Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer TUL: 10.040368.25
Datum uitspraak: 24 augustus 2026
Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam in de zaak tegen de veroordeelde:
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum 1] 1976,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1] , [postcode 1] [woonplaats] ,
raadsman: mr. V.A. van Biljouw, advocaat te Hilversum.
1. Vordering
Op 8 juli 2026 heeft de officier van justitie een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de straf die de meervoudige kamer voor strafzaken van deze rechtbank bij vonnis van 12 november 2025 voorwaardelijk aan de veroordeelde heeft opgelegd.
Aan de vordering ligt ten grondslag een rapport van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) van 3 juni 2026 over de veroordeelde.
2. Feiten
Bij het vonnis, dat onherroepelijk is geworden, is een gevangenisstraf opgelegd van 24 maanden, met aftrek van voorarrest. Een deel van die straf, namelijk 12 maanden, is voorwaardelijk opgelegd met een proeftijd van 3 jaren (hierna: de voorwaardelijke straf). De gestelde voorwaarden zijn dat:
De algemene voorwaarde:
- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
De bijzondere voorwaarden:
reclassering. De behandeling start aansluitend aan de detentie. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
De mededeling voorwaardelijke veroordeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 2 december 2025 aan de veroordeelde in persoon verzonden.
3. Procedure
De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 24 augustus 2026. De veroordeelde is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De officier van justitie en de (gemachtigde) raadsman van de veroordeelde zijn gehoord. Tevens is degene die met het reclasseringstoezicht is belast, [reclasseringswerker] (hierna: de reclasseringswerker), als getuige en deskundige gehoord.
4. Conclusie officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf. De veroordeelde heeft zich onttrokken aan het reclasseringstoezicht. Nadat hij met toestemming van de reclassering naar het buitenland is vertrokken om zijn verblijfsdocumenten te regelen, is hij niet naar Nederland teruggekeerd op de met de reclassering afgesproken dag, namelijk 8 juni 2026. Hiermee heeft de veroordeelde meerdere bijzondere voorwaarden overtreden, zoals zijn meldplicht, behandelverplichting en het verblijven in begeleid wonen of maatschappelijke opvang.
5. Standpunt verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat de veroordeelde op dit moment verblijft in [land] en dat hij tijdens het laatste contact met zijn raadsman (14 juli 2026) heeft aangegeven dat hij niet weg kan uit [land] vanwege een lopende strafzaak daar. Door deze situatie heeft hij ook zijn verblijfsdocumenten niet kunnen regelen. De raadsman heeft de veroordeelde gevraagd om hem stukken toe te sturen waaruit blijkt van de lopende strafzaak. De raadsman heeft deze stukken niet gekregen en is daarna ook het contact met zijn cliënt verloren. Gelet op deze ontwikkelingen verzoekt de raadsman de zaak aan te houden om de situatie van de veroordeelde verder te onderzoeken. Indien de zaak niet wordt aangehouden verzoekt de raadsman de vordering af te wijzen omdat de voorwaardelijke straf een langdurige periode betreft.
6. Beoordeling vordering
Uit het rapport van de reclassering kan het volgende worden opgemaakt:
De veroordeelde staat sinds februari 2026 onder toezicht van de reclassering. Sinds de start van het toezicht woont de veroordeelde begeleid bij [woongroep] . De veroordeelde scoorde bij [woongroep] negatief op urinecontroles en had dagbesteding in de vorm van een betaalde baan. De behandeling bij [zorginstelling] was nog niet opgestart vanwege de wachtlijst. Hij heeft meegewerkt aan het eerste intakegesprek in mei 2026.
De veroordeelde had toestemming van de reclassering gekregen om zijn verblijfsdocumenten in [land] te gaan regelen. Hij kreeg toestemming om te reizen van 25 mei 2026 tot en met 8 juni 2026. In deze periode heeft de reclasseringswerker een paar keer telefonisch contact gehad met de veroordeelde. Tijdens deze contacten liet hij zich meer dan eens bedreigend, beledigend en racistisch tegen haar uit en verbrak daarna het contact. Ook wilde hij telkens zijn live locatie niet delen zodat het onbekend was waar de veroordeelde zich bevond.
De reclasseringswerker heeft in aanvulling op het rapport ter zitting het volgende verklaard. De veroordeelde diende in de periode dat hij in het buitenland was telefonisch bereikbaar voor haar te zijn en hij moest zijn live locatie delen. De veroordeelde heeft zich op/na 8 juni 2026 niet bij de reclassering gemeld. Op 23 juni 2026 heeft de reclasseringswerker voor het laatst telefonisch contact gehad met de veroordeelde. In dit gesprek liet hij zich opnieuw beledigend uit over de reclasseringswerker en reageerde hij niet op de vraag wanneer hij terug zou komen naar Nederland. [woongroep] en [zorginstelling] hebben het traject met de veroordeelde intussen beëindigd.
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de veroordeelde meerdere bijzondere voorwaarden verwijtbaar niet heeft nageleefd. De veroordeelde heeft zich tijdens zijn toegestane verblijf in het buitenland niet aan de instructies van de reclassering gehouden. Voorts verblijft de veroordeelde naar het zich laat aanzien momenteel nog steeds in het buitenland en is dus op de afgesproken datum niet teruggekeerd naar Nederland. Dit maakt dat hij zich vanaf 8 juni 2026 volledig onttrekt aan het reclasseringstoezicht en ook de bijzondere voorwaarden die zien op behandeling, begeleid wonen, middelencontrole niet nakomt.
Er is daarom voldoende reden om de tenuitvoerlegging te gelasten van het voorwaardelijke strafdeel.
De vordering tot tenuitvoerlegging zal worden toegewezen.
7. Beslissing
De rechtbank
gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;
Deze beslissing is genomen door mr. J.F. Koekebakker, voorzitter,
en mrs. M. Timmerman en Y. Peters, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H. Tchang, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 augustus 2026.