Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
Insolventienummer: [nummer]
Uitspraak: 24 maart 2026
VONNIS op het op 13 februari 2026 ingekomen verzoekschrift, met bijlage(n), van:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats 1],
verzoeker,
advocaat mr. M. Kolbrink,
strekkende tot faillietverklaring van:
[verweerder] ,
Van [straatnaam]
[postcode] [woonplaats 2],
verweerder.
1. De procedure
De rechtbank heeft de behandeling van het ingekomen verzoekschrift bepaald op
17 maart 2026.
Verzoeker heeft voorafgaand aan de zitting aanvullende stukken toegezonden.
Ter zitting van 17 maart 2026 is verschenen en gehoord:
De heer [verweerder] heeft op de zitting aanvullende stukken overgelegd.
Naar aanleiding van de bij artikel 3 van de Faillissementswet voorgeschreven brief van de griffier van 13 februari 2026 is geen verzoekschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald om op 24 maart 2026 uitspraak te doen.
2. Standpunt van partijen
Standpunt verzoeker
Verzoeker heeft – kort samengevat – gesteld dat hij uit hoofde van een tussen partijen gesloten leenovereenkomst een opeisbare vordering op verweerder heeft van € 110.000,00, exclusief rente en kosten. Verweerder zou vóór 1 januari 2026 een bedrag van € 60.000,00 betalen, maar heeft dat niet gedaan. Daarnaast heeft verweerder ook nog een andere schuld. Blijkens het Kadaster is hij namelijk voor de helft eigenaar van een woning waarop een recht van hypotheek is gevestigd. De hypotheek is blijkens de correspondentie met verweerder nog niet volledig terugbetaald. Er is dus sprake van pluraliteit van schuldeisers. Verweerder verkeert dan ook in de toestand dat hij is opgehouden te betalen.
Gelet op het voorgaande is verzoeker gerechtigd de faillietverklaring van verweerder te verzoeken. Verzoeker verzoekt daarbij tevens verweerder te veroordelen in de kosten van de faillissementsaanvraag.
Standpunt verweerder
Verweerder heeft – kort samengevat – gesteld dat het verzoek tot faillietverklaring moet worden afgewezen. Er is geen sprake is van pluraliteit van schuldeisers. De hypotheekkosten worden elke maand betaald en er is geen achterstand. Verweerder verwijst daarbij naar de door hem overgelegde bankafschriften. Ook is hij niet opgehouden met betalen, omdat hij bereid is een betalingsregeling te treffen met verzoeker. Daarbij verwijst verweerder enerzijds naar een uitspraak van het hof Den Bosch van 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:3345, en anderzijds naar het betaalvoorstel dat hij in april 2025 heeft gedaan. Verweerder heeft voorgesteld om vóór 1 juli 2025 een bedrag van € 2.500,00 en daarna elk kwartaal een bedrag van € 5.000,00 te betalen. Dat komt (per 1 januari 2026) neer op een bedrag van € 20.000,00 per jaar. Dit is waartoe hij in staat is. Verzoeker is daarmee niet akkoord gegaan. Daarnaast is er sprake van misbruik van recht. Verzoeker probeert via een faillissementsprocedure betaling af te dwingen terwijl een incassoprocedure hier meer voor de hand ligt.
3. De beoordeling
Bevoegdheid
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerder in Nederland ligt.
Beoordelingskader
Ingevolge artikel 6 van de Faillissementswet wordt de faillietverklaring uitgesproken indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Van de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden blijkt in het algemeen, indien sprake is van pluraliteit van schuldeisers, terwijl tenminste één vordering opeisbaar is.
Bestaan vorderingsrecht en pluraliteit van schuldeisers
Verweerder heeft niet betwist dat hij een leenovereenkomst met verzoeker heeft gesloten en dat verzoeker op grond van die overeenkomst een opeisbare vordering heeft van
€ 110.000,00. Daarmee is summierlijk gebleken van het opeisbare vorderingsrecht van verzoeker. Daarnaast heeft verweerder ook niet betwist dat hij een hypotheekschuld heeft. Daarmee is ook summierlijk gebleken van pluraliteit van schuldeisers. Een steunvordering hoeft namelijk niet opeisbaar te zijn. Het enkele bestaan van een steunvordering is voldoende. Dat verweerder heeft aangetoond dat hij elke maand de hypotheeklasten heeft betaald, maakt dat niet anders.
Faillissementstoestand
Verweerder laat de vordering van verzoeker (volledig) onbetaald. Verweerder heeft weliswaar een betalingsregeling voorgesteld, maar verzoeker heeft daarmee niet ingestemd. Daarmee blijft de vordering van verzoeker onbetaald en is er summierlijk gebleken van feiten en omstandigheden die aantonen dat verweerder in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. Op grond van de overeenkomst had verweerder de lening uiterlijk op 1 januari 2024 moeten terugbetalen. Verweerder heeft echter nog geen enkele aflossing gedaan op de lening. Daar komt nog bij dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat hij de vordering van verzoeker niet binnen afzienbare tijd kan voldoen. Ook de verwijzing naar de uitspraak van het hof Den Bosch van 2023 gaat hier niet op. Uit die uitspraak volgt namelijk dat er in dat specifieke geval geen opeisbare vorderingen meer waren, omdat die vorderingen werden voldaan en met de overige schuldeisers betalingsregelingen zijn getroffen. Ook de vordering van de aanvrager van het faillissement werd volledig voldaan. Daar is hier geen sprake van.
Geen misbruik van recht
Van misbruik van recht is niet gebleken. Verweerder heeft onvoldoende aangetoond dat verzoeker zijn bevoegdheid tot het aanvragen van het faillissement van verweerder heeft gebruikt met geen ander doel dan verweerder te schaden of met een ander doel dan waarvoor die aanvraag bedoeld is. De incassering van een vordering via een faillissementsprocedure is immers een legitiem doel. Ook is verzoeker niet verplicht om met een betalingsregeling in te stemmen.
Verzoek tot faillietverklaring wordt toegewezen
Een en ander leidt er toe dat het verzoek tot faillietverklaring wordt toegewezen.
Proceskostenveroordeling
Gelet op het voorgaande zal het verzoek van verzoeker om verweerder te veroordelen in de kosten van deze procedure worden toegewezen. De kosten van deze procedure zullen worden vastgesteld op (2 punten maal tarief II in eerste aanleg is) € 1.228,00, overeenkomstig het liquidatietarief voor rechtbanken en gerechtshoven.
4. De beslissing
De rechtbank:
- verklaart [verweerder] voornoemd in staat van faillissement;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. J.T.P. Pot, lid van deze rechtbank;
- stelt aan tot curator mr. P.J.E.M. Nuiten, advocaat te Dordrecht;
- geeft last aan de curator tot het openen van brieven en telegrammen aan de gefailleerde gericht;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten aan de zijde van verzoeker, bepaald op € 1.228,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.P. Pot, rechter, en in aanwezigheid van mr. C. Hulsegge, griffier, in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 te 10:00 uur.