Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 10 augustus 2026
[verzoeker] ,
wonende te [straatnaam 1]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.
1. De procedure
Verzoeker heeft op 21 juli 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 21 juli 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 3 augustus 2026.
Ter zitting van 3 augustus 2026 zijn verschenen en gehoord:
Mevrouw mr. M. Spruit, werkzaam bij deurwaarderskantoor GGN Mastering Credit B.V., heeft namens de stichting Stichting Woonstad Rotterdam, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) op 27 juli 2026 een e-mailbericht aan de rechtbank toegezonden. In dit e-mailbericht is tevens meegedeeld dat er namens verweerster niemand ter zitting zal verschijnen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op vandaag.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 maart 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker ontvangt wekelijks een bedrag van € 370,-- aan Ziektewetuitkering (circa
€ 1.603,33 per maand). Daarnaast ontvangt verzoeker maandelijks een bedrag van € 375,-- aan huurtoeslag en een bedrag van € 129,-- aan zorgtoeslag. Door het weekgeld is het voor verzoeker lastig om te budgetteren. De maandelijkse huurtermijnen bedragen volgens verzoeker € 720,-- per maand. Van de huur over de maand augustus 2026 heeft verzoeker een bedrag van € 250,-- voldaan. Verzoeker heeft ter zitting toegezegd de huur over de maand augustus 2026 volledig te zullen betalen. Verzoeker heeft iedere week een gesprek met de begeleiding die hem helpt met allerhande zaken. Er is een aanvraag tot beschermingsbewind ingediend. Tot het beschermingsbewind is uitgesproken zal budgetbeheer worden ingezet om de betaling van de lopende huurtermijnen te voldoen. Verzoeker zal zijn inkomen overmaken naar de budgetbeheerder, zodat de budgetbeheerder kan zorgdragen voor betaling van de vaste lasten. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat zodra het beschermingsbewind is opgestart, de schuldenlast verder in kaart zal worden gebracht en het minnelijk traject zal worden voortgezet.
3. Het verweer
Verweerster heeft in haar e-mailbericht van 27 juli 2026 laten weten geen bezwaar te hebben tegen toewijzing van het verzoek als de lopende huur, waaronder de huur over augustus 2026, stipt op tijd wordt voldaan en ter zitting blijkt dat de inkomsten van verzoeker voldoende zijn om zijn vaste lasten te voldoen.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 maart 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 30 april 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 23 juli 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 17 maart 2026 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker heeft inkomen uit een Ziektewetuitkering van € 370,-- per week (circa € 1.603,33 per maand). Daarnaast ontvangt verzoeker huur- en zorgtoeslag. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen van € 720,-- per maand te voldoen. Hij heeft een deel van de huur van augustus 2026, te weten € 250,--, voldaan. Wanneer hij de volgende weekbetaling van zijn uitkering ontvangt en de toeslagen, zal hij het restant van de huur van augustus 2026 voldoen. Om verdere financiële problemen te voorkomen, is beschermingsbewind aangevraagd. Beschermingsbewind waarborgt de betaling van de lopende huurtermijnen. Tot het moment waarop beschermingsbewind is uitgesproken, zal budgetbeheer worden ingezet. De verwachting is dat de inkomsten voor september 2026 bij de budgetbeheerder zullen binnenkomen. Verzoeker is zich er van bewust dat hij de huur tijdig dient te voldoen. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerder.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard.
Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 17 maart 2026 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [straatnaam 1] te [woonplaats], alsmede de parkeerplaats met aan- en toebehoren aan de [straatnaam 2], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 22 juli 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.P. Pot, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2026.