RECHTBANK ROTTERDAM
einduitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2026 in de zaak tussen
[eiser 1],
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Molenlanden
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/4285
[eiser 2] ,
[eiser 3] ,
[eiser 4].,
[eiser 5] ,
[eiser 6] en
[eiser 7] uit [vestigingsplaats 1],
[eiser 8] en
[eiser 9] uit [vestigingsplaats 2], eisers
(gemachtigde: mr. J.C.G. Franken),
en
(gemachtigde: [naam]).
1. Deze uitspraak gaat over het verkeersbesluit op grond waarvan het college een geslotenverklaring voor zwaar vrachtverkeer heeft ingesteld met een uitzondering voor ‘aantoonbaar bestemmingsverkeer’.
In een tussenuitspraak van 21 oktober 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:12355) (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank geoordeeld dat het college het verkeersbesluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Het college heeft onvoldoende deugdelijk onderzoek gedaan naar de (financiële) belangen die betrokken zijn bij het verkeersbesluit.
In deze uitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat het college dit gebrek heeft hersteld. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en laat de rechtsgevolgen in stand. Ook kent de rechtbank een proceskostenvergoeding toe voor het verkeersrapport van Graaff Traffic. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Voor de wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, verwijst de rechtbank naar de bijlage bij de tussenuitspraak en de bijlage bij deze einduitspraak.
Procesverloop
2. Voor het procesverloop tot de tussenuitspraak verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen tien weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Op 17 december 2025 heeft het college de rechtbank laten weten dat zij gebruik maakt van de gelegenheid om het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek te herstellen. Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend op 10 april 2026.
Eisers hebben op 10 juni 2026 schriftelijk gereageerd op de aanvullende motivering.
De rechtbank heeft op 24 juni 2026 het onderzoek gesloten en bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.
Overwegingen
3. De rechtbank blijft bij alles wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat de financiële belangen van eisers door het college in het bestreden besluit onvoldoende inzichtelijk zijn onderzocht en meegewogen in de besluitvorming. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld om het geconstateerde gebrek te herstellen.
Het college heeft met de aanvullende motivering gereageerd op de tussenuitspraak. In de motivering schrijft het college dat drie van de negen eisers financiële gegevens hebben aangeleverd. In opdracht van het college heeft DEKRA Experts (hierna: DEKRA) vervolgens onderzoek gedaan naar de mogelijke bedrijfseconomische impact van de theoretisch berekende omrijdkosten voor deze drie eisers. DEKRA heeft een rapport d.d. 27 maart 2026 opgesteld waarin zij haar bevindingen uiteenzet. DEKRA concludeert dat voor twee van de drie bedrijven de theoretisch berekende omrijdkosten ruimschoots onder de laagste ingangsdrempel van 4% blijven, zoals vastgelegd in paragraaf 4.4.4 van de Handleiding nadeelcompensatie bij infrastructurele maatregelen. Voor het derde bedrijf concludeert DEKRA dat de ingangsdrempel van 4% wordt benaderd en mogelijk overschreden, maar dat op basis van de beschikbare gegevens niet kan worden vastgesteld dat sprake is van schade die het normaal maatschappelijk risico in relevante mate overstijgt. Op basis van dit rapport heeft het college het bestreden besluit gehandhaafd onder aanvulling van de motivering. Het college neemt aan dat, omdat zij geen financiële gegevens hebben aangeleverd, de overige zes eisers ook onder de ingangsdrempel blijven. Het college stelt zich daarom op het standpunt dat de financiële gevolgen van het verkeersbesluit voor eisers in redelijke en evenredige verhouding staan tot de met het besluit te dienen doelen.
Ten aanzien van de verzochte proceskostenvergoeding voor het rapport van Graaff Traffic stelt het college zich op het standpunt dat het inschakelen van de deskundige niet redelijk is te achten. Graaff Traffic is niet concreet ingegaan op de daadwerkelijke financiële schade van de ondernemingen, maar heeft zich uitsluitend beperkt tot een bespreking van het aantal ritten. Indien de rechtbank het inschakelen van de deskundige wel redelijk acht, stelt het college zich op het standpunt dat de kosten niet inzichtelijk zijn gemaakt en dat een deugdelijke onderbouwing van die kosten ontbreekt.
Eisers voeren in hun reactie op de aanvullende motivering aan dat uit vaste rechtspraak volgt dat als het inroepen van een deskundige redelijk was, ook de kosten van de deskundige redelijk zijn. Het gaat erom of eisers, gelet op de feiten en omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van het inroepen, ervan uit mocht gaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou kunnen leveren aan een voor hem gunstige beantwoording van de rechtsvraag door de rechter. Eisers hebben voor het overige niet gereageerd op de aanvullende motivering van het college.
Beoordeling door de rechtbank
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met de aanvullende motivering het geconstateerde gebrek hersteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende onderzoek gedaan naar de vraag of het financiële nadeel van de verschillende eisers in een redelijke verhouding staat tot het met het besluit te dienen doel. Uit dit onderzoek volgt, zoals door het college ook wordt gemotiveerd, dat de (financiële) gevolgen van het verkeersbesluit afgezet tegen de met het verkeersbesluit te dienen doelen, binnen het normale maatschappelijk risico of het normale bedrijfsrisico vallen. Eisers hebben verder ook geen gronden aangevoerd die ertoe strekken dat de aanvullende motivering onvoldoende is om het geconstateerde gebrek te herstellen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor dit oordeel. Hierna zal de rechtbank ingaan op de verzochte proceskostenvergoeding.
5. De rechtbank volgt het college niet in haar standpunt dat het inschakelen van de deskundige niet redelijk is te achten omdat hij niet is ingegaan op de daadwerkelijke financiële schade van de ondernemingen. Het college gaat er hiermee aan voorbij dat het op haar weg ligt om onderzoek te doen naar de financiële gevolgen. De rechtbank heeft reeds in de tussenuitspraak geoordeeld dat het college dit niet heeft gedaan en de rechtbank heeft dit oordeel mede gebaseerd op het rapport van Graaff Traffic. De rechtbank is echter van oordeel dat het inschakelen van de deskundige slechts redelijk is te achten voor zover het rapport ziet op de financiële gevolgen voor eisers. De rechtbank betrekt hierbij dat het beroep gegrond is omdat het college de belangen van eisers onvoldoende heeft meegewogen en het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Voor het overige slagen de beroepsgronden van eisers niet.
6. Voor zover het college stelt dat eisers de kosten van Graaff Traffic onvoldoende hebben onderbouwd, volgt de rechtbank dit niet. Eisers hebben al op 14 mei 2025 meerdere facturen overgelegd waarin de werkzaamheden van Graaff Traffic zijn weergegeven. Het college was daarom al in het bezit van de onderbouwing en had hierop kunnen reageren.
Eisers hebben de volgende facturen overgelegd:
factuur van 26 februari 2021, second opinion vrachtwagenverbod Sluis (38 uur), € 3.610,-;
factuur van 18 juni 2021, Second opinion vrachtwagenverbod Sluis factuur 2, meedoen fractie en notitie van 23 april (6 uur), € 570,-;
factuur van 10 maart 2022, bezwaarprocedure verkeersbesluit Vaverbod (11 uur), € 1.100,-;
factuur van 9 juli 2022, BezwaarCie verkeersbesluit Vaverbod (11 uur), € 1.100,-;
factuur van 14 juli 2023, Advies rechtbank Vaverbod Groot-Ammers (10 uur), € 1.000,-.
Dat is in totaal € 7.380,- exclusief BTW voor 76 uur aan werkzaamheden.
Op grond van artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) komen kosten van een deskundige, die aan een partij verslag heeft uitgebracht, voor vergoeding in aanmerking.
Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb wordt de vergoeding van de kosten van een door een partij ingeschakelde deskundige vastgesteld met overeenkomstige toepassing van wat is bepaald bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken (Wts). Met het Besluit tarieven in strafzaken (Bts) zijn deze tarieven vastgesteld. Het uurtarief is daarbij gemaximeerd op € 184,42. Dit blijkt uit artikel 3, eerste lid, onder a van de Wts en artikel 6 van het Bts.
Volgens vaste rechtspraak komen kosten voor inschakeling van een deskundige voor vergoeding in aanmerking als de inschakeling redelijk was en ook de deskundigenkosten redelijk zijn. De rechtbank acht de inschakeling van de deskundige redelijk. De rechtbank ziet echter aanleiding om het totaal aantal gefactureerde uren te matigen. Aangezien het beroep gegrond is op basis van een gebrek in de belangenafweging en eisers de belangen in het onderzoeksrapport van 18 februari 2022 uiteen hebben gezet, komen enkel de kosten voor het opstellen van het onderzoeksrapport voor vergoeding in aanmerking. Het gaat hierbij om de facturen a. en b van in totaal 44 uren. Omdat de motivering van het bestreden besluit alleen gebrekkig was ten aanzien van de belangenafweging met betrekking tot het gestelde financiële nadeel acht de rechtbank een verdere matiging tot 20 uren redelijk. Het rapport zag immers ook op verschillende andere factoren. Ten aanzien van het gefactureerde uurtarief overweegt de rechtbank dat dit uurtarief (€ 95,-) de maximale vergoeding per uur als vermeld in het Bts niet overschrijdt. In artikel 15 van het Bts is bepaald dat de daarin genoemde bedragen worden verhoogd met de omzetbelasting (BTW) die daarover is verschuldigd. De rechtbank stelt de vergoeding van de deskundigenkosten daarom vast op (20 x € 95,- + 21% BTW =) € 2.299,-.
Conclusie en gevolgen
7. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Omdat het college met de aanvullende motivering het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden. Ook krijgen eisers een vergoeding voor hun proceskosten. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Bpb als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor een zienswijze na bestuurlijke lus) met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1. De rechtbank stelt de proceskosten vast op € 2.335,-. Daarnaast dient het college de kosten van de deskundige zoals berekend onder 6.2 te vergoeden.
9. De totale vergoeding die het college aan eisers dient te betalen bedraagt in totaal dus (€ 2.335,- + € 2.299,- =) € 4.634,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 365,- aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 4.634,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.