er tussen hen is gebeurd en over hoe zij zich nu toe elkaar verhouden. Beide partijen willen graag dat er contact is tussen de man en de minderjarige, maar de rechtbank ziet dat partijen nog een lange weg te gaan hebben om een duurzame en meer uitgebreide zorgregeling voor de man mogelijk te maken. Het zal voor beide partijen niet makkelijk worden om het traject bij het omgangshuis te doen slagen, maar de rechtbank acht het hoopvol dat partijen zich gezamenlijk hebben aangemeld en allebei gemotiveerd zijn.
De rechtbank zal in de uiteindelijke beslissing over de zorgregeling meewegen hoe het traject bij het omgangshuis is verlopen en wat partijen daar hebben laten zien. Als onderdeel van het traject bij het omgangshuis zullen partijen ook oudergesprekken voeren, waarbij zij met professionele begeleiding kunnen werken aan hun communicatie en het herstel van hun onderlinge verhouding althans een werkbare verhouding voor hun zoon.
Van de man verwacht de rechtbank dat hij in deze oudergesprekken zelfinzicht toont in zijn aandeel in de ernstig verstoorde verhouding met de vrouw. De rechtbank verwacht ook van de man dat hij de communicatie met de vrouw rondom de contactmomenten zoveel mogelijk beperkt tot zaken die de minderjarige aangaan om de vrouw zo min mogelijk te belasten.
Van de vrouw verwacht de rechtbank dat zij zich tijdens het traject bij het omgangshuis aan alle afspraken zal houden. Uit het verslag van de bijzondere curator en haar toelichting tijdens de mondelinge behandeling blijkt namelijk dat de vrouw zich soms niet aan afspraken houdt. Zo heeft de vrouw zich tijdens een contactmoment bij de ballenbak niet gehouden aan de afspraak dat zij zou wachten bij het entreepoortje, omdat zij op de minderjarige heeft gewacht in het eetgedeelte. Dat was uitdrukkelijk niet de bedoeling.
De rechtbank zal bij de uiteindelijke beslissing over de zorgregeling ook meewegen in hoeverre partijen individuele hulpverlening hebben gehad. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling toelicht dat zij op korte termijn zal starten met traumabehandeling. De man heeft aangegeven dat hij open staat voor individuele hulpverlening. Hij geeft aan dat hij tot nu toe geen hulpverlening heeft gehad, maar dat het wel een optie is om via de reclassering geholpen te worden voor agressieregulatie. De rechtbank gaat ervan uit dat hij met hulpverlening (via de reclassering of elders) aan de slag gaat, ook al is het – zoals zijn advocaat tijdens de mondelinge behandeling aangeeft – nog geen ‘moetje’ vanuit het openbaar ministerie.
(iii) vaststellen voorlopige zorgregeling voor de continuïteit
Het omgangshuis voorziet, althans daar gaat de rechtbank vanuit, in contact dat eens in de twee weken plaatsvindt.
De afgelopen paar maanden heeft de minderjarige wekelijks contact gehad met de man. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling afgesproken dat die wekelijkse contactregeling in stand blijft in de periode tussen de mondelinge behandeling en deze beslissing.
De rechtbank vindt het in het belang van de minderjarige dat het traject bij het omgangshuis niet ten koste gaat van de continuïteit van het contact met de man. Gelet op de jonge leeftijd van de minderjarige acht de rechtbank het van belang dat de bestaande frequentie van het contact voor hem zoveel mogelijk herkenbaar en voorspelbaar blijft. Dat is in lijn met het advies van de bijzondere curator. De rechtbank weet dat het omgangshuis er de voorkeur aan geeft dat er tijdens het traject bij het omgangshuis niet nog een andere regeling loopt, maar meent daar in deze zaak, gelet op de continuïteit en de leeftijd van de minderjarige, juist goed aan te doen.
De rechtbank zal een voorlopige zorgregeling vaststellen, waarbij de man en de minderjarige:
iedere zondag van 11.00 tot 13.00 uur contact hebben met elkaar, totdat het traject bij het omgangshuis start;
gedurende de looptijd van het traject bij het omgangshuis contact hebben met elkaar in de week dat er geen afspraak is bij het omgangshuis, op zondag van 11.00 tot 13.00 uur;
iedere zondag van 11.00 tot 13.00 uur contact hebben met elkaar, nadat het traject bij het omgangshuis is beëindigd of afgerond, tenzij partijen bij het omgangshuis een andere afspraak hebben gemaakt.
De rechtbank heeft, bij het vaststellen van deze voorlopige zorgregeling, rekening gehouden met de voorkeuren en beschikbaarheid van partijen, zoals zij die hebben aangegeven bij de bijzondere curator. De vrouw wil graag een vast moment. De man wil graag contactmomenten op zaterdag van 11.00 tot 13.00 uur als hij vrij is op zaterdag en op zondag van 11.00 tot 13.00 uur als hij op zaterdag moet werken. De rechtbank komt uit op een vast moment dat altijd plaatsvindt op de dag dat de man vrij is, op het door hem verzochte tijdstip.
De vrouw heeft aanvankelijk het verweer gevoerd dat zij de verzochte omgangsregeling met wekelijkse omgangsmomenten te belastend vindt, omdat zij teveel spanning ervaart rondom de omgangsmomenten. Tijdens de bespreking van de regeling tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw echter aangegeven dat zij het wekelijkse contact tussen de man en de minderjarige toch ondersteunt. De vrouw geeft aan dat zij zichzelf opzij zet, omdat zij ziet dat de minderjarige fijn contact heeft met de man en zij het belangrijk vindt dat dit contact kan blijven bestaan. Dat is wat de rechtbank betreft een groot compliment waard.De rechtbank hoopt dat het traject bij het omgangshuis en de individuele hulpverlening van de vrouw eraan zullen bijdragen dat de spanning die de vrouw rondom de contactmomenten ervaart, zal afnemen. Het is in ieders belang, en in het bijzonder in dat van de minderjarige, dat de vrouw als moeder voldoende overeind blijft om het contact met de man te kunnen blijven ondersteunen.
Gezag
De vrouw verzoekt te bepalen dat het gezag over de minderjarige voortaan alleen aan haar toekomt.
De man voert gemotiveerd verweer.
Het gezamenlijk gezag kan op grond van artikel 1:253n BW worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Indien één van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW genoemde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.
Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Zij moeten hiervoor belangrijke beslissingen over hun kinderen samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Het kind mag in beginsel niet klem of verloren raken tussen de ouders indien de ouders dat niet kunnen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer met zich dat er geen gezamenlijk gezag kan worden toegekend.
De rechtbank moet eerst beoordelen of sprake is van gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag op 8 mei 2024. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. De vrouw heeft aangevoerd dat sprake is geweest van huiselijk geweld. Hoewel de man heeft betwist dat dit het geval is geweest, staat vooralsnog in rechte vast dat de man strafrechtelijk is veroordeeld voor mishandeling van de vrouw op 22 juni 2025 en op 25 oktober 2025 (zie hiervoor onder 3.5.8). Dat de minimale basis van vertrouwen en veiligheid tussen ouders sindsdien ontbreekt, is door de vrouw gesteld en door de man ook niet weersproken.
De vervolgvraag is of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk gezag. De rechtbank is van oordeel dat deze beslissing, net als de beslissing over de zorgregeling, moet worden aangehouden in afwachting van het traject bij het omgangshuis. De rechtbank licht hieronder toe hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Het uitgangspunt van de wet is dat het in het belang van het kind is dat het gezag door ouders gezamenlijk wordt uitgeoefend. Voor beëindiging van het gezamenlijk gezag is alleen plaats als er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De rechtbank is van oordeel dat er op dit moment sprake is van een onaanvaardbaar risico dat de minderjarige klem en verloren kan raken tussen de ouders. Zoals de bijzondere curator beschrijft in haar verslag, is de verhouding tussen partijen ernstig verstoord. Volgens de bijzondere curator komt dit door langdurige spanningen, wederzijdse verwijten en conflicten over onder meer veiligheid, alcoholgebruik, familieverhoudingen en hun onderlinge communicatie. Daar komt bij dat de man (na het verslag van de bijzondere curator) is veroordeeld voor fysiek geweld tegen de vrouw, maar dat hij het fysieke geweld ontkent en meer in het algemeen geen blijk van inzicht heeft gegeven van de impact van de gebeurtenissen op de vrouw. De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling geadviseerd dat er geen basis is om verder te gaan als de man het fysieke geweld blijft ontkennen.
De rechtbank neemt daarbij eveneens in acht dat zij bij het nemen van een beslissing over kinderen gehouden is aan het op 1 maart 2026 in werking getreden Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouw en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul), waarin aan de overheid verplichtingen worden opgelegd om slachtoffers van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld te beschermen. De bescherming van een vrouw die slachtoffer is geweest van geweld door haar partner, kan meebrengen dat van haar niet gevergd kan worden dat zij het gezamenlijk gezag met hem voortzet.
Tegelijkertijd ziet de rechtbank wel een mogelijkheid dat er voldoende verbetering zou kunnen komen binnen afzienbare tijd. Partijen zullen namelijk vanaf medio september het traject bij het omgangshuis gaan volgen, waarbij zij ook zullen werken aan de verbetering van hun onderlinge verhouding. De rechtbank is hoopvol over de verbetering die het omgangshuis kan brengen in de verhouding tussen partijen, omdat de rechtbank in de man een liefdevolle vader ziet die zich betrokken voelt bij belangrijke zaken die de minderjarige aangaan, zoals de inschrijving voor de kinderopvang en ziekenhuisafspraken. De rechtbank gaat er ook vanuit dat partijen allebei aan de slag gaan met individuele hulpverlening, zoals hierboven overwogen onder 3.5.11. De rechtbank wil de uitkomst van het traject bij het omgangshuis en van de individuele hulpverlening betrekken bij de uiteindelijke beslissing over het gezag.
Vervolg van de procedure
De rechtbank zal de behandeling van de zaak in afwachting van de resultaten van het traject bij het omgangshuis pro forma aanhouden voor de duur van vier maanden, dus tot 1 januari 2027. De rechtbank verwacht dat het binnen deze termijn zal lukken om het traject te doorlopen, omdat partijen verwachten dat zij medio september al terecht kunnen. De rechtbank houdt er rekening mee dat partijen dan misschien nog geen eindverslag hebben ontvangen van het omgangshuis. De rechtbank wil de procedure echter niet onnodig lang aanhouden. Indien er bijzondere omstandigheden zijn kunnen partijen gemotiveerd verzoeken om een nieuwe pro forma datum waarbij zij concreet een datum dienen te noemen.
De rechtbank verzoekt partijen en hun advocaten om zich na afloop van de laatste afspraak bij het traject bij het omgangshuis maar uiterlijk op de pro forma datum uit te laten over het vervolg van de procedure, afhankelijk van of het traject bij het omgangshuis is geslaagd of niet. Partijen dienen concreet aan te geven of er tijdens het traject op onderdelen overeenstemming is bereikt, waarvan partijen verzoeken die in een beschikking op te nemen, dan wel of zij ten aanzien van die punten waarover geen overeenstemming is bereikt een nadere mondelinge behandeling wensen in welk geval zij worden verzocht om verhinderdata toe te sturen voor de komende vier maanden daarna.
De rechtbank zal de bijzondere curator nog niet ontslaan uit haar functie, omdat vertegenwoordiging van de minderjarige door de bijzondere curator nodig blijft zolang geen eindbeslissing is genomen op de verzoeken.
De rechtbank verzoekt partijen en hun advocaten het eindverslag van het omgangshuis meteen na ontvangst aan de rechtbank te sturen, nadat zij dit van het omgangshuis hebben ontvangen. De rechtbank verzoekt partijen en hun advocaten om gelijktijdig een kopie aan de raad en aan de bijzondere curator te verzenden.
De rechtbank verzoekt partijen en hun advocaten om binnen twee weken na ontvangst van het eindverslag van het omgangshuis schriftelijk te reageren op het eindverslag.
Proceskosten
Omdat ten aanzien van het gezag en de zorgregeling nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.
4. De beslissing
De rechtbank:
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek om partijen te verwijzen naar [omgangshuis] ;
stelt een volgende voorlopige zorgregeling vast, waarbij de man en de minderjarige:
iedere zondag van 11.00 tot 13.00 uur contact hebben met elkaar, totdat het traject bij [omgangshuis] start;
gedurende de looptijd van het traject bij [omgangshuis] contact hebben met elkaar in de week dat er geen afspraak is bij [omgangshuis] , op zondag van 11.00 tot 13.00 uur;
iedere zondag van 11.00 tot 13.00 uur contact hebben met elkaar, nadat het traject bij [omgangshuis] is beëindigd of afgerond, tenzij partijen bij het omgangshuis een andere afspraak hebben gemaakt;
verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
en voordat verder wordt beslist:
verzoekt partijen en hun advocaten om zich na afloop van de laatste afspraak bij het traject bij [omgangshuis] maar uiterlijk op de pro forma datum uit te laten over het vervolg van de procedure en, indien zij een nadere mondelinge behandeling wensen, om ook hun verhinderdata op te geven voor de komende vier maanden daarna;
verzoekt partijen en hun advocaten om het eindverslag van [omgangshuis] na ontvangst daarvan per direct aan de rechtbank te sturen en gelijktijdig een kopie aan de raad voor de kinderbescherming en aan de bijzondere curator te verzenden;
verzoekt partijen en hun advocaten om binnen twee weken na ontvangst van het eindverslag van [omgangshuis] schriftelijk te reageren op het eindverslag;
bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien van het gezag en de zorgregeling wordt aangehouden tot 1 januari 2027 PRO FORMA, waarna de rechtbank zal beslissen over het verdere verloop van de procedure;
bepaalt dat partijen, hun advocaten, de bijzondere curator en de raad voor de kinderbescherming op de genoemde pro-formadatum niet hoeven te verschijnen.
Deze beschikking is gegeven door mr. L.C.I. Aerden, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. E.A.C. van Dijk, griffier, op 31 augustus 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.