Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
Insolventienummer: [nummer]
Uitspraak: 25 maart 2026
VONNIS op het op 17 februari 2026 ingekomen verzoekschrift, met bijlage(n), van:
1.
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verzoekster ]
handelend onder de naam [verzoekster ],
gevestigd te [vestigingsplaats 1],
verzoekster sub 1,
2.
[verzoeker]
wonende te [woonplaats 1],
verzoeker sub 2,
hierna tezamen te noemen: verzoekers,
advocaat: mr. J.P.M. Bakker,
strekkende tot faillietverklaring van:
[verweerder]
[straatnaam 1],
[postcode 1] [woonplaats 2],
kantoorhoudende aan de [straatnaam 2],
[postcode 2] [vestigingsplaats 2],
aldaar handelend onder de naam [bedrijf],
gemachtigde: [naam 1],
verweerder.
1. De procedure
De rechtbank heeft de behandeling van het ingekomen verzoekschrift bepaald op
17 maart 2026.
Verweerder heeft voorafgaand aan de zitting aanvullende stukken toegezonden.
Ter zitting van 17 maart 2026 is verschenen en gehoord:
De heer [naam 1] heeft op de zitting spreekaantekeningen overgelegd en voorgelezen.
De rechtbank heeft bepaald om op 25 maart 2026 uitspraak te doen.
2. Standpunt van partijen
Standpunt verzoekers
Verzoekster sub 1 heeft gesteld dat zij uit hoofde van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 3 december 2025 een opeisbare vordering op verweerder heeft van € 1.121,60. Verzoeker sub 2 heeft gesteld dat hij uit hoofde van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest van 11 juni 2024 een opeisbare vordering op verweerder heeft van € 10.569,01, in hoofdsom. Verweerder heeft, ondanks herhaaldelijke verzoeken daartoe, geen betalingen verricht aan verzoekers. Daarnaast laat verweerder ook nog andere schuldeisers onbetaald. Er is dus sprake van pluraliteit van schuldeisers. Verweerder verkeert dan ook in de toestand dat hij is opgehouden te betalen. Gelet op het voorgaande zijn verzoekers gerechtigd de faillietverklaring van verweerder te verzoeken.
Standpunt verweerder
Verweerder erkent dat verzoekers een vordering op hem hebben. Verweerder heeft daarom een betalingsregeling voorgesteld van € 500,00 per maand ter aflossing van de schuld en € 200,00 per maand ter aflossing van de deurwaarderskosten. Dit is waartoe hij in staat is en verwijst daarbij naar het door hem overgelegde kostenoverzicht. Daaruit volgt een bescheiden operationele buffer van € 711,50 per maand. Verzoekers zijn daarmee niet akkoord gegaan. Gelet daarop verzoekt verweerder het verzoek tot faillietverklaring af te wijzen dan wel verzoekers te dwingen in te stemmen met de voorgestelde betalingsregeling. Verweerder heeft daarbij aangevoerd dat het verzoek tot faillietverklaring niet alleen disproportioneel en onnodig is, maar ook gebaseerd is op een onrealistische inschatting van de financiële situatie van verweerder. Verweerder heeft geen substantiële bezittingen die een faillissement rechtvaardigen of rendabel maken en verwijst daarbij naar recente bankafschriften. Een faillissement leidt dan ook tot onherstelbare schade aan een bloeiende eenmanszaak. Volgens vaste rechtspraak dient een faillissement een ultimo remedium te zijn. Verweerder verwijst daarbij naar een tweetal uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 23 januari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:2001 en van 25 februari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9487. Uit de faillissementsaanvraag blijkt verder ook niet van insolventie of van pluraliteit van schuldeisers.
3. De beoordeling
Bevoegdheid
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerder in Nederland ligt.
Beoordelingskader
Ingevolge artikel 6 van de Faillissementswet wordt de faillietverklaring uitgesproken indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Van de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden blijkt in het algemeen, indien sprake is van pluraliteit van schuldeisers, terwijl tenminste één vordering opeisbaar is.
Bestaan vorderingsrechten en pluraliteit van schuldeisers
Verweerder heeft de opeisbare vorderingen van verzoekers niet betwist. Daarmee is summierlijk gebleken van de vorderingsrechten van verzoekers en daarmee ook van pluraliteit van schuldeisers. De vorderingen zijn bovendien opeisbaar.
Faillissementstoestand
Verweerder laat de vorderingen van verzoekers onbetaald. Verweerder heeft weliswaar een betalingsregeling voorgesteld, maar verzoekers hebben daarmee niet ingestemd. Verzoekers kunnen daartoe ook niet gedwongen worden. Dat volgt namelijk uit artikel 6:29 van het Burgerlijk Wetboek. Nu geen betalingsregeling tot stand is gekomen en verweerder heeft verklaard dat hij de vorderingen van verzoekers niet binnen afzienbare tijd kan voldoen, is daarmee summierlijk gebleken van feiten en omstandigheden die aantonen dat verweerder in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen.
Verweerder heeft weliswaar naar een tweetal uitspraken van de rechtbank Rotterdam verwezen, maar heeft daarbij geen toelichting gegeven. De verwijzing daarnaar mist dan ook haar doel. Deze uitspraken zullen daarom verder onbesproken blijven.
Geen misbruik van bevoegdheid
Het faillissement dient er mede toe dat de curator ten behoeve van de schuldeisers onderzoekt of en, zo ja, in hoeverre verweerder verhaal biedt. Indien de boedel leeg blijkt, kan het faillissement worden opgeheven bij gebrek aan baten (artikel 16 van de Faillissementswet). De enkele omstandigheid dat de boedel leeg is of lijkt te zijn, is geen reden om een faillissementsverzoek af te wijzen. Daarvoor is mede vereist dat de faillissementsaanvraag is aan te merken als misbruik van bevoegdheid.
Van misbruik van bevoegdheid kan sprake zijn als degene die het faillissement aanvraagt weet of behoort te weten dat de boedel leeg is en hij geen voldoende gerechtvaardigd belang bij de aanvraag heeft. In deze zaak is niet gebleken dat sprake is van misbruik van bevoegdheid.
Verweerder heeft enerzijds onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat hij geen substantiële bezittingen heeft en heeft anderzijds onvoldoende aangetoond dat verzoekers daarvan op de hoogte zouden zijn. In plaats daarvan heeft verweerder verklaard dat hij een bloeiende onderneming heeft en dat een faillissement onherstelbare schade aan die onderneming zou toebrengen. Ook uit de door hem overgelegde bankafschriften blijkt dat hij een lopende onderneming (met terugkerende cliënten) heeft. Verweerder heeft namelijk in de periode 1 januari 2026 tot en met 10 maart 2026 een bedrag van € 25.435,41 ontvangen op zijn zakelijke rekening en heeft daarvan een bedrag van € 18.690,00 overgemaakt naar zijn privérekening. Verweerder heeft daarover verklaard dat hij het saldo op die bankrekening bewust laag houdt om onverwachte beslagleggingen (door verzoekers) te voorkomen. Verzoekers kunnen daardoor geen beslag leggen. Verzoekers hebben daarom belang bij een faillissement. De incassering van een vordering via een faillissementsprocedure is immers een legitiem doel.
Verzoek tot faillietverklaring wordt toegewezen
Een en ander leidt er toe dat het verzoek tot faillietverklaring wordt toegewezen.
3. De beslissing
De rechtbank:
- verklaart [verweerder] voornoemd in staat van faillissement;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. R.W.J. van Veen, lid van de rechtbank Midden-Nederland;
- stelt aan tot curator mr. L. Veldkamp, advocaat te Utrecht;
- geeft last aan de curator tot het openen van brieven en telegrammen aan de gefailleerde gericht.
bepaalt:
- dat de taken die de wet in een faillissement aan de rechtbank opdraagt, met uitzondering van de tegen de faillietverklaring in te stellen rechtsmiddelen, na deze beslissing en de publicatie daarvan, door de rechtbank Midden-Nederland worden uitgevoerd;
- dat door de griffier een afschrift van dit vonnis en de overige op de zaak betrekking hebbende stukken per post aan de rechtbank Midden-Nederland worden gezonden;
- dat de griffier van de rechtbank Midden-Nederland wordt verzocht de ontvangst van genoemd vonnis en genoemde stukken en het overnemen van de behandeling van de zaak schriftelijk te bevestigen aan de griffier van deze rechtbank;
- dat de zaak nadat door de rechtbank Midden-Nederland daaraan een dossiernummer is toegekend uitsluitend met dat nummer zal worden aangeduid;
- dat de curator alleen verslag behoeft uit te brengen aan de benoemde rechter-commissaris en dat alle betrokkenen zich vanaf heden uitsluitend zullen richten tot de rechtbank Midden-Nederland dan wel de benoemde rechter-commissaris van de rechtbank Midden-Nederland;
- dat de rechtbank Rotterdam dit vonnis zal publiceren en dat alle verdere publicaties zullen worden verricht door de rechtbank te Midden-Nederland.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.P. Pot, rechter, en in aanwezigheid van mr. C. Hulsegge, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026 te 10:00 uur.
De griffier is buiten staat
dit vonnis mede te ondertekenen