RECHTBANK Rotterdam
Familierecht
Zaaknummer: C/10/722777 / KG ZA 26-702
Vonnis in kort geding van 23 juli 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie
gedaagde in reconventie,
advocaat: mr. R.F.H. Weisz-Hertsworm,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat: mr. M. van der Sluis.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw worden genoemd.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met bijlagen van de man, betekend op 13 juli 2026;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met productie van de vrouw, ingekomen op 17 juli 2026;
- het bericht met bijlagen van de man van 20 juli 2026;
- het bericht met bijlage van de vrouw van 20 juli 2026.
Van de kinderrechtswinkel Amsterdam zijn rechtstreeks stukken ontvangen, die door de griffie aan het dossier zijn toegevoegd. Nu deze stukken niet door partijen zijn aangeleverd, zal de voorzieningenrechter met deze stukken geen rekening houden.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 juli 2026. Daarbij zijn verschenen:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Partijen zijn met elkaar een geregistreerd partnerschap aangegaan op 12 december 2018 te Rotterdam. Het geregistreerd partnerschap is bij beschikking van 24 oktober 2025 door deze rechtbank ontbonden.
Partijen zijn de ouders van de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] , hierna: de minderjarige.
Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over de minderjarige.
Partijen hebben een ouderschapsplan opgesteld, dat zij op 12 september 2025 hebben ondertekend.
3. Het geschil in conventie
De man vordert:
aan de man vervangende toestemming te verlenen, die de toestemming van de vrouw vervangt, om met [minderjarige] naar Curaçao te reizen en daar te verblijven in de periode van maandag 3 augustus 2026 tot en met zondag 16 augustus 2026, althans aan de man vervangende toestemming voor de vakantie te verlenen om onder door de rechtbank vast te stellen voorwaarden;
de vrouw te veroordelen tot afgifte van het identiteitsbewijs van [minderjarige] aan de man voor 2 augustus 2026 12.00 uur, zulks onder straffe van een dwangsom van € 500,-per dag of gedeelte daarvan dat de vrouw geheel in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen, althans een nader door u in goede justitie te nemen beslissing;
de vrouw te veroordelen in de proceskosten, althans de vrouw te veroordelen tot betaling van een nader door uw rechtbank vast te stellen bedrag aan de man, alsmede in de wettelijke rente over de kosten, voor zover deze niet door de vrouw zijn voldaan binnen twee dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis.
De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij vordert:
afwijzing van de vorderingen van de man;
subsidiair, in het geval de rechtbank de vervangende toestemming voor de vakantie naar Curaçao alsnog aan de man verleent, te bepalen dat de man gehouden is de navolgende voorwaarden na te leven:
o de man houdt de minderjarige gedurende het gehele verblijf op Curaçao te allen tijde onder zijn directe toezicht en laat haar niet alleen, ook niet in de zorg van derden, tenzij het een door beide ouders vooraf schriftelijk goedgekeurde opvang betreft;
o de man laat de minderjarige niet achter in de woning van zijn ouders of andere derden op het moment dat hij op stap gaat voor sociale activiteiten met familie of vrienden;
o de man faciliteert dagelijks videobel-contact tussen de minderjarige en de vrouw, op een vooraf tussen partijen overeengekomen tijdstip;
o de man stelt de minderjarige te allen tijde in de gelegenheid om contact op te nemen met de vrouw op het moment dat de minderjarige daartoe zelf de behoefte heeft, zonder dit te beperken, te vertragen of anderszins te belemmeren;
o de man informeert de vrouw onverwijld in geval van een calamiteit, ziekte of andere bijzondere omstandigheid die de minderjarige betreft;
o de man brengt de minderjarige uiterlijk op 16 augustus 2026 terug naar Nederland, dan wel verzekert haar terugkeer naar Nederland op die datum op eigen kosten;
o de man verstrekt de vrouw voorafgaand aan de reis schriftelijk de verblijfslocatie en contactgegevens van de accommodatie;
met bepaling dat de man bij overtreding van elk van de hiervoor genoemde voorwaarden een dwangsom verbeurt van € 500,- per overtreding, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag.
4. Het geschil in reconventie
De vrouw vordert:
te bepalen dat aan de vrouw vervangende toestemming wordt verleend, die de toestemming van de man vervangt, om met de minderjarige naar Vietnam te reizen en daar te verblijven in de periode van 16 augustus 2026 tot en met zondag 30 augustus 2026;
de man te veroordelen tot afgifte van het identiteitsbewijs van de minderjarige aan de vrouw voor 16 augustus 2026 18:00 uur, zulks onder straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte daarvan dat de man geheel in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen, althans een nader door u in goede justitie te nemen beslissing;
onder compensatie van proceskosten.
De man voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5. De beoordeling in conventie en reconventie
Wegens de samenhang van de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen hierna gezamenlijk worden beoordeeld.
Spoedeisend belang
Nu partijen allebei binnen enkele weken met de minderjarige naar het buitenland op vakantie willen gaan, is het spoedeisend belang naar het oordeel van de voorzieningenrechter gegeven.
Vervangende toestemming Curaçao
Indien bij gezamenlijke gezagsuitoefening één van de personen die het gezag uitoefent weigert een verklaring van toestemming af te geven kan deze toestemming worden vervangen door (vervangende) toestemming van de rechter.
Hoewel vervangende toestemming bij verzoekschrift aan de kinderrechter moet worden gevraagd, zal de vrouw om praktische redenen en vanwege het spoedeisende karakter van de zaak toch in haar vorderingen worden ontvangen. De voorzieningenrechter zal tevens in zijn hoedanigheid van kinderrechter beslissen.
De voorzieningenrechter wijst de vordering van de man toe en verleent daarmee de man toestemming om samen met de minderjarige in de periode van maandag 3 augustus 2026 tot en met zondag 16 augustus 2026 op vakantie te gaan naar Curaçao, met inachtneming van de onder 5.11. van dit vonnis opgenomen voorwaarde. Aan dit oordeel liggen de volgende overwegingen ten grondslag.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is een vakantie naar Curaçao zowel in het belang van de man als in het belang van de minderjarige. Uit hetgeen de man tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht, blijkt dat de man goed contact heeft met zijn familieleden die op Curaçao wonen en met wie de minderjarige ook vertrouwd is. Daarbij heeft de minderjarige zelf ook vriendjes op Curaçao, zoals door de man onbetwist is gesteld, waardoor het aannemelijk is dat zij hier samen met haar vader een leuke tijd zal hebben. Dit alles weegt niet op tegen het feit dat kennelijk in het verleden zaken niet helemaal zijn gelopen zoals de vrouw dit graag had gezien en waar de minderjarige van is geschrokken. Zaken waarover wat betreft de feitelijke gang van zaken, partijen elk een andere lezing hebben, maar waarvan wel voldoende vaststaat dat de minderjarige daar geen prettige herinneringen aan heeft. Het gaat dan om de wijze waarop de grootouders, met name de grootmoeder, met de minderjarige is omgegaan. De rechtbank begrijpt dat dit gegeven lastig is voor de vrouw. Echter, de man heeft verklaard dat hij hier met de minderjarige en zijn ouders over heeft gesproken en dat dit in de toekomst niet meer zal voorkomen. Dit moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende zijn om er vertrouwen in te kunnen hebben dat de reis deze keer goed zal gaan en dat de minderjarige inderdaad een leuke tijd tegemoet gaat op Curaçao.
De subsidiaire tegenvordering van de vrouw, waarbij zij de voorzieningenrechter vraagt om bijzondere voorwaarden op te leggen indien de vervangende toestemming wordt verleend, wordt afgewezen. Deels omdat partijen daarover al afspraken hebben gemaakt, vastgelegd in het ouderschapsplan, welke afspraken, zoals door de man is gesteld en door de vrouw niet is betwist, worden nagekomen. Het gaat dan om het contact tussen de minderjarige en vrouw zoals vastgelegd onder punt 3.6. van het ouderschapsplan. Deels omdat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet van de man kan worden verlangd dat hij altijd bij de minderjarige in de buurt zal zijn, onder meer vanwege de gezondheidssituatie van zijn ouders. Daarnaast is het belangrijk dat een kind zich leert ontwikkelen ook zonder de constante aanwezigheid van een ouder.
Vervangende toestemming Vietnam
Gebleken is dat de man zich niet langer tegen de reis van de vrouw met de minderjarige naar Vietnam verzet, maar ook dat het van het ondertekenen van een toestemmingsformulier nog niet is gekomen. De voorzieningenrechter zal daarom op dit punt een beslissing nemen, nu deze reis korte termijn zal plaatsvinden.
De voorzieningenrechter wijst de vordering van de vrouw toe en verleent daarmee toestemming aan de vrouw om samen met de minderjarige in de periode van 16 augustus 2026 tot en met zondag 30 augustus 2026 naar Vietnam te reizen. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe als volgt.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is ook de vakantie naar Vietnam in het belang van de minderjarige. Het is belangrijk dat de minderjarige ook met haar moeder op vakantie kan gaan. Daarnaast verklaart de vrouw tijdens de mondelinge behandeling dat zij in Vietnam samen met de minderjarige een belangrijk familielid wil herdenken bij een daartoe te houden ceremonie. De voorzieningenrechter begrijpt dat het goed en belangrijk is dat zij hier allebei, omringd door hun familieleden, bij aanwezig kunnen zijn.
Overdrachtstijdstip
Nu de man naar zijn zeggen nog geen tickets heeft gekocht voor de vluchten van en naar Curaçao en hij uiterlijk op 16 augustus 2026 daarvandaan wenst terug te zijn in Nederland en de vrouw op 16 augustus 2026 met de minderjarige naar Vietnam wil vertrekken, legt de voorzieningenrechter aan de man de volgende voorwaarde op: de man dient op zondag 16 augustus 2026 voor 18.00 uur de minderjarige aan de vrouw over te dragen, zodat de vrouw in staat is om met de minderjarige haar vlucht naar Vietnam te nemen, die op 16 augustus 2026 vanaf Schiphol vertrekt om 21:30 uur
Afgifte identiteitskaart minderjarige en dwangsom
De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van partijen ten aanzien van de afgifte van het identiteitsbewijs van de minderjarige toe, met een nadere precisering ten aanzien van de vordering van de man. Dat wil zeggen dat de vrouw het identiteitsbewijs van de minderjarige aan de man dient af te geven voor 2 augustus 2026 12:00 uur en dat de man het identiteitsbewijs van de minderjarige aan de vrouw dient af te geven op zondag 16 augustus bij het overdrachtsmoment van de minderjarige op Schiphol. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling toegezegd dit te zullen doen, waardoor de voorzieningenrechter er vertrouwen in heeft dat zij dit ook zullen nakomen. De vorderingen over en weer ten aanzien van de dwangsommen worden om die reden afgewezen.
Proceskosten
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6. De beslissing
De voorzieningenrechter, zowel in conventie als in reconventie:
verleent de man vervangende toestemming om met de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] , gedurende de periode van maandag 3 augustus 2026 tot en met zondag 16 augustus 2026, naar Curaçao te reizen en daar te verblijven, onder de voorwaarden zoals opgenomen in de rechtsoverwegingen 5.11 en 5.12 van dit vonnis;
bepaalt dat de onder 6.1. bedoelde toestemming de toestemming van de vrouw vervangt;
verleent de vrouw vervangende toestemming om met de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] , gedurende de periode van zondag 16 augustus 2026 tot en met zondag 30 augustus 2026, naar Vietnam te reizen en daar te verblijven;
6. 4. bepaalt dat de onder 6.3. verleende toestemming de toestemming van de man vervangt;
bepaalt dat de vrouw het identiteitsbewijs van de minderjarige aan de man zal afgeven vóór 2 augustus 2026 12:00 uur;
bepaalt dat de man het identiteitsbewijs van de minderjarige aan de vrouw zal afgeven op 16 augustus 2026 op Schiphol bij de overdracht van de minderjarige;
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. van Driel, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken door mr. M.H.L. van Dijkman, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Wees, griffier, op 23 juli 2026.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.