Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-068045-26
Datum uitspraak: 31 augustus 2026
Datum zitting: 17 augustus 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam PI] , HvB.
Advocaat van de verdachte: mr. J.C. Sneep
Officier van justitie: mr. B. Lijnse
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - samen met anderen in een woning in verschillende soorten harddrugs, hennep en hasjiesj heeft gehandeld, dan wel deze (opzettelijk) aanwezig heeft gehad. Daarnaast wordt hij ervan beschuldigd dat hij in Nederland verbleef terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard.
De volledige tenlastelegging (hierna: beschuldiging) houdt in dat
1.hij op of omstreeks 5 maart 2026 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en/of vervaardigd, in elk geval aanwezig heeft gehad- een hoeveelheid cocaïne en/of MDMA en/of metamfetamine en/of 3-CMC en/of 4-CMC,(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet;
2.hij op of omstreeks 5 maart 2026 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA, te weten een hoeveelheid 2-MMC heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of heeft vervoerd, vervaardigd, in elk geval aanwezig heeft gehad;
3.hij op of omstreeks 5 maart 2026 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk heeft verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten- een grote hoeveelheid hennep en/of hasjiesj, zijnde een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd, in elk geval een of meer (grote) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan 30 gram hennep en/of hasjiesj, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4.hij op of omstreeks 5 maart 2026 te [plaats] , althans in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van een wettelijk voorschrift, te weten artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, tot ongewenst vreemdeling was verklaard.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor alle feiten.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van alle feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte:
1.op 5 maart 2026 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid cocaïne en MDMA en metamfetamine en 3-CMC en 4-CMC, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.op 5 maart 2026 te [plaats] een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA, te weten een hoeveelheid 2-MMC aanwezig heeft gehad;
3.op 5 maart 2026 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten grote hoeveelheden van meer dan 30 gram hennep en hasjiesj, zijnde hasjiesj en hennep telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
4.op 5 maart 2026 te [plaats] als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van een wettelijk voorschrift, te weten artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, tot ongewenst vreemdeling was verklaard.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
1. Verklaring van de verdachte
2. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte
3. Proces-verbaal van politie
4. Proces-verbaal van politie
5. Proces-verbaal van politie
6. Proces-verbaal van politie
7. Deskundigenverslagen
8. Deskundigenverslagen
9. Proces-verbaal van politie
10. Proces-verbaal van politie
11. Proces-verbaal van politie
12. Proces-verbaal van politie
13. Schriftelijk stuk
14. Schriftelijk stuk
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
Feit 2 (overtreding)
handelen in strijd met het onder artikel 2a, eerste lid, onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 3
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegd;
Feit 4
als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar met aftrek van het voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de geëiste straf flink te matigen en een groot deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft in een woning circa 11 kilo verschillende soorten harddrugs en circa 4 kilo hennep en hasjiesj aanwezig gehad. De drugs had hij verpakt in kleine hoeveelheden en verstopt in de aan de woning grenzende berging, het dressoir in de woonkamer en een van de twee in de woning aanwezige koelkasten. De verschillende soorten (hard)drugs vormen een gevaar voor de volksgezondheid en leiden, direct en indirect, tot vele vormen van (ernstige) criminaliteit en milieuschade. Hiertegen moet daarom streng worden opgetreden. Verder heeft de verdachte als ongewenst vreemdeling in Nederland verbleven. De verdachte heeft daarmee een beslissing van de overheid, op grond waarvan hij verplicht was Nederland te verlaten, genegeerd.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
- Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 10 juli 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus tot een hogere straf.
- Overige persoonlijke omstandigheden
Op de zitting heeft de verdachte verklaard dat hij in Nederland zwart in de [sector] werkt en hiermee niet veel geld verdient. Tevens heeft hij verklaard dat hij een drugsverslaving heeft en door drugs vaak in de problemen komt en ook al eerder door drugs in de gevangenis is beland. In detentie volgt hij momenteel therapie om van zijn drugsverslaving af te komen. Hij is van plan om terug naar [land] te gaan als hij vrijkomt en de therapie dan daar voort te zetten. Hij is al bezig om dit te regelen.
Oplegging straffen
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd, zoals dit onder meer volgt uit de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Het strafblad van de verdachte wordt in strafverzwarende zin meegewogen. De rechtbank acht het opleggen van een voorwaardelijk straf, zoals door de verdediging is verzocht, niet passend. De verdachte heeft eerder bij de veroordeling voor een vergelijkbaar feit een straf in de vorm van een deels voorwaardelijke straf opgelegd gekregen en daar heeft hij zich kennelijk niets van aangetrokken.
Al met al komt de rechtbank uit op een gevangenisstraf van 34 maanden met aftrek van het voorarrest.
Omdat feit 2, door het ontbreken van het woord “opzettelijk” in de tenlastelegging, een overtreding betreft, kan voor dat feit geen gevangenisstraf worden opgelegd. De rechtbank zal aan verdachte voor dit feit daarom één maand hechtenis opleggen.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
5. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 57, 62 en 197 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 2a, 3, 10, 10b en 11 van de Opiumwet.
6. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2, 3 en 4, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen
Ten aanzien van feiten 1, 3 en 4
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 34 maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Ten aanzien van feit 2
veroordeelt de verdachte tot een hechtenis van 1 maand.
7. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.F. Koekebakker, voorzitter,
en mrs. G.C. Bos en A.M. Nuijens, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. Knook, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 31 augustus 2026.