Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-104759-26
Datum uitspraak: 27 augustus 2026
Datum zitting: 13 augustus 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1993 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode 1] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. G. Vermaak
Officier van justitie: mr. N. van der Meij
Benadeelde partij: [benadeelde partij]
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – het slachtoffer [slachtoffer] heeft gestalkt (feit 1) en dat hij zich niet heeft gehouden aan een aan hem opgelegd verbod om in contact te treden met diezelfde [slachtoffer] (feit 2).
De volledige tenlastelegging houdt in dat
1.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 september 2025 tot en met 13 mei 2026 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, met voornoemd oogmerk, in genoemde periode
- veelvuldig gebeld naar en/of getracht om telefonisch contact op te nemen met die [slachtoffer] ,
- veelvuldig middels het gebruik van email en/of social media (snapchat en/of facebook en/of TikTok) berichten en/of vriendschapsverzoeken en/of filmpjes gestuurd aan die [slachtoffer] ,
- veelvuldig kaarten gestuurd naar (het huisadres van) die [slachtoffer] ,
- veelvuldig via social media van derden berichten (doen) laten versturen aan die [slachtoffer] ,
- veelvuldig via een bankoverschrijving een klein geldbedrag, met daarbij een begeleidende tekst, aan die [slachtoffer] overgemaakt
(waarbij de inhoudelijke strekking van voornoemde berichten/filmpjes/kaarten/telefoontjes steeds inhield -zakelijk weergegeven- dat hij verdachte die [slachtoffer] miste, hij haar terug wilde, hij haar wilde spreken, hij van haar hield, hij contact met haar wilde, hij haar man
is, hij het zwaar heeft, hij gerechtigheid zal krijgen, althans woorden van gelijke aard
en/of strekking)
- zich veelvuldig opgehouden bij/nabij de woning en/of de (geparkeerd staande) auto van die [slachtoffer] ,
- meermalen de aan hem opgelegde wettelijke voorwaarden (op basis van een gedragsaanwijzing) met betrekking tot het bovenstaande overtreden/genegeerd;
2.
hij op één of meer tijdstippen in op of omstreeks de periode van 13 april 2026 tot en met 13 mei 2026 te Rotterdam, althans in Nederland opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 08 april 2026, gegeven door de officier van justitie te Rotterdam door in strijd met het contactverbod meermalen, althans eenmaal via social media (Snapchat en/of Tik Tok en/of facebook) één of meer berichten en/of vriendschapsverzoeken aan die [slachtoffer] te sturen en/of een Koran in de brievenbus van het huisadres van die [slachtoffer] achter te laten en/of zich op te houden nabij het huisadres van die [slachtoffer] .
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de feiten 1 en 2. Wat betreft feit 1 dient de verdachte partieel te worden vrijgesproken van een deel van de ten laste gelegde periode, te weten 1 september 2025 tot en met 27 februari 2026. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdediging sluit zich aan bij de vordering van de officier van justitie voor zover het feit 1 betreft en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor zover het feit 2 betreft.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte het slachtoffer [slachtoffer] in de periode van 28 februari 2026 tot en met 13 mei 2026 heeft gestalkt door stelselmatig en op dwingende en indringende wijze contact met haar te zoeken (feit 1). De verdachte wordt van een deel van de onder feit 1 ten laste gelegde periode, te weten 1 september 2025 tot en met 27 februari 2026, partieel vrijgesproken. Voor belaging in dit deel van de ten laste gelegde periode is geen bewijs.
Bewezen is voorts dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het handelen in strijd met de aan hem gegeven gedragsaanwijzing (feit 2).
De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten – voor zover hierboven bewezen verklaard – bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
De bewijsmiddelen:
1. Verklaring van de verdachte
2. Proces-verbaal van aangifte
3. Proces-verbaal van de politie, berichten 2026
4. Proces-verbaal van de politie, filmopnames
5. Proces-verbaal van de politie, berichten april 2026
6. Proces-verbaal van de politie, onderzoek telefoon
7. Proces-verbaal van de politie, onderzoek telefoon
8. Proces-verbaal van de politie, berichten verdachte mei 2026
9. Schriftelijk stuk, gedragsaanwijzing
10. Proces-verbaal van aangifte
Volledige bewezenverklaring
1.
hij in de periode van 28 februari 2026 tot en met 13 mei 2026 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] , met het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te doen, te dulden , immers heeft hij, verdachte, met voornoemd oogmerk, in genoemde periode
- veelvuldig gebeld naar en/of getracht om telefonisch contact op te nemen met die [slachtoffer] ,
- veelvuldig middels het gebruik van email en/of social media (snapchat en/of facebook en/of TikTok) berichten en/of vriendschapsverzoeken en/of filmpjes gestuurd aan die [slachtoffer] ,
- veelvuldig kaarten gestuurd naar (het huisadres van) die [slachtoffer] ,
- veelvuldig via social media van derden berichten (doen) laten versturen aan die [slachtoffer] ,
- veelvuldig via een bankoverschrijving een klein geldbedrag, met daarbij een begeleidende tekst, aan die [slachtoffer] overgemaakt
waarbij de inhoudelijke strekking van voornoemde berichten/filmpjes/kaarten/telefoontjes steeds inhield -zakelijk weergegeven- dat hij verdachte die [slachtoffer] miste, hij haar terug wilde, hij haar wilde spreken, hij van haar hield, hij contact met haar wilde, hij haar man
is, hij het zwaar heeft, hij gerechtigheid zal krijgen, althans woorden van gelijke aard
en/of strekking
- zich veelvuldig opgehouden bij/nabij de woning en/of de (geparkeerd staande) auto van die [slachtoffer] ,
- meermalen de aan hem opgelegde wettelijke voorwaarden (op basis van een gedragsaanwijzing) met betrekking tot het bovenstaande overtreden/genegeerd;
2.
hij in de periode van 13 april 2026 tot en met 13 mei 2026 te Rotterdam, althans in Nederland opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 08 april 2026, gegeven door de officier van justitie te Rotterdam door in strijd met het contactverbod meermalen via social media (Snapchat en/of Tik Tok en/of facebook) berichten en/of vriendschapsverzoeken aan die [slachtoffer] te sturen en een Koran in de brievenbus van het huisadres van die [slachtoffer] achter te laten en zich op te houden nabij het huisadres van die [slachtoffer] .
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
belaging;
Feit 2
opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten 1 en 2 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 79 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, alsmede de mogelijkheid voor een kortdurende klinische opname en voorts een contact- en locatieverbod als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Zowel wat betreft de bijzondere voorwaarden als de maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht moet de dadelijke uitvoerbaarheid worden bevolen.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim twee maanden schuldig gemaakt aan de belaging van het slachtoffer [slachtoffer] , zijn ex-partner, door in die relatief beperkte tijd zeer veelvuldig en indringend contact met haar te zoeken via sociale media, telefonisch en anderszins. Daarnaast heeft de verdachte gehandeld in strijd met een aan hem, door de officier van justitie, opgelegde gedragsaanwijzing, inhoudende een gebieds- en contactverbod ter bescherming van het slachtoffer [slachtoffer] .
Met het stalken van het slachtoffer [slachtoffer] heeft de verdachte een ernstige en indringende inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer en gevoel van veiligheid gemaakt. Gezien de intensiteit van de contactpogingen en de teksten die daarbij werden gehanteerd, is het gevoel van onveiligheid – zoals door het slachtoffer in haar vordering treffend
verwoord – zeer goed voor te stellen.
Met het overtreden van het gebieds- en contactverbod heeft de verdachte niet alleen het gezag dat aan de officier van justitie toekomt geschonden, maar ook de door de gedragsaanwijzing beschermde belangen van het slachtoffer [slachtoffer] .
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 2 juli 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.
Rapporten van de deskundige en de reclassering
In het rapport van de psychiater A.C. Hoek van 3 juli 2026 staat onder meer het volgende.
Bij de verdachte is sprake van een aanpassingsstoornis met gemengd angstige en verlaagde stemming en een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis, in volledige remissie. Deze stoornissen waren ten tijde van de thans bewezen feiten aanwezig en beïnvloedden in die periode ten dele de gedragskeuzes van de verdachte. Er wordt een verband gezien tussen deze stoornissen en de thans bewezen feiten. Wanneer de aangeefster haar relatie met de verdachte wil verbreken, heeft de verdachte moeite dit te accepteren. Hij is dan op zichzelf gericht en kan zich opdringen in het contact met de aangeefster. Hij heeft de overtuiging recht te hebben op antwoorden, gaat hierbij de grenzen van de ander over en is verliest de controle over zijn gedrag en emoties. Als gevolg hiervan gaat hij stalkingsgedrag vertonen en voelt hij geen rem meer. Door de dermate hoogoplopende stress ontwikkelt de verdachte psychotische symptomen in de vorm van auditieve hallucinaties en cognitieve vervormingen. Hij verliest hierdoor gedeeltelijk de realiteit en interpreteert deze signalen verkeerd, waardoor hij doorgaat met belagen. De gedachten en het gedrag van de verdachte worden beïnvloed door zijn problematiek. Het advies is daarom om de bewezen feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
Het recidiverisico op gewelddadig gedrag wordt op de korte termijn als matig en op de middellange termijn als matig-hoog ingeschat indien de situatie ongewijzigd blijft. De verdachte moet behandeling ondergaan om het recidiverisico te doen verlagen. Deze behandeling zal zich moeten richten op behandeling van de aanpassingsstoornis met gemengd angstige en verlaagde stemming. Psychotherapeutische interventies, zoals cognitieve gedragstherapie, worden geadviseerd, om de verdachte te helpen om te gaan met stressvolle gebeurtenissen. Indien deze interventies onvoldoende verbetering geven, kan medicamenteuze ondersteuning overwogen worden.
Geadviseerd wordt om de voorgestelde behandeling(en) plaats te laten vinden binnen een voorwaardelijke veroordeling met bijzondere voorwaarden.
Op basis van het rapport van de psychiater stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte een psychische stoornis bestond en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van de strafbare feiten beïnvloedde. De feiten worden daarom in verminderde mate aan de verdachte toegerekend.
Reclassering Nederland rapporteert op 31 juli 2026, voor zover hier van belang, dat het risico op onttrekking aan voorwaarden als laag-gemiddeld wordt ingeschat. Bij veroordeling van de verdachte wordt geadviseerd aan de verdachte een deels voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen:
meldplicht bij de reclassering;
ambulante behandeling;
contactverbod met GPS;
locatieverbod met elektronisch toezicht;
dagbesteding;
aflossing schulden.
Op de terechtzitting van 13 augustus 2026 heeft reclasseringswerker [persoon A] de mogelijkheid voor een kortdurende klinische opname mondeling aan de voorgestelde bijzondere voorwaarden toegevoegd. Ook heeft zij verklaard dat het risico op recidive, anders dan vermeld in het reclasseringsrapport, hoger moet worden ingeschat aangezien de verdachte recent wederom contactpogingen heeft gedaan richting het slachtoffer.
Wat betreft het locatieverbod met elektronisch toezicht heeft de reclassering, in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis, reeds op 5 juni 2026 een deeladvies uitgebracht, kort weergegeven inhoudende dat de verdachte zich gedurende het reclasseringstoezicht niet zal bevinden in de Rotterdamse wijk [wijk] , zoals weergegeven op de bij het deeladvies gevoegde plattegrond.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van het strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarom wordt een gevangenisstraf van 120 dagen, waarvan 79 dagen voorwaardelijk, met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, inclusief de mogelijkheid voor een kortdurende klinische opname. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen. Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Dat betekent dat de verdachte in het kader van deze strafzaak niet terug hoeft naar de gevangenis. Het voorwaardelijke strafdeel heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
In tegenstelling tot de eis van de officier van justitie worden de bijzondere voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar verklaard, omdat een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde bijzondere voorwaarden alleen kan worden gegeven indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen (ECLI:NL:PHR:2022:864). Daarvan is in de onderhavige zaak geen sprake. Het misdrijf ‘belaging’ kan immers niet zonder meer worden aangemerkt als een misdrijf dat ‘gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen’, als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht. De bewezenverklaring in de onderhavige zaak duidt daar ook niet op.
Vrijheidsbeperkende maatregel (38v Wetboek van Strafrecht)
Om strafbare feiten te voorkomen, wordt een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd voor de duur van drie jaar. Deze maatregel houdt in:
een gebiedsverbod voor de omgeving van de woning [adres 2] , [postcode 2] te [plaats] (het gebied gelegen tussen [straat 1] en [straat 2] , zoals weergegeven op als bijlage 1 bij dit vonnis gevoegde plattegrond);
een contactverbod – direct of indirect – met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1996, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact.
Voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet, kan vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van twee weken, met een totale duur van maximaal zes maanden. De hechtenis heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.
De rechtbank verklaart de maatregel dadelijk uitvoerbaar, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte, wanneer behandeling zoals door de deskundige en de reclassering is geadviseerd nog niet is aangevangen of voltooid, opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend zal gedragen ten aanzien van het slachtoffer [slachtoffer] . Dit betekent dat de maatregel ook geldt als de verdachte in hoger beroep gaat.
5. Vordering van de benadeelde partij
Vordering [benadeelde partij]
[slachtoffer] heeft als benadeelde partij voor feit 1 een totaalbedrag van € 915,01 als vergoeding voor materiële schade en € 1.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij moet wat betreft de materiële schade worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 659,97 (de kosten voor camerasystemen en bijbehorende apparatuur) en tot een bedrag van € 1.500,- aan immateriële schade, het totaal te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk worden verklaard in het overig gevorderde.
Standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor zover dit de gevorderde materiële schadeposten betreffende de camera ad € 59,99 en de beveiligingsapparatuur ad
€ 351,98 en € 248,- betreft. De resterende gevorderde materiële schade dient te worden afgewezen, subsidiair moet de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.
De gevorderde immateriële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van ten hoogste
€ 750,-. In het overig gevorderde moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van de onder 1 en 2 gepleegde strafbare feiten. Deze schade bestaat uit de volgende bedragen: € 59,99, € 351,98 en € 248,-, alle ten behoeve van camerasystemen en bijbehorende apparatuur. De verdediging heeft dat deel van de vordering niet betwist en de gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte een totaalbedrag van
€ 659,97 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overig gevorderde aan materiële schade niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van onder 1 en 2 gepleegde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade geleden. Die schade wordt naar billijkheid begroot op
€ 1.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaard. Ook dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 28 februari 2026.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij grotendeels wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 16 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 57, 184a en 285b van het Wetboek van Strafrecht.
7. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2, zoals onder 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de onder 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 120 (honderdtwintig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat 79 (negenenzeventig) dagen van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 (drie) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
2. de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door [zorginstelling] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op cognitieve gedragstherapie, de aanpassingsstoornis, somberheids- en stemmingsklachten en daarnaast wat de behandelaar constateert dat nodig is om het recidiverisico te verlagen. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Ook kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte zich laat opnemen voor een kortdurende klinische behandeling. De verdachte houdt zich in dat geval aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren;
3. de verdachte zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van dagbesteding in de vorm van betaald werk, onbetaald werk, opleiding en/of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur, zolang de reclassering dat nodig vindt;
4. de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan het aflossen van zijn schulden, zolang de reclassering dat nodig vindt, ook als dit inhoudt het treffen van afbetalingsregelingen of het meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (Wnsp). De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
5. de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1996, tenzij dit contact plaatsvindt met uitdrukkelijke toestemming van de reclassering en daarbij de aanwijzingen van de reclassering worden opgevolgd
6. dat de verdachte zich niet zal ophouden in het gebied in de omgeving van de woning [adres 2] , [postcode 2] te [plaats] (het gebied gelegen tussen [straat 1] en [straat 2] , zoals weergegeven op als bijlage 1 bij dit vonnis gevoegde plattegrond);
7. dat de verdachte meewerkt aan elektronisch toezicht op de naleving van de onder 5 en 6 vermelde voorwaarden, gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. De reclassering controleert het contactverbod mede door het inzien van de GPS-gegevens.
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder 1 tot en met 7 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
Vrijheidsbeperkende maatregel (art. 38v Sr)
legt de verdachte voor de feiten 1 en 2 op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van drie jaar, inhoudende dat de verdachte:
bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 2 (twee) weken, met een totale duur van ten hoogste 6 (zes) maanden;
beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van vandaag;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [slachtoffer] (feiten 1 en 2), te betalen een bedrag van € 1.659,97 bestaande uit € 659,97 als vergoeding van materiële schade en
€ 1.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf
28 februari 2026 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor de feiten 1 en 2 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij
[slachtoffer] aan de staat € 1.659,97 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 28 februari 2026 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 16 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J. van der Groen, voorzitter,
en mrs. D.F. Smulders en J.L. Luiten, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Meulendijk, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 27 augustus 2026.