RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 september 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/5968
(gemachtigde: mr. M. el Idrissi),
en
(gemachtigde: mr. L. Pardokruidenier).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een urgentieverklaring. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af, omdat verzoeker niet voldoet aan de vereisten om voor een urgentieverklaring in aanmerking te komen. Ook bestaat geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule.
Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Verzoeker heeft op 1 juni 2026 een urgentieverklaring aangevraagd op de urgentiegrond ‘medische noodzaak’.
Met het bestreden besluit van 22 juni 2026 heeft het college deze aanvraag afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college.
De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op de zitting geschorst en de gemachtigde van het college gevraagd om uiterlijk op 1 september 2026 (voor 12:00 uur) te reageren. Het college heeft op 31 augustus 2026 een reactie ingediend, waarop verzoeker op 1 september 2026 heeft gereageerd.
De voorzieningenrechter sluit hierbij het onderzoek.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
3. Bij beschikking van [datum] is de echtscheiding uitgesproken tussen verzoeker en zijn ex-partner. Hierbij is bepaald dat de ex-partner van verzoeker in de door hen gezamenlijk aangekochte woning (de woning) kan blijven wonen. Verzoeker is op dit moment dakloos. Sinds 20 februari 2026 beschikt hij over een gemeentelijk briefadres ( [adres] in [woonplaats] ). Verzoeker heeft medische klachten (hernia) en ontvangt sinds 2 maart 2026 een uitkering op grond van de Ziektewet.
Verzoeker en zijn ex-partner hebben een dochter, [naam dochter] (2021). Op [geboortedatum] 2026 is hun tweede kind (zoon) geboren. Na de scheiding is ten behoeve van [naam dochter] een ouderschapsplan opgesteld. Daarin is vastgelegd dat verzoeker en zijn ex-partner het co-ouderschap hebben over [naam dochter] en dat zij haar hoofdverblijf heeft op het adres van haar moeder. Zolang verzoeker geen eigen woning heeft vinden de contactmomenten van verzoeker met [naam dochter] , zoals vastgelegd in het ouderschapsplan, plaats in de woning waar de moeder verblijft. Zodra verzoeker een eigen woning heeft kunnen de contactmomenten met [naam dochter] , in overleg met de moeder, plaatsvinden in ofwel de woning van verzoeker, of die van de moeder.
Waar gaat deze zaak om?
4. Het college heeft de urgentieaanvraag afgewezen, omdat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden om voor urgentie in aanmerking te komen. Uit de aanvraag blijkt volgens het college dat verzoekers medische klachten niet zijn gerelateerd aan de woning, maar dat zijn situatie betrekking heeft op een echtscheiding van een huishouden. Dit valt onder de urgentiegrond ‘woonlasten vanwege echtscheiding’. Verzoeker komt volgens het college echter ook niet op die grond voor urgentie in aanmerking. Hij heeft niet aangetoond dat sprake is van betalingsproblemen door onevenredig hoge woonlasten. Ook is niet gebleken dat één of meer van zijn kinderen bij hem het hoofdverblijf zal/zullen hebben.
5. Verzoeker is het met dit besluit niet eens. Hij wil met zijn verzoek bereiken dat hem alvast een urgentieverklaring wordt verleend, totdat op zijn bezwaar is beslist.
Spoedeisend belang
6. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als sprake is van onverwijlde spoed, waardoor de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht.
7. Verzoeker heeft op de zitting aangevoerd dat hij op dit moment in zijn auto slaapt en soms in een moskee. Hierdoor zijn de herniaklachten alleen maar erger geworden. Omdat hij geen eigen woonruimte (meer) heeft kan verzoeker op dit moment zijn dochter niet meer zien. Zijn ex-partner heeft hem feitelijk de toegang tot de woning ontzegd en alle sloten vervangen. Het wordt hem daarmee onmogelijk gemaakt om uitvoering te geven aan het ouderschapsplan en om de daarin gemaakte zorgafspraken na te komen. Daar komt bij dat op [geboortedatum] 2026 het tweede kind van verzoeker is geboren en verzoeker ook hem nu niet kan bezoeken. De voorzieningenrechter neemt op grond hiervan het spoedeisend belang wel aan.
Waarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek af?
8. Op deze uitspraak is het juridisch kader van toepassing zoals opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
9. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker op dit moment niet over zelfstandige woonruimte beschikt. Verzoeker is formeel gezien nog steeds voor de helft eigenaar van de woning, maar is daar niet meer feitelijk woonachtig omdat het recht van gebruik van de woning (voorlopig) is toegewezen aan zijn ex-partner. Er is dus geen sprake van de situatie dat verzoeker een zelfstandige woonruimte bewoont. En evenmin van de situatie dat de huidige zelfstandige woonruimte om medische redenen voor verzoeker niet langer geschikt is. Om deze redenen komt verzoeker niet in aanmerking voor een urgentieverklaring op de urgentiegronden ‘medische noodzaak’ en ‘woonlasten (na echtscheiding)’. Verzoeker heeft dit ook niet betwist.
10. Verzoeker stelt echter dat het college in zijn situatie aan het criterium van het beschikken over zelfstandige woonruimte voorbij dient te gaan, omdat toepassing van dit criterium betekent dat verzoeker nooit voor een urgentieverklaring in aanmerking zou kunnen komen. Dit is volgens verzoeker in strijd met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) omdat het een ongerechtvaardigd onderscheid maakt tussen personen die beschikken over een zelfstandige woning en personen, zoals verzoeker, die slechts de beschikking hebben over een briefadres. De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in dit standpunt. Zoals het college op de zitting heeft toegelicht is het vereiste van het beschikken over een zelfstandige woning gesteld om de druk op de woningmarkt niet nog verder te vergroten. Als ook aan personen die niet beschikken over zelfstandige woonruimte een urgentieverklaring wordt verleend, ontstaan er dusdanig lange wachtlijsten dat het urgentiesysteem zijn functie verliest. De voorzieningenrechter acht het vereiste van een zelfstandige woonruimte dan ook niet onredelijk. De voorzieningenrechter acht verder van belang dat iemand die niet over zelfstandige woonruimte beschikt, op grond van de hardheidsclausule alsnog in aanmerking kan komen voor een urgentieverklaring indien sprake is van een schrijnende situatie en bijzondere en onvoorziene omstandigheden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet zich dan ook geen onderscheid voor als bedoeld in artikel 26 van het IVBPR.
11. Verzoeker beroept zich verder op de hardheidsclausule. Hij stelt daartoe dat het weigeren van een urgentieverklaring voor hem leidt tot een schrijnende situatie. Er is sprake van bijzondere, onvoorziene omstandigheden die voor het college redelijkerwijs aanleiding zouden moeten zijn om toch een urgentieverklaring te verlenen. Verzoeker kan door zijn dakloosheid op dit moment geen invulling geven aan de zorgregeling voor zijn dochter, zoals geregeld in het ouderschapsplan. Omdat hij niet langer door zijn ex-partner tot de woning wordt toegelaten kan hij op dit moment niet alleen zijn dochter, maar ook zijn pasgeboren zoon niet zien.
Het college heeft met de reactie van 31 augustus 2026 laten weten ook bij nader inzien geen reden te zien om uitvoering te geven aan de hardheidsclausule. Het college begrijpt dat het evenwicht van de zorgregeling door de situatie van verzoeker in gevaar komt. Het college hoeft echter bij de beoordeling van een urgentieverklaring alleen te beoordelen of het kind bij een van de ouders kan wonen. Als dat zo is, is in de woningbehoefte van het kind voorzien. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) stelt expliciet dat een urgentieverklaring uitsluitend bedoeld is om een acuut huisvestingsprobleem op te lossen en niet om de uitvoering van een gekozen ouderschapsplan of co-ouderschap praktisch mogelijk te maken. Het college begrijpt dat het voor verzoeker lastig is dat zijn dochter nu tijdelijk niet, of minder vaak, bij hem kan overnachten, maar dat is volgens het college het gevolg van de echtscheiding. Veel ouders verkeren in dezelfde situatie, waardoor er volgens het college geen sprake is van een bijzondere, onvoorziene omstandigheid die moet leiden tot toekenning van urgentie op basis van de hardheidsclausule.
De voorzieningenrechter kan het college in dit standpunt volgen. Wat verzoeker daartegenin heeft gebracht leidt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel. De dochter van verzoeker verblijft sinds de echtscheiding in de gezamenlijke woning, zodat in haar onderdak is voorzien. Dit geldt ook voor de pasgeboren zoon van verzoeker. Bovendien heeft verzoeker op de zitting verklaard dat hij zijn zoon, om hem moverende redenen, nog niet heeft erkend. De voorzieningenrechter geeft verzoeker daarom mee dat hij er verstandig aan zou doen dit alsnog zo snel mogelijk te regelen. Daarbij lijkt het erop dat de problemen van verzoeker bij de omgang met zijn kinderen vooral worden veroorzaakt doordat zijn ex-partner de afspraken in het ouderschapsplan niet nakomt. Verzoeker doet er daarom tevens verstandig aan om dit in een juridische procedure bij de civiele rechter aan te kaarten. Hij heeft immers ook nog steeds recht op de helft van (de waarde van) de woning.
Verder wil de voorzieningenrechter verzoeker meegegeven dat hij voor hulp en (tijdelijk) onderdak een aanvraag bij de gemeente kan indienen voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Niet is gebleken dat verzoeker al daadwerkelijk een aanvraag voor maatschappelijke opvang heeft gedaan. Verzoeker zou zich voor opvang en onderdak ook kunnen wenden tot het Rode Kruis of één van de particuliere instellingen die in noodsituaties in tijdelijke opvang voorzien.
12. Uit het voorgaande volgt dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Conclusie en gevolgen
13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker geen urgentieverklaring krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.
De griffier is verhinderd de uitspraak
te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage
Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025
Paragraaf 3.4. De urgentiecategorieën
(…)
Artikel 3.1.3. Weigeringsgronden
1. Het college van burgemeester en wethouders weigert de aangevraagde urgentieverklaring indien:
a. (…)
b. de aanvrager gelet op deze verordening niet in aanmerking komt voor indeling in een urgentiecategorie.
Artikel 3.4.2. Ernstige en chronische medische problematiek
1. Een woningzoekende komt in aanmerking voor indeling in de urgentiecategorie ‘ernstige en chronische medische problematiek’ indien:
a. het college van burgemeester en wethouders de aanvraag om indeling in deze urgentiecategorie niet met toepassing van artikel 3.1.3 afwijst;
b. de woningzoekende kampt met ernstige en chronische medische problematiek, waarbij de huidige woonsituatie levensontwrichtend is omdat de woningzoekende niet meer in staat is zelfstandig te functioneren in de huidige zelfstandige woonruimte, dan wel de behandeling van het probleem aantoonbaar in hoge mate ongunstig door de woonsituatie in de huidige zelfstandige woonruimte wordt beïnvloed;
c. een andere zelfstandige woonruimte een substantieel deel van de oplossing voor het probleem van de woningzoekende vormt; en
d. de woningzoekende met ernstige en chronische problematiek van psychische aard op het moment van aanvraag ten minste twaalf maanden onder behandeling is of is geweest voor het betreffende medische probleem (…).
Artikel 3.4.5. Woonlasten
1. Een woningzoekende komt voor indeling in de urgentiecategorie ‘woonlasten’ in aanmerking indien:
a. het college van burgemeester en wethouders de aanvraag om indeling in deze urgentiecategorie niet met toepassing van artikel 3.1.3 afwijst;
b. de aanvrager op dit moment een zelfstandige woonruimte bewoont; en
c. er zich één of meer van de in het volgende lid genoemde omstandigheden voordoet.
2. De in het vorige lid, onder b, bedoelde omstandigheden zijn:
a. de woningzoekende moet voldoen aan een verhuisverplichting die ingevolge de Participatiewet in verband met de hoogte van de woonlasten aan de woningzoekende is opgelegd;
b. de woonlasten van de woningzoekenden zijn naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders onevenredig in relatie tot het inkomen van aanvrager of andere mogelijkheden van aanvrager en diens huishouden om in de woonlasten te voorzien.
3. Indien de in het vorige lid, onder b, genoemde omstandigheid het gevolg is echtscheiding of beëindiging van samenwoning:
a. wordt de urgentieverklaring alleen aangevraagd door degene tot wiens huishouden de kinderen met een leeftijd tot 23 jaar behoren of gaan behoren; en
b. toont de aanvrager door overlegging van bewijsstukken aan, dat sprake is van een de echtscheiding, beëindiging van samenwoning, of voornemen daartoe.
Artikel 3.1.7. Hardheidsclausule
1. Het college van burgemeester en wethouders is, indien strikte toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien:
a. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en
b. sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch tot een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.