RECHTBANK Rotterdam
Familierecht
Zaaknummer: C/10/723336 / KG ZA 26-747
Vonnis in kort geding van 23 juli 2026
in de zaak van
[naam vrouw] ,
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
gedaagde in reconventie,
advocaat: mr. J.J.A. Bosch,
tegen
[naam man] ,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat: mr. A. van Toorn.
Partijen zullen hierna de vrouw en de man worden genoemd.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties van de vrouw, betekend op 17 juli 2026;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties van de man, ingekomen op 20 juli 2026; - de berichten van de man van 17 juli 2026;
- de berichten met bijlagen van de vrouw van 21 juli 2026.
De stukken van de vrouw die zijn ingediend op 22 juli 2026 zijn buiten beschouwing gelaten, nu het meenemen hiervan naar het oordeel van de Voorzieningenrechter in strijd zou zijn met het bepaalde in artikel 3.16 van het Landelijk Procesreglement kort gedingen rechtbanken en met de regels van een goede procesorde. Er is onvoldoende tijd geweest, zowel voor de Voorzieningenrechter als gedaagde, om op een juiste manier kennis te nemen van deze stukken.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 juli 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en [persoon A] , tolk in de Indonesische taal;
de man, bijgestaan door zijn advocaat.
De Voorzieningenrechter is akkoord gegaan met het verzoek van de advocaat van de man om deel te nemen aan de mondelinge behandeling per videoverbinding.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Partijen hebben een relatie gehad.
Partijen zijn de ouders van de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] , hierna: de minderjarige.
Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over de minderjarige.
Bij beschikking van 15 mei 2024 is door deze rechtbank de volgende reguliere zorgregeling vastgesteld, waarbij de minderjarige:
vanaf de datum van deze beschikking bij de man is van zaterdagochtend tot maandagavond;
vanaf 1 juni 2024 bij de man is van zaterdagochtend tot dinsdagochtend;
vanaf 1 juli 2024 bij de man is van zaterdagochtend tot woensdagavond;
vanaf 1 november 2024, wanneer de vrouw in [plaats 2] woont, of zoveel eerder na 1 juli 2024 vanaf dat moment, de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw is, met een wisseling op maandag om 15.00 uur althans na school;
vanaf 1 november 2024, wanneer de vrouw niet in [plaats 2] woont, eens in de twee weken een weekend van vrijdag 15:00 uur althans na school, tot maandagochtend 9:00 uur, althans naar school bij de vrouw is, tot het moment waarop de vrouw in [plaats 2] woont, vanaf welk moment de minderjarige de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw is, met een wisseling op maandag om 15:00 uur, althans na school;
Tevens is de volgende vakantie- en feestdagenregeling vastgesteld:
- gedurende vakanties en ongeacht waar de minderjarige haar hoofdverblijf heeft en vanaf het moment dat zij naar school gaat:
o Voorjaarsvakantie: in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw en de tweede week bij de man, en in het jaar daarna omgekeerd, en zo verder;
o Meivakantie: in de oneven jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man en in het jaar daarna omgekeerd, en zo verder;
o Zomervakantie: in de oneven jaren de eerste drie weken bij de man en de laatste drie weken bij de vrouw, en het jaar daarna omgekeerd, en zo verder;
o Herfstvakantie: in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man;
o Kerstvakantie: in de oneven jaren de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw, en in het jaar daarna omgekeerd, en zo verder;
- tijdens de feestdagen:
o Pasen: beide dagen bij de man;
o Eid-al-Fitr (Suikerfeest): bij de vrouw;
o Eid-al-Adha (Offerfeest): bij de vrouw;
o Hemelvaartsdag: bij de vrouw;
o Pinksteren: beide dagen bij de man.
3. Het geschil in conventie
De vrouw vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de man te veroordelen de omgangsregeling, zoals vastgelegd in de uitspraak van 15 mei 2024, na te komen, waarbij de omgang tussen de vrouw en de minderjarige gedurende de zomervakantie van vrijdag 17 juli 2026 tot en met vrijdag 8 augustus 2026 en het weekend van 28 tot 31 augustus 2026 (de Voorzieningenrechter begrijpt: mede gelet op hetgeen is vermeld in de dagvaarding onder punt 3:) om 09.00 uur althans het moment waarop de minderjarige naar school gaat, zal plaatsvinden;
de vrouw vervangende toestemming te verlenen voor het reizen van de minderjarige met haar, vriend [persoon B] en opa en oma [achternaam] van 3 augustus 2026 tot en met 6 augustus 2026 via Parijs naar Disneyland Parijs;
voor wat betreft de omgang op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per overtreding per dag tot een maximum van € 15.000,- welke van kracht wordt twee weken na betekening van het vonnis.
De man voert verweer.
4. Het geschil in reconventie
De man vordert:
primair te bepalen dat de in de beschikking van de rechtbank vastgestelde vakantieregeling gedurende de vakantieperiode de reguliere tweewekelijkse weekendzorgregeling opschort, zodat na afloop van de zomervakantie de reguliere zorgregeling opnieuw aanvangt, althans aldus uit te leggen dat het eerstvolgende reguliere zorgweekend met de vrouw eerst twee weken na het einde van de vakantie plaatsvindt;
subsidiair te bepalen dat, indien de reguliere tweewekelijkse zorgregeling na afloop van de zomervakantie niet opnieuw aanvangt maar wordt hervat overeenkomstig het reguliere ritme, het eerstvolgende reguliere zorgweekend met de vrouw niet eerder plaatsvindt in het weekend van 4 september 2026, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, en in ieder geval niet gedurende het weekend van 28 augustus 2026;
primair en subsidiair te bepalen dat tijdens de zomervakantie het wisselmoment op zaterdagavond om 19 uur zal zijn.
De vrouw voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5. De beoordeling in conventie en reconventie
Vanwege de samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie zullen deze hierna gezamenlijk worden besproken.
Spoedeisend belang
Anders dan de man stelt, is de Voorzieningenrechter van oordeel dat de vrouw een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. De vrouw wil immers op korte termijn op vakantie met de minderjarige naar Frankrijk en partijen zijn onderling niet tot overeenstemming gekomen. Dat de vrouw mogelijk eerder haar vakantieplannen aan de man had kunnen voorleggen, doet daar niet aan af. Tevens heeft de man een spoedeisend belang bij zijn vorderingen, nu die vorderingen betrekking hebben op de zomervakantie 2026 en deze reeds is aangevangen.
Vervangende toestemming Disneyland Parijs
Indien bij gezamenlijke gezagsuitoefening één van de personen die het gezag uitoefent weigert een verklaring van toestemming af te geven voor het reizen naar het buitenland, kan deze toestemming worden vervangen door (vervangende) toestemming van de rechter.
Hoewel vervangende toestemming bij verzoekschrift aan de kinderrechter moet worden gevraagd, zal de vrouw om praktische redenen en vanwege het spoedeisende karakter van de zaak toch in zijn vorderingen worden ontvangen. De Voorzieningenrechter zal tevens in zijn hoedanigheid van kinderrechter beslissen.
De Voorzieningenrechter wijst de vordering van de vrouw toe. Anders dan de man stelt, verzet het belang van de minderjarige zich hier naar het oordeel van de Voorzieningenrechter niet tegen. Aan dit oordeel liggen de volgende overwegingen ten grondslag.
De Voorzieningenrechter is van oordeel dat het belangrijk is dat de minderjarige met haar moeder op vakantie kan gaan. Een reis naar Disneyland Parijs kan worden beschouwd als een leuke belevenis, zeker met een ouder en grootouders. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de vrouw reeds beschikt over reisdocumenten en een reisplanning, waaruit volgt dat zij de reis goed heeft voorbereid. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de grootste angst van de man is dat de vrouw samen met de minderjarige naar Indonesië vertrekt, het land waar zij oorspronkelijk vandaan komt. De man is bang dat de vrouw beschikt over een Indonesisch paspoort van de minderjarige (of dat zij dit heeft aangevraagd), waarmee zij de minderjarige mee naar Indonesië zou kunnen nemen. De vrouw verklaart dat zij inderdaad op enig moment in het verleden heeft gezegd dat zij terug zou willen gaan naar Indonesië. Echter was toen sprake van een geheel andere situatie, waarbij de vrouw in verwachting was van de minderjarige en waarbij er tussen partijen sprake was van grote onderlinge problemen. Op dit moment heeft de vrouw een stabiele woon- en leefsituatie in Nederland. Zij woont en werkt in Vlaardingen en heeft een duurzame relatie met haar nieuwe vriend [persoon B] . Zij ontkent op dit moment met de minderjarige naar Indonesië te willen vertrekken en benadrukt dat zij niet beschikt over een Indonesisch paspoort van de minderjarige, noch dat zij dit bij de Indonesische ambassade heeft aangevraagd.
Tijdens de mondelinge behandeling stelt de advocaat van de vrouw voor om de vervangende toestemming te verlenen onder de voorwaarde dat de vrouw voorafgaand aan de reis een origineel document overlegt, afkomstig van de Indonesische ambassade, met daarin een verklaring dat de Indonesische overheid op naam van de minderjarige geen Indonesisch paspoort heeft afgegeven en dat dit ook niet is aangevraagd. De man heeft op zijn beurt aangegeven dat hij graag persoonlijk contact wil met de Indonesische ambassade. Anders dan de man wenst, is de Voorzieningenrechter van oordeel dat het overleggen van een schrijven van de Indonesische ambassade in originele vorm voldoende moet zijn om te kunnen garanderen dat de inhoud van die verklaring correct is. De zorgen van de man kunnen hiermee voldoende worden ondervangen. De Voorzieningenrechter legt daarom aan de vrouw de volgende voorwaarde op: de vrouw stelt uiterlijk op vrijdag 31 juli 2026 om 12:00 uur een origineel document ter hand aan de man of diens advocaat, waaruit volgt dat de Indonesische overheid op naam van de minderjarige geen Indonesisch paspoort heeft afgegeven, noch dat hiervoor een aanvraag is gedaan.
Dwangsom
De Voorzieningenrechter wijst de vordering van de vrouw ten aanzien van de dwangsom af, nu hij er voldoende vertrouwen in heeft dat partijen hetgeen in dit vonnis is bepaald, ook zullen nakomen.
Nakoming omgangsregeling en uitleg vakantieregeling
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen verschillen van mening over hoe de reguliere zorgregeling, zoals deze is vastgesteld door de rechtbank op 15 mei 2024, zich verhoudt tot de vakantieregeling, eveneens opgenomen in die beschikking van 15 mei 2024. Op dit moment verblijft de minderjarige volgens de reguliere zorgregeling, nu de vrouw niet in [plaats 2] woont, eens in de twee weken een weekend van vrijdag 15:00 uur althans vanuit school tot maandagochtend 9:00 uur althans tot voor school, bij de vrouw. Volgens de vakantieregeling verblijft de minderjarige in de zomervakantie 2026 de eerste drie weken bij de vrouw en de laatste drie weken bij de man.
Hoe deze twee regelingen zich tot elkaar verhouden, is in de beschikking van 15 mei 2024 niet bepaald. De Voorzieningenrechter kan geen uitspraak doen over hoe de reguliere zorgregeling en de vakantieregeling zich tot elkaar verhouden, althans niet voor de toekomst. Het is niet aan de Voorzieningenrechter om een zorgregeling vast te stellen. Wel kan de Voorzieningenrechter – gelet op het spoedeisend belang – een voorlopige voorziening treffen voor de zomervakantie 2026, omdat partijen niet in staat zullen zijn dit geschil nog tijdig aan de bodemrechter voor te leggen. De Voorzieningenrechter stelt vast dat uit de stukken blijkt dat de minderjarige het weekend van 10 juli 2026 bij de man verbleef, waarna in het weekend van 17 juli 2026 de vakantieregeling is aangevangen. De minderjarige verblijft volgens die vakantieregeling nu drie weken bij de vrouw en daarna drie weken bij de man. Het ligt dan voor de hand en is redelijk en billijk, dat de minderjarige het laatste weekend, vóórdat de reguliere zorgregeling aanvangt, of – in een andere lezing – wanneer de reguliere zorgregeling is aangevangen (te weten het weekend van 28 augustus) bij de vrouw doorbrengt in overeenstemming met het daarover bepaalde in de beschikking van 15 mei 2024 en dus tot maandag 31 augustus 2026 om 09.00 uur, althans het moment dat de minderjarige die dag naar school gaat. Vervolgens is de minderjarige het weekend van 4 september 2026, in het kader van de reguliere regeling, weer bij de man.
Wisselmoment
De man heeft gevorderd het wisselmoment in de zomervakantie vast te stellen op zaterdag 19.00 uur. De vrouw heeft zich hiertegen niet verweerd. Daarom zal deze vordering worden toegewezen voor zover dit het wisselmoment betreft in het weekend van 7 augustus 2026.
Gelet op het feit dat de minderjarige in het weekend van 28 augustus 2026 bij de vrouw zal zijn en de weekenden bij de vrouw volgens de regeling vastgelegd in de beschikking van 15 mei 2024 beginnen op vrijdag 15.00 uur, vindt het wisselmoment dan plaats op die vrijdag 28 augustus 2026 om 15.00 uur.
Proceskosten
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6. De beslissing
De Voorzieningenrechter
verleent de vrouw vervangende toestemming om met de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [plaats 2] , gedurende de periode van 3 augustus 2026 tot en met 6 augustus 2026 via Parijs naar Disneyland Parijs te reizen en aldaar te verblijven, waarbij de voorwaarde geldt dat de vrouw uiterlijk op vrijdag 31 juli 2026 om 12:00 uur een origineel document ter hand stelt aan de man of diens advocaat, afkomstig van de Indonesische ambassade, waaruit volgt dat de Indonesische overheid op naam van de minderjarige geen Indonesisch paspoort heeft afgegeven, noch dat hiervoor een aanvraag is gedaan;
bepaalt dat deze toestemming de toestemming van de man vervangt;
vult de zorgregelingen, zoals vastgesteld door deze rechtbank op 15 mei 2024, aan in die zin dat de minderjarige het weekend van 28 augustus 2026 vanaf 15.00 uur op die dag bij de vrouw verblijft tot maandag 31 augustus 2026 om 09.00 uur, althans het moment waarop de minderjarige naar school gaat;
bepaalt dat het wisselmoment in het weekend van 7 augustus 2026 zal plaatsvinden op zaterdag 8 augustus 2026 om 19.00 uur;
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. van Driel, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken door mr. M.H.L. van Dijkman, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Wees, griffier, op 23 juli 2026.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.