ECLI:NL:RBROT:2026:11450

ECLI:NL:RBROT:2026:11450

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 04-09-2026
Datum publicatie 08-09-2026
Zaaknummer 10.107310.23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling van een 21-jarige man door het slachtoffer met een vuurwapen in zijn been te schieten. Hij wordt daarnaast veroordeeld voor het medeplegen van vuurwapenbezit en van poging tot doodslag op een 26-jarige man door het wapen aan een medeverdachte te overhandigen, die het slachtoffer hiermee in een achtervolging heeft beschoten. Aan de verdachte wordt een gevangenisstraf van zes jaar opgelegd met aftrek van voorarrest.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10.107310.23

Datum uitspraak: 4 september 2026

Datum zitting: 21 augustus 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1997 in [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ),

ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] [woonplaats] .

Advocaat van de verdachte: mr. S.L.J. Janssen

Officier van justitie: mr. B. Lijnse

Benadeelde partij: [benadeelde partij]

Advocaat van de benadeelde partij: mr. L.A.R. Newoor

Kern van het vonnis

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling van een

21-jarige man door het slachtoffer met een vuurwapen in zijn been te schieten. Hij wordt daarnaast veroordeeld voor het medeplegen van vuurwapenbezit en van poging tot doodslag op een 26-jarige man door het wapen aan een medeverdachte te overhandigen, die het slachtoffer hiermee in een achtervolging heeft beschoten. Aan de verdachte wordt een gevangenisstraf van zes jaar opgelegd met aftrek van voorarrest.

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte van het medeplegen van poging tot moord/ doodslag van [slachtoffer 1] door met een vuurwapen op hem te schieten; dit feit is subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegd als het medeplegen van (poging tot) zware mishandeling (al dan niet met voorbedachten rade). Daarnaast is ten laste gelegd het medeplegen van poging tot moord/doodslag van [slachtoffer 2] , dan wel van een onbekend gebleven persoon die zich na het schietincident tegenover de politie onder deze naam heeft geïdentificeerd. Dit feit is subsidiair ten laste gelegd als het medeplegen van een bedreiging met een vuurwapen. Het in vereniging voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie is onder 3 ook als afzonderlijk strafbaar feit ten laste gelegd.

De rechtbank stelt vast dat de gewijzigde tenlastelegging onder feit 1 subsidiair een kennelijke verschrijving bevat door de afsluitende zinsnede “terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”. Uit de toelichting ter zitting van de officier van justitie bij haar vordering leidt de rechtbank af dat kennelijk is bedoeld om hier, conform de vordering tot wijziging van feit 2, de voltooide zware mishandeling subsidiair ten laste te leggen. De rechtbank zal de tenlastelegging op dit punt verbeterd lezen.

De volledige tenlastelegging, zoals ter terechtzitting gewijzigd, houdt in dat de verdachte:

1

hij op of omstreeks 24 april 2023 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade

een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven te beroven,

met een vuurwapen op/in de richting van die [slachtoffer 1] heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 24 april 2023 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

aan een ander, te weten [slachtoffer 1] ,

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade

zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht,

door met een vuurwapen in het been van die [slachtoffer 1] te schieten;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 24 april 2023 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om

aan een ander, te weten [slachtoffer 1]

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

met een vuurwapen in het been van die [slachtoffer 1] heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2

hij op of omstreeks 24 april 2023 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade

een ander, te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] van het leven te beroven,

meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen in de richting van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 24 april 2023 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

[slachtoffer 2] en/of en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen in de richting van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te schieten;

3

hij op of omstreeks 24 april 2023 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een pistool en/of de daarbij behorende munitie (kaliber 9 mm), in elk geval een wapen en/of munitie van categorie II en/of III van de Wet wapens en munitie, voorhanden heeft gehad.

2. Bewijsoverweging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde poging tot moord en voor het onder 3 ten laste gelegde feit verboden bezit van een vuurwapen met munitie. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor alle ten laste gelegde feiten. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:

poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade van [slachtoffer 1] ;

het medeplegen van poging tot doodslag van [slachtoffer 2] ;

het medeplegen van het voorhanden hebben van een pistool en munitie.

De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.

De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de in bijlage 1 opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotiveringen. De verdachte wordt partieel vrijgesproken van de onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten, van het medeplegen onder feit 1 meer subsidiair en van het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ bij het onder feit 1 meer subsidiair en onder 2 primair tenlastegelegde.

Nadere bewijsmotivering schietincidenten 24 april 2023

In de vroege ochtend van 24 april 2023 heeft rond half 5 een schietincident plaatsgevonden op [straat 1] in Rotterdam. Bij dit schietincident zijn met een vuurwapen twee schoten gelost op twee verschillende slachtoffers. Het eerste schot werd afgevuurd voor de supermarkt [supermarkt] (hierna: [supermarkt] ), het tweede schot volgde kort daarna aan de andere kant van de straat.

Eerste schot

Op camerabeelden van [straat 1] is te zien dat kort voor het schietincident meerdere personen zich ophouden voor [supermarkt] en dat een donkere Volkswagen Polo met kenteken [kentekennummer 1] komt aanrijden en vervolgens stopt in de buurt van [supermarkt] . Er stappen drie mannen uit de auto. Op de beelden is te zien dat de bijrijder van de auto na het uitstappen een vuurwapen uit zijn jaszak haalt, dit vervolgens doorlaadt en weer terugstopt in zijn jaszak. Daarna loopt de bijrijder met de twee andere inzittenden van de auto naar de groep bij [supermarkt] . Te zien is dat de bijrijder daar ruzie krijgt met een man, waarbij zij met hun hoofden tegen elkaar staan en de man door iemand wordt weggetrokken. Daarna is te zien dat het latere slachtoffer [slachtoffer 1] komt aanlopen en zich met de ruzie bemoeit, waarbij hij de bijrijder wegduwt. Deze pakt vervolgens het vuurwapen uit zijn jaszak en schiet daarmee van korte afstand op de benen van [slachtoffer 1] . Aan de hand van camerabeelden werd de schutter door twee verbalisanten herkend als de verdachte.

Identificatie van de verdachte

De raadsman heeft aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat de verdachte de eerste schutter was, omdat de camerabeelden op basis waarvan de verbalisanten hem hebben geïdentificeerd te onduidelijk zijn voor een betrouwbare herkenning. Ook komt het signalement van de schutter volgens de raadsman niet overeen met dat van de verdachte, zoals hij eerder die avond op beelden te zien is.

De rechtbank verwerpt dit verweer en acht de herkenningen die twee verbalisanten onafhankelijk van elkaar hebben gedaan, voldoende betrouwbaar. Daarbij betrekt de rechtbank dat de verbalisanten in hun proces-verbaal concreet omschrijven aan welke kenmerken zij de verdachte herkennen en dat zij de verdachte eerder veelvuldig hebben gezien tijdens hun werk. De verbalisanten hebben bij de rechter-commissaris hun herkenningen bevestigd. De rechtbank stelt vast dat de verdachte de eerste schutter is die te zien is op de camerabeelden en ziet in hetgeen hierbij verder is aangevoerd geen reden voor een ander oordeel.

Poging tot zware mishandeling (feit 1 meer subsidiair)

De rechtbank stelt vast dat de verdachte het slachtoffer [slachtoffer 1] in zijn been, ter hoogte van zijn knie heeft geraakt. Naar algemene ervaringsregels kan onder de omstandigheden bij het schietincident naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat met een gericht schot op de benen kennelijk is beoogd het slachtoffer te doden. Uit de beschikbare medische informatie over het slachtoffer kan ook niet worden afgeleid dat dit schot potentieel dodelijk letsel heeft veroorzaakt. De verdachte zal daarom van het primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de van de juridische kwalificatie van het geconstateerde letsel overweegt de rechtbank als volgt. Uit de medische gegevens die door het slachtoffer bij zijn vordering tot schadevergoeding zijn aangeleverd, volgt dat [slachtoffer 1] een schotwond in zijn been had en dat sprake was een verbrijzelingsfractuur van zijn scheenbeen. Hoewel volgens een consult van de afdeling traumachirurgie na ruim een maand nog geen sprake was van volledige consolidatie, wordt ook opgemerkt dat het slachtoffer al drie weken volledig op het been kan lopen. Omdat geen medische informatie beschikbaar is over het verdere herstel in de periode daarna, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat in strafrechtelijke zin gesproken moet worden van zwaar lichamelijk letsel. Dat maakt dat ook het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Met het doelbewust schieten door de verdachte op de benen van [slachtoffer 1] acht de rechtbank wel bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de meer subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. Het schieten met een vuurwapen op de benen levert naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op op zwaar lichamelijk letsel. De verdachte moet zich er met zijn handelwijze ook van bewust zijn geweest dat hij het slachtoffer ernstig letsel zou kunnen toebrengen, en heeft deze kans kennelijk ook aanvaard.

Ten aanzien van de vraag of de verdachte ook heeft gehandeld vanuit een vooropgezet plan overweegt de rechtbank het volgende. Voor het bewijs van ‘voorbedachte raad’ moet vast komen te staan dat de verdachte enige tijd heeft gehad om zich te beraden en de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt af van de situatie en van de feitelijke omstandigheden van het geval.

Uit de bevindingen bij het opsporingsonderzoek komt naar voren dat de confrontatie tussen de verdachte en het slachtoffer [slachtoffer 1] voortbouwt op een ruzie tussen twee grotere groepen personen in de uren daarvoor. Uit de camerabeelden blijkt dat de verdachte direct nadat hij uit de auto stapt, het wapen doorlaadt en naar de groep loopt voor [supermarkt] . Als [slachtoffer 1] hem wegduwt, pakt de verdachte het wapen en schiet. Hoewel uit het doorladen van het vuurwapen kan worden afgeleid dat de verdachte kennelijk de bedoeling had om dit eventueel te kunnen gebruiken in het conflict tussen de beide groepen, ziet de rechtbank onvoldoende bewijs om te kunnen vaststellen dat hij [slachtoffer 1] heeft beschoten vanuit een vooropgezet plan om hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De verdachte zal daarom van dit bestanddeel in de tenlastelegging partieel worden vrijgesproken.

De rechtbank ziet ten aanzien van het eerste schietincident geen aanwijzingen dat hierbij een of meer andere personen betrokken zouden zijn, zodat de verdachte ook van het ten laste gelegde medeplegen partieel zal worden vrijgesproken.

Tweede schot

Op camerabeelden is te zien dat de bestuurder van de Volkswagen Polo waarin de verdachte als bijrijder werd vervoerd, na het eerste schot wegrent en vervolgens met een uitgestrekte arm terugrent naar de verdachte, die hem een donkerkleurig voorwerp overhandigt. De bestuurder rent hiermee over de stoep van [straat 1] achter een man aan en heeft daarbij zijn beide armen recht naar voren gericht. Vervolgens is een lichtflits te zien ter hoogte van zijn handen en is tegelijkertijd een knal te horen. De rechtbank leidt hieruit af dat de medeverdachte, nadat de verdachte hem het vuurwapen heeft gegeven, hiermee kennelijk een tweede schot heeft gelost. De verdachte en de medeverdachte rijden hierna, samen met een derde inzittende, weg in de Volkswagen Polo. Ook wordt waargenomen dat een witte Mercedes met zwarte accenten na het schietincident met hoge snelheid wegrijdt.

Het slachtoffer, dat bij het schot niet werd geraakt, is door de politie later geïdentificeerd als [slachtoffer 2] . Op basis van het verhoor van deze getuige door de rechter-commissaris, waarin hij elke betrokkenheid bij het schietincident ontkent, wordt zijn identiteit door de verdediging betwist. De rechtbank overweegt hierbij als volgt.

Kort na het tweede schot treft de politie op [straat 2] een witte Mercedes aan met zwarte accenten. Bij deze auto komt een man aanlopen, die verklaart dat hij zijn telefoon uit de auto wil pakken. De man is onrustig en belt met iemand, tegen wie hij zegt dat er niet met de politie moet worden gepraat. Hij verklaart tegenover de politie dat hij is gevlucht nadat hij is beschoten door twee personen in donkere kleding, rijdend in een donkere auto.

Door de politie wordt de identiteit van de man vastgesteld aan de hand van een foto van een rijbewijs en een politiefoto. [slachtoffer 2] woont in [straat 2] . Ook wordt in de witte Mercedes een huurcontract gevonden op zijn naam. Hoewel [slachtoffer 2] om onbekend gebleven redenen geen aangifte heeft willen doen van het schietincident en hij in tweede instantie zelfs heeft ontkend hierbij betrokken te zijn geweest, ziet de rechtbank onder de geschetste omstandigheden geen reden om te twijfelen aan voormelde identificatie door de politie en acht zij de verklaring van [slachtoffer 2] op dit punt niet geloofwaardig.

Poging tot doodslag (feit 2 primair)

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte door het overhandigen van een geladen vuurwapen aan de bestuurder van de Volkswagen Polo, als mededader verantwoordelijk gehouden kan worden voor het tweede schietincident. Door het geringe tijdsverloop tussen het eerste schot en de overdracht van het vuurwapen is de rechtbank van oordeel dat ook bij het tweede schietincident niet kan worden bewezen dat sprake is van voorbedachte raad. De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het medeplegen van poging tot moord.

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot doodslag. Hij heeft bij een conflict dat hoog was opgelopen, nadat hij eerst zelf had geschoten, het vuurwapen overgedragen aan de medeverdachte die achter de vluchtende [slachtoffer 2] aanrende en met het vuurwapen op hem heeft geschoten. Door in die situatie het wapen over te dragen, heeft de verdachte zich ten minste willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de medeverdachte het wapen ook zou gebruiken en dat [slachtoffer 2] hierbij mogelijk dodelijk zou worden verwond.

Door de raadsman ter terechtzitting aangedragen alternatieve scenario’s, op basis waarvan de verdachte naar zijn inzicht zou moeten worden vrijgesproken, vinden geen steun in het dossier en worden evenmin ondersteund door enige verklaring van zijn cliënt.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

1. meer subsidiair

hij op of omstreeks 24 april 2023 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een vuurwapen in het been van die [slachtoffer 1] heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 primair

hij op of omstreeks 24 april 2023 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] van het leven te beroven,

meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen in de richting van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3

hij op of omstreeks 24 april 2023 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een pistool en/of de daarbij behorende munitie (kaliber 9 mm), in elk geval een wapen en/of munitie van categorie II en/of III van de Wet wapens en munitie, voorhanden heeft gehad.

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 meer subsidiair

poging tot zware mishandeling;

Feit 2 primair:

medeplegen van poging tot doodslag;

Feit 3:

Eendaadse samenloop van:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II of een vuurwapen van categorie III van die wet;

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4. Straf

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor de onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de omstandigheden waaronder het eerste schot werd gelost, met de ondergeschikte rol van de verdachte bij het tweede schot en met het feit dat de redelijke termijn fors is overschreden. Daarnaast heeft de verdediging gewezen op de positieve ontwikkeling die de verdachte sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis heeft doorgemaakt.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft in de vroege ochtend van 24 april 2023 in een druk uitgaansgebied in het centrum van Rotterdam bij een ruzie met een vuurwapen op een man (het slachtoffer [slachtoffer 1] ) geschoten. [slachtoffer 1] werd hierbij in zijn been geraakt, waarbij medisch ingrijpen noodzakelijk bleek en het slachtoffer daarna langere tijd moest revalideren. Nadat de verdachte het vuurwapen aan een medeverdachte had overgedragen, schoot deze medeverdachte tijdens een achtervolging daarna op een tweede man (het slachtoffer [slachtoffer 2] ). De verdachte wordt verweten dat hij zich aldus heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van poging tot doodslag.

Door zijn handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de beide slachtoffers. Het is een groot geluk te noemen dat het slachtoffer [slachtoffer 1] niet zwaarder gewond is geraakt en dat het slachtoffer [slachtoffer 2] door het tweede schot niet dodelijk is verwond. De verdachte heeft gedurende deze strafzaak op geen enkel moment enige verantwoordelijkheid getoond voor deze gedragingen. Op het moment van de schietincidenten waren er nog veel mensen op straat, die hiervan getuigen waren. Situaties zoals deze versterken niet alleen gevoelens van angst en onveiligheid voor de direct betrokkenen, maar ook die van omwonenden en van andere mensen binnen de samenleving. Daarnaast brengt het ongecontroleerde bezit van vuurwapens een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 14 juli 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke delicten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.

Redelijke termijn

De redelijke termijn van berechting is in de situatie van de verdachte gestart op 27 juni 2023, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van ruim drie jaar verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, geldt in deze zaak een redelijke termijn van twee jaar, zodat deze termijn met ruim een jaar is overschreden. Daarvoor zal een strafkorting worden gegeven van zes maanden op de op te leggen gevangenisstraf.

Oplegging straf

Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een forse gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die eerder in soortgelijke zaken door andere rechtbanken zijn opgelegd. Omdat de eis van de officier van justitie ziet op een bewezenverklaring van zwaardere feiten dan die nu door de rechtbank bewezen worden verklaard, zal de rechtbank aan de verdachte een lagere straf opleggen dan is geëist. De rechtbank acht een gevangenisstraf van zes jaar passend en geboden is en zal deze straf aan de verdachte opleggen.

De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

5. Voorlopige hechtenis

De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van

12 maart 2024 geschorst.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt opgeheven, gelet op de geëiste, langdurige gevangenisstraf en omdat de verdachte niet aanwezig was bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. Daarmee heeft de verdachte volgens de officier van justitie de gestelde voorwaarden overtreden.

De rechtbank wijst het verzoek tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis af. In de gestelde voorwaarden wordt niet expliciet vermeld dat de verdachte bij de inhoudelijke behandeling van zijn zaak verplicht aanwezig diende te zijn. De verdachte heeft de rechtbank via zijn raadsman bericht dat hij vanwege familieomstandigheden niet bij de zitting kon zijn, waarbij hij de raadsman had gemachtigd om hier namens hem het woord te voeren. Hoewel volgens de schorsingsvoorwaarden de verdachte wel gehoor diende te geven aan alle oproepen van politie en justitie, ziet de rechtbank in zijn afwezigheid bij de zitting geen aanleiding voor hervatting van de voorlopige hechtenis.

Daarnaast overweegt de rechtbank dat aan de eerdere schorsingsbeslissing geen termijn is gekoppeld. De verdachte wordt nu veroordeeld voor onder meer het medeplegen van poging tot doodslag, een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een maximale gevangenisstraf van 16 jaar en 9 maanden is gesteld. Zolang dit vonnis niet onherroepelijk is, ziet de rechtbank hierin echter onvoldoende gewichtige redenen die een opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis noodzakelijk maken. Zij wijst daarbij op het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2025 (ECLI:NL:HR:2025:987) waaruit volgt dat de enkele omstandigheid dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd van langere duur dan ondergane voorlopige hechtenis, geen toereikende grond is om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.

6. Vordering van de benadeelde partij

Vordering [benadeelde partij]

[slachtoffer 1] heeft als benadeelde partij bij feit 1 een bedrag van € 25.877,72 gevorderd als vergoeding voor materiële schade en een bedrag van € 8.000,00 als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 9.677,72 (€ 2.677,72 materiële schade en € 7.000,00 immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, omdat de gevorderde schade door studievertraging onvoldoende is onderbouwd en de gevorderde immateriële schade gematigd dient te worden, gelet op de rol van het slachtoffer in de aanloop tot het eerste schietincident.

Standpunt van de verdediging

De vordering van de benadeelde partij moet afgewezen worden voor wat betreft de gevorderde kosten van de jas, het t-shirt, de sportschool en de schoenen, aangezien deze schade onvoldoende is onderbouwd en het t-shirt bovendien volgens de politie aan het slachtoffer is teruggeven. De benadeelde partij dient niet-ontvankelijk te worden verklaard ten aanzien van de door hem gevorderde kosten van de studievertraging, aangezien deze schade onvoldoende is onderbouwd en behandeling van dit deel van de vordering een te grote belasting van het strafgeding oplevert. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding heeft de raadsman matiging van het toe te wijzen bedrag bepleit.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde strafbare feit. De vordering wordt toegewezen tot een bedrag van in totaal € 527,76. De gevorderde kosten van het ambulancevervoer (€ 347,78), de krukken (€ 30,00), de broek (€ 50,00) en het t-shirt (€ 50,00) worden toegewezen, omdat deze kosten naar het oordeel van de rechtbank voldoende zijn onderbouwd en door de verdediging onvoldoende gemotiveerd zijn betwist. De schade die het slachtoffer heeft geleden doordat hij als gevolg van het schietincident geen gebruik heeft kunnen maken van zijn sportschoolabonnement wordt door de rechtbank geschat op twee maanden, zodat deze schade wordt vastgesteld op 2 x € 24,99 = € 49,98.

De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering ten aanzien van de gevorderde kosten voor de schoenen en de jas, nu deze schade onvoldoende is onderbouwd.

Ook het deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de studievertraging is – mede gelet op de betwisting van deze kosten door de verdediging – onvoldoende gemotiveerd gesteld. De beoordeling van dit deel van de vordering vraagt daarom om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering. De behandeling hiervan levert een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom ook in dit deel niet-ontvankelijk. De betreffende onderdelen van de vordering kunnen bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft als gevolg van het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde feit rechtstreeks immateriële schade geleden die voor vergoeding in aanmerking komt. De benadeelde partij heeft lichamelijk letsel aan zijn been opgelopen, waarvan hij enige tijd heeft moeten herstellen. Daarnaast acht de rechtbank ook naar algemene ervaringsregels aannemelijk dat het schietincident fysiek en psychisch de nodige impact op het slachtoffer heeft gehad. De immateriële schade wordt naar billijkheid begroot op € 4.000,00. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt en de aard en ernst van het letsel. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen eerder zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 24 april 2023.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (deels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel op als bedoeld in artikel 36f Sr. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.

Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 45 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

7. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 45, 47, 55, 57, 63, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

8. Beslissingen

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 2 omschreven, heeft gepleegd;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) jaar;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde partij] met betrekking tot feit 1 meer subsidiair te betalen een bedrag van € 4.527,76 (vijfenveertighonderdzevenentwintig euro en zesenzeventig cent), bestaande uit € 527,76 als vergoeding van materiële schade en € 4.000,00 als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf

24 april 2023 tot de dag van volledige betaling;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,00 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat

€ 4.527,76 (vijfenveertighonderdzevenentwintig euro en zesenzeventig cent) te betalen, en de wettelijke rente vanaf 24 april 2023 tot aan de dag van de gehele betaling;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 45 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

9. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.M.L. van Mulbregt, voorzitter,

en mrs. S.W.H. Bootsma en M.E. Vos, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Boekholtz, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 4 september 2026.

Mrs. Vos en Boekholtz zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage 1 – Bewijsmiddelen feiten 1 meer subsidiair, 2 primair en 3

1. Proces-verbaal van de politie De twee (2) locaties waar geschoten werd op [straat 1] in Rotterdam, zijn in afbeelding ( [nummer 1] ) op p 80 weergegeven middels een ster met daarbij de vermeldingen: “eerste schot” en “tweede schot”.

De genoemde tijdstippen in dit proces-verbaal waren allemaal van 24 april 2023 en de genoemde locaties in dit proces-verbaal waren allemaal in Rotterdam. Uit onderzoek in de verkregen camerabeelden bleek dat een aantal van de personen die betrokken

waren bij voornoemd schietincident, voorafgaand aan dit schietincident binnen waren geweest bij [eethuis 1] , gevestigd op [adres 2] . Deze personen kwamen bij [eethuis 1] goed zichtbaar in beeld. De camerabeelden van [eethuis 1] werden onderzocht om de identiteit van personen die betrokken waren bij het schietincident te achterhalen. De personen die in dit proces-verbaal bij naam worden genoemd zijn herkend op basis van de camerabeelden die beschreven werden in voornoemd proces-verbaal met documentcode [nummer 2] .

Op camerabeelden van [eethuis 2] was te zien dat er om 04.23 uur een witkleurige personenauto op [straat 1] in een parkeerhaven, ter hoogte van [winkel] , werd geparkeerd.

Omdat op de camerabeelden door mij te zien was dat [persoon A] en [slachtoffer 2] in dezelfde witkleurige auto in- en uitstapten, vlak voor zij op 24 april 2023 gecontroleerd werden in voornoemde witkleurige Mercedes met kenteken [kentekennummer 2] , wordt deze witkleurige personenauto, waar zij in- en uitstapten, in dit proces-verbaal omschreven als: witkleurige personenauto (waarschijnlijk de Mercedes met kenteken

[kentekennummer 2] ). Op de camerabeelden was te zien dat [persoon B] rechtsachter uit de witkleurige personenauto (waarschijnlijk de Mercedes met kenteken [kentekennummer 2] ), stapte en de rijbaan van [straat 1] opliep.

Om 04.25 uur liepen [persoon B] en [slachtoffer 2] over het trottoir in de richting van supermarkt [supermarkt] [straat 1] .

Op (infrarood)camerabeelden van supermarkt [supermarkt] [straat 1] was te zien dat [persoon B] (rechts) en [slachtoffer 2] (links) in dezelfde minuut, om 04.25 uur, ter hoogte van supermarkt [supermarkt] [straat 1] aankwamen.

Donkerkleurige personenauto

Op camerabeelden van Cameratoezicht, met zicht op de kruising van [straat 1] en [straat 3] , was te zien dat er om 04.25 uur een donkerkleurige personenauto vanaf [straat 3] [straat 1] op werd gereden.

Deze personenauto stopte op de rijbaan, ter hoogte van supermarkt [supermarkt] [straat 1] . [persoon B] en [slachtoffer 2] , die op dat moment over het trottoir ter hoogte van supermarkt [supermarkt] [straat 1] liepen, gingen vervolgens naar het raam van de bestuurder van deze donkerkleurige personenauto.

Vanaf de achterbank, aan de bestuurderszijde, stapte [persoon C] uit deze donkerkleurige personenauto. Deze donkerkleurige personenauto werd vervolgens geparkeerd in een parkeerhaven, ter hoogte van supermarkt [supermarkt] [straat 1] . Ik zag dat [persoon D] uit deze donkerkleurige personenauto stapte. Ik zag dat [persoon B] , [slachtoffer 2] en [persoon C] bij deze donkerkleurige personenauto gingen staan.

Witkleurige personenauto (vermoedelijk Audi)

Op camerabeelden van Cameratoezicht, met zicht op de kruising van [straat 1] en [straat 3] , was te zien dat om 04.26 uur een witkleurige personenauto, vanaf [straat 3] , [straat 1] op werd gereden.

Deze witkleurige personenauto (vermoedelijk Audi) zal in het vervolg van dit proces-verbaal worden aangeduid in combinatie met documentcode: [nummer 3] .

Uit camerabeelden van Cameratoezicht en van supermarkt [supermarkt] [straat 1] bleek mij dat [persoon B] , [slachtoffer 2] en [persoon D] , die bij de donkerkleurige personenauto ( [nummer 4] ) stonden, naar de bestuurderszijde van de witkleurige personenauto ( [nummer 3] ) liepen. [persoon C] bleef nog op het trottoir bij de donkerkleurige personenauto ( [nummer 4] ) staan.

Zwartkleurige Volkswagen Polo, voorzien van kenteken [kentekennummer 1]

Op camerabeelden van supermarkt [supermarkt] [straat 1] en van Cameratoezicht, met zicht op de kruising van [straat 1] en [straat 3] , was te zien dat er om 04.28 uur een zwartkleurige personenauto, van het merk Volkswagen en het type Polo, vanaf [straat 3] [straat 1] op werd gereden. Deze Volkswagen Polo (rechts van verkeersbord) stopte voor korte tijd schuin voor voornoemde witkleurige personenauto (links van verkeersbord). Vervolgens werd deze Volkswagen Polo verreden tot de kruising van [straat 1] met [straat 4] , waar deze Volkswagen Polo werd stil gezet. Op camerabeelden van Cameratoezicht, met zicht op de kruising van [straat 1] en [straat 4] , was te zien dat deze Volkswagen Polo voorzien bleek van het kenteken [kentekennummer 1] .

Volkswagen Polo, voorzien van kenteken [kentekennummer 1]

Op camerabeelden van Cameratoezicht, met zicht op de kruising van [straat 1] en [straat 4] , was te zien dat er drie mannen uit de Volkswagen Polo, voorzien van kenteken [kentekennummer 1] , stapten.

Vanaf de bijrijdersplek stapte een man uit de Volkswagen Polo ( [kentekennummer 1] ) die een donkerkleurige jas droeg met daaronder een lichtkleurig shirt dat onder zijn jas uitkwam. Deze persoon had een capuchon op zijn hoofd en hij droeg donkergekleurde schoenen met een witkleurige zool. Op de camerabeelden was te zien dat deze persoon een vuurwapen uit zijn rechterjaszak pakte, dat hij dit vuurwapen doorlaadde en weer terug in zijn rechterjaszak stopte. De bewegende camerabeelden van de inzittenden van de Volkswagen Polo ( [kentekennummer 1] ) werden ter herkenning getoond aan verschillende (wijk)agenten werkzaam in Rotterdam-Centrum en Rotterdam-West. De persoon die als bijrijder uit de Volkswagen Polo ( [kentekennummer 1] ) was gestapt ( [nummer 5] ) werd herkend als zijnde: [verdachte] .

Vanaf de achterbank van de Volkswagen Polo ( [kentekennummer 1] ), aan de bijrijderszijde, stapte een ander persoon met een donkerkleurige jas en donkerkleurige schoenen. Deze persoon leek een bril te dragen. De persoon die vanaf de achterbank uit de Volkswagen Polo ( [kentekennummer 1] ) was gestapt (zie afbeelding met documentcode: [nummer 6] ) werd herkend als één van de tweelingbroers [persoon E] .

De bestuurder van de Volkswagen Polo ( [kentekennummer 1] ) kwam slechts vaag in beeld en leek een donkerkleurige jas te dragen en een capuchon op zijn hoofd. Naast deze drie personen waren voor mij geen andere personen zichtbaar vanuit de Volkswagen Polo ( [kentekennummer 1] ).

De identiteit van de bestuurder van de Volkswagen Polo ( [kentekennummer 1] ) was ten tijde van het opmaken van dit proces-verbaal niet bekend en hij wordt in het vervolg van dit proces-verbaal ( [nummer 7] ) aangeduid als [persoon F] .

Op camerabeelden van Cameratoezicht, met zicht op de kruising van [straat 1] en [straat 3] , en supermarkt [supermarkt] [straat 1] was te zien dat [verdachte] , nadat hij uit de Volkswagen Polo ( [kentekennummer 1] ) was gestapt, op [straat 1] over het trottoir liep; het dichtst van de drie personen langs de bebouwing aan de kant van supermarkt [supermarkt] [straat 1] . [persoon E] liep daar schuin achter. [persoon F] liep over het trottoir aan de kant van de aldaar geparkeerd staande auto's.

Inzittenden Volkswagen Polo ( [kentekennummer 1] ) lopen naar [persoon B] en [slachtoffer 2]

Op camerabeelden van Cameratoezicht, met zicht op de kruising van [straat 1] en [straat 3] , en camerabeelden van supermarkt [supermarkt] [straat 1] , was te zien dat de personen die uit de Volkswagen Polo ( [kentekennummer 1] ) waren gestapt en personen die bij de witkleurige personenauto ( [nummer 3] ) stonden, waaronder [persoon B] en [slachtoffer 2] , op [straat 1] naar elkaar toeliepen. De bestuurder van deze witkleurige personenauto ( [nummer 3] ) stapte ook uit en liep richting de andere personen. De bestuurder van de witkleurige personenauto ( [nummer 3] ) zal nader in dit proces-verbaal worden aangeduid als: [persoon G] . [persoon C] , die nog bij de donkerkleurige personenauto ( [nummer 4] ) stond, stak vervolgens [straat 1] over.

Op camerabeelden van supermarkt [supermarkt] [straat 1] was te zien dat [verdachte] (met de rug naar de camera te zien) hoofd aan hoofd kwam te staan met [slachtoffer 2] : [persoon G] trok [slachtoffer 2] vervolgens naar achteren en leek op basis van uiterlijk voorkomen iets tegen [slachtoffer 2] te zeggen en leek daarna op basis van uiterlijk voorkomen in gesprek te gaan met [persoon B] .

[slachtoffer 2] leek op basis van uiterlijk voorkomen vervolgens in gesprek te gaan met [verdachte] .

[persoon G] richtte zich ook weer op [slachtoffer 2] . Daarna werd [slachtoffer 2] door [persoon B] weggehaald bij [verdachte] en [persoon G] .

[persoon B] leek vervolgens op basis van uiterlijk voorkomen in gesprek te gaan met [verdachte] . De personen binnen deze groep liepen door elkaar heen. [verdachte] hield hierbij zijn handen continu in zijn jaszakken. Eerder was op de beelden te zien dat hij een vuurwapen in zijn rechter jaszak had gestopt.

Op camerabeelden van binnenuit supermarkt [supermarkt] [straat 1] was te zien dat er mogelijk sprake was van ruzie tussen voornoemde personen.

[verdachte] was inmiddels aan de straatkant van de groep gaan staan en leek op basis van uiterlijk voorkomen te worden toegesproken door [persoon B] .

Van onder in het camerabeeld van supermarkt [supermarkt] [straat 1] kwam vervolgens ook [slachtoffer 1] het camerabeeld inlopen.

Ik zag dat [slachtoffer 1] direct naar [verdachte] liep en hem wegduwde van de groep.

Op camerabeelden van de camera aan de gevel van supermarkt [supermarkt] [straat 1] was te zien dat [verdachte] met zijn rechterhand een vuurwapen pakte uit zijn rechterjaszak.

In de afbeelding (still) met documentcode: [nummer 8] , is weergegeven wie, op het moment dat [verdachte] een vuurwapen pakte, zich op welke plaats bevond

(p 108).

[verdachte] wordt aangeduid met een rode pijl en staat linksonder in beeld met het vuurwapen uitgestrekt in zijn rechter hand;

[persoon F] wordt aangeduid met een groene pijl en staat net boven [verdachte] helemaal links naast de rest van de groep in beeld.

Naast hem en aangeduid met een rode pijl staat [persoon B] .

Voor [persoon B] en aangeduid met een paarse pijl staat [slachtoffer 2] .

Naast [persoon B] en aangeduid met een paarse pijl staat [persoon D] .

Voor [persoon D] en aangeduid met een groene pijl staat [slachtoffer 1] . Hij staat het dichtste voor [verdachte] met het vuurwapen.

Naast [persoon D] en aangeduid met een bruine pijl staat [persoon G] .

Rechtsachter [persoon G] en aangeduid met een blauwe pijl staat [persoon H] .

Voor [persoon H] en aangeduid met een blauwe pijl staat [persoon A] .

Op camerabeelden van de camera aan de gevel van supermarkt [supermarkt] [straat 1] was te zien dat [verdachte] om 04.30 uur het vuurwapen richting de groep wendde en een schot loste. Later bleek [slachtoffer 1] hierbij geraakt te zijn in zijn been.

Op camerabeelden van de camera aan de gevel van supermarkt [supermarkt] [straat 1] was te zien dat, nadat er was geschoten, de meeste mannen in de groep wegrenden in verschillende richtingen.

Op camerabeelden van de camera's binnen en buiten supermarkt [supermarkt] [straat 1] was te zien dat de groep personen uiteen rende in verschillende richtingen. [slachtoffer 2] rende de rijbaan over naar het trottoir aan de overkant van de straat. Eén van de anderen ("achtervolger") uit de groep rende achter [slachtoffer 2] aan

Noot verbalisant: Op basis van een vergelijking van de schoenen en omdat deze "achtervolger" direct na het achterna rennen (weer) als bestuurder bij de Volkswagen Polo, voorzien van kenteken [kentekennummer 1] , instapte en wegreed was voornoemde "achtervolger" waarschijnlijk voornoemde [persoon F] .

Ik zag dat de schoenen van voornoemde "achtervolger", qua uiterlijk, grote gelijkenissen vertoonde met de schoenen van [persoon F] (de bestuurder van de Volkswagen Polo met kenteken [kentekennummer 1] ).

Op camerabeelden van de camera aan de gevel van supermarkt [supermarkt] [straat 1] was te zien dat [slachtoffer 2] , op het trottoir, aan de overkant van de [straat 1] straat stond. De "achtervolger" (waarschijnlijk [persoon F] ) rende zijn richting op.

Op camerabeelden van Cameratoezicht, met zicht op de kruising van [straat 1] en [straat 3] , was te zien dat de "achtervolger" (waarschijnlijk [persoon F] ) om 04.30 uur achter [slachtoffer 2] aanrende.

Op camerabeelden van [café] was te zien dat de "achtervolger" (waarschijnlijk [persoon F] ) achter [slachtoffer 2] aanrende, een vuurwapen op hem richtte en een schot loste. De camera's van [café] namen ook het geluid op en het schot bleek ook te horen bij de camerabeelden.

Op de uitvergroting van [nummer 9] is het mondingsvuur van het schot zichtbaar als wit puntje voor de borst van de omcirkelde persoon.

Op camerabeelden van [café] en van Cameratoezicht, met zicht op de kruising van [straat 1] en [straat 4] , was te zien dat de "achtervolger" (waarschijnlijk [persoon F] ), nadat hij op [slachtoffer 2] had geschoten, terug naar de Volkswagen Polo ( [kentekennummer 1] ) liep.

Op camerabeelden van camera's van Cameratoezicht, met zicht op de kruising van [straat 4] met [straat 1] en de kruising van [straat 3] met [straat 1] , was te zien dat de "achtervolger" (waarschijnlijk [persoon F] ), nadat hij op [slachtoffer 2] had geschoten, bij de bestuurdersplek van de Volkswagen Polo ( [kentekennummer 1] ) instapte.

[persoon E] stapte bij de Volkswagen Polo ( [kentekennummer 1] ), achterin, in aan de bestuurderszijde.

Op camerabeelden van Cameratoezicht, met zicht op de kruising van [straat 4] met [straat 1] , was te zien dat [verdachte] bij de Volkswagen Polo ( [kentekennummer 1] ) voorin aan de bijrijderszijde instapte.

Op camerabeelden van Cameratoezicht, met zicht op de kruising van [straat 3] en [straat 1] , was te zien dat met de Volkswagen Polo ( [kentekennummer 1] ) weg werd gereden vanaf [straat 1] , in de richting van [straat 5] .

2. Proces-verbaal van de politieSchietincident [straat 1] op 24 april 2023.

Naar aanleiding van voornoemd incident werden aan mij camerabeelden voor onderzoek ter beschikking gesteld. Van dit onderzoek camerabeelden heb ik onderstaande fotoprints gemaakt en voorzien van een waarnemingsbeschrijving.

De inzittenden van het voertuig VTG01 ( [kentekennummer 1] ) zijn door mij in dit rapport aangeduid als S01, S02 en S03. De bijrijder van het voertuig VTG01 ( [kentekennummer 1] ) betreft S01. De bestuurder van het voertuig VTG01 ( [kentekennummer 1] ) betreft S02. De passagier van het voertuig VTG01 ( [kentekennummer 1] ) betreft S03. Dit voertuig VTG01 ( [kentekennummer 1] ) betreft een Volkswagen Polo met kenteken [kentekennummer 1] .

Vervolgens zag ik, omstreeks 04:28 uur, dat S01 als bijrijder van VTG01 uitstapte en richting [supermarkt] liep.

Ik zag dat het signalement van S01 als volgt was:

- persoon met getinte huidskleur;

- grote neus;

- donkerkleurige jas met daarop, ter hoogte van de linker bovenarm, een lichtkleurige

ronde opdruk. S01 droeg een capuchon over het hoofd. S01 droeg onder de jas

lichtkleurige bovenkleding, welke ter hoogte van de hals en onder de jas aan de

achterzijde zichtbaar was;

- donkerkleurige broek;

- zwarte sportschoenen met een opvallende brede witte rand om de zolen en

reflecterende vlakken op de bovenkant:

Ik zag, omstreeks 04:28 uur, dat S02 als bestuurder van VTG01 uitstapte en richting [supermarkt] liep. Ik zag dat het signalement van S02 als volgt was:

- persoon met donkere huidskleur;

- donkerblauwe jas met capuchon met daarop, ter hoogte van de linkerborst, een

lichtkleurige opdruk;

- donkerkleurige broek;

- zwarte schoenen met een witte rand om de zolen;

- witte sokken.

Ik zag, omstreeks 04:28 uur, dat S01 onderweg naar [supermarkt] met de rechterhand een voorwerp, gelijkend op een donkerkleurig vuurwapen, uit de rechter jaszak pakte en met de linkerhand aan dit voorwerp een beweging maakte gelijkend op het doorladen van een vuurwapen.

Ik zag, omstreeks atoomtijd 04:28 uur, op de camerabeelden van [supermarkt] , dat S01 , S02 en S03 alle drie (3) vanaf VTG01 richting [supermarkt] liepen.

Ik zag, omstreeks atoomtijd 04:29 uur, dat er voor [supermarkt] een groep personen bij elkaar kwam. Ik zag vervolgens dat een persoon uit die groep een duw gaf tegen S01. Ik zag dat S01 met de rechterhand een donkerkleurig voorwerp, gelijkend op een vuurwapen, uit de rechterzak haalde en met dit vuurwapen richting de groep personen schoot. Ik zag dat S02 en S03 zich in deze groep bevonden.

Ik zag, omstreeks 04:30 uur, op camerabeelden van [hostel] , dat S01 en S03 na het eerste schietincident richting de kruising van [straat 1] / [straat 4] rende.

Ik zag, omstreeks 04:30 uur, op de camerabeelden van [supermarkt] , dat S02 over [straat 1] rende, gaande in de richting van de kruising [straat 1] / [straat 6] .

Vervolgens zag ik, omstreeks 04:30 uur, op camerabeelden van [café] , dat S02 richting S01 liep, ter hoogte van de kruising [straat 1] / [straat 4] . Ik zag dat S01 vermoedelijk een donkerkleurig voorwerp aan S02 gaf. Ik zag namelijk dat S02 met een uitgestrekte rechterarm naar S01 liep en dat S01 met zijn rechterhand vanaf de rechter jaszak bewoog naar de rechterhand van S02. Tijdens dit moment zag ik dat S01 een donkerkleurig voorwerp vasthield in de rechterhand en dat S01 dit voorwerp vermoedelijk aan S02 gaf. Daarna zag ik dat S02 met beide handen voor het lichaam richting [supermarkt] rende.

Vervolgens zag ik, omstreeks 04:30 uur, op de camerabeelden van [supermarkt] ,

Cameratoezicht en [café] , dat S02 langs [supermarkt] rende en vervolgens [straat 1] overstak. Vervolgens zag ik dat S02 achter een ander persoon aanrende, gaande over het trottoir van [straat 1] , weer in de richting van de kruising [straat 1] en de [straat 6] . Ik zag dat S02 zijn beide armen recht naar voren richtte. Vervolgens zag ik een lichtflits ter hoogte van de handen van S02, gelijkend op mondingsvuur van een vuurwapen. Tijdens dit moment zag ik dat de houding van S02 gelijkend was op een schiethouding.

Vervolgens zag ik, omstreeks 04:30 uur, op de camerabeelden van Cameratoezicht en [hostel] , dat S02 richting VTG01 ( [kentekennummer 1] ) rende, ter hoogte van de kruising [straat 1] en [straat 4] / [straat 6] , en dat de andere persoon, waar S02 achteraan had gerend, verder rende in de richting van de Boomgaardsstraat. Ik zag dat S02 weer als bestuurder in VTG01 ( [kentekennummer 1] ) stapte en S01 weer als bijrijder.

3. Proces-verbaal van de politie

Op 24 april 2023, omstreeks 04.55 uur, besloten wij richting de ingang van [ziekenhuis] te rijden. Wij zagen op [straat 7] ter hoogte van de ingang drie personen staan, één donkere man en twee donkere vrouwen. Het viel ons direct op dat de man aan zijn linkerbeen ter hoogte van zijn knie een zwart stuk stof had omgebonden en dat er zich op zijn broek rode vlekken bevonden. Wij zagen dat het zwarte stuk stof een BH was. Ik, verbalisant Leurs, heb de linker broekspijp van de man doorgeknipt. Wij zagen dat er zich net onder zijn knie een wond bevond waar bloed uit kwam. Na verder onderzoek bleek dat er aan de achterzijde zich in zijn kuit ook een wond bevond waar bloed uit kwam. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , hoorde dat de man zei dat hij [slachtoffer 1] heet.

4. Proces-verbaal verhoor getuige

Afgelopen zondagavond (23 april 2023) ben ik gaan stappen in Rotterdam.

Op [straat 1] heb ik samen met [persoon I] en haar vriendin wat te eten gehaald.

Ik zag toen ineens dat mijn hele been onder het bloed zat, ik zag namelijk dat mijn

lichtblauwe jeans helemaal rood was.

In het ziekenhuis is gebleken dat het een schotwond is in mijn linkerbeen. De kogel is door mijn been gegaan, hij, heeft waarschijnlijk alleen vlees geraakt, dus geen botten of zenuwen.

5. Proces-verbaal van de politie Op 24 april omstreeks 04.31 uur, hoorde ik dat er een melding was gemaakt dat er twee keer geschoten zou zijn aan [straat 1] en kort daarna zou een voertuig weggereden zijn van het merk Mercedes met zwarte spoiler.Op voornoemd tijdstip reed ik achter mijn collega [verbalisant 2] . Omstreeks 04.35 uur hoorde ik dat [verbalisant 2] doorgaf dat hij een witte Mercedes met hoge snelheid zag rijden op [straat 8] in de richting van [plein] . Op [straat 2] zag ik dat het genoemde voertuig stopte. Ik zag dat het kenteken van het genoemde voertuig [kentekennummer 2] was. De bestuurder stapte uit het voertuig. De bestuurder was later bekend als: [persoon A] . Ik hoorde dat [persoon A] zei dat hij wist waarvoor wij kwamen en dat hij niks had gedaan. Ik zag dat een man richting het voertuig liep. De man was later bekend als: [slachtoffer 2] .

Ik hoorde dat [slachtoffer 2] zei dat zijn telefoon in de auto lag en hij zijn telefoon moest hebben.Ik zag dat [slachtoffer 2] onrustig was en iemand belde. Ik hoorde dat [slachtoffer 2] met luide stem het volgende zei: "Praat niet met de politie!", ik hoorde verder dat [slachtoffer 2] dit herhaalde in het voertuig. Verder hoorde ik dat [slachtoffer 2] tegen mij zei dat wij ons tijd verspilden en dat wij verkeerd stonden en dat wij hem niet moesten hebben. Dit herhaalde [slachtoffer 2] continu. Ik hoorde dat [slachtoffer 2] zei dat wij hem niet moesten hebben. Enige tijd later hoorde ik dat [slachtoffer 2] zei dat hij beschoten was door twee personenen kort daarna hoorde ik dat [slachtoffer 2] zei dat hij het niet zo bedoelde en dat hij uit angst was gevlucht. Ik hoorde dat [slachtoffer 2] zei dat hij minstens twee mannen had gezien die in het zwart gekleed waren met capuchon. Verder hoorde ik [slachtoffer 2] zeggen dat hij bij één van de mannen een vuurwapen had gezien. Vervolgens hoorde ik dat [slachtoffer 2] zei dat die mannen vanuit een zwarte Volkswagen Polo uitstapten en later weer wegreden in hetzelfde voertuig.

6. Proces-verbaal van de politie

Op 24 april 2023 vond er een schietincident plaats op [straat 1] te Rotterdam. Na het schietincident werd door opsporingsambtenaren van de politie op [straat 2] te Rotterdam een persoon gecontroleerd die aangaf beschoten te zijn. Onderzoek naar de identiteit van deze persoon toonde aan dat het de volgende persoon betrof:

Namen: [slachtoffer 2]

Geboren: [geboortedatum 2] 1995 te [geboorteplaats 2]

De identiteit van de gecontroleerde persoon werd vastgesteld door middel van het tonen van een afbeelding van een rijbewijs op een telefoon. Daarnaast heeft de opsporingsambtenaar ook nog een afbeelding van [slachtoffer 2] opgezocht in de bedrijfssystemen van de politie en ook dat leidde er niet toe dat er getwijfeld werd dat de gecontroleerde persoon [slachtoffer 2] betrof [nummer 10] .

Uit nader onderzoek naar camerabeelden en uit controles van betrokken voertuigen en personen zijn er meerdere aanwijzingen naar voren gekomen dat het [slachtoffer 2] betrof die beschoten was bij voornoemd schietincident. Zo stapte de beschoten persoon direct na het schietincident in een huurauto waarin een huurcontract op naam van [slachtoffer 2] gevonden werd. Zie het gerelateerde proces-verbaal met documentcode [nummer 7] en [nummer 11]

7. Proces-verbaal van de politie

Op 5 juni 2023 was ik, verbalisant [verbalisant 3] , aanwezig op politiebureau [locatie] in Rotterdam. Via de interne communicatie waren mij twee beeldfragmenten van camerabeelden beschikbaar gesteld die in relatie stonden tot een schietincident, welke had plaatsgevonden op 24 april 2023 op [straat 1] te Rotterdam.

Het eerste beeldfragment was afkomstig van supermarkt [supermarkt] [straat 1] . Ik herkende van deze groep personen één (1) man direct en zonder enige twijfel als zijnde: [verdachte] Geboren op [geboortedatum 1] 1997 te [geboorteplaats 1] in [geboorteland]

In het vervolg van dit proces-verbaal van bevindingen genoemd: [verdachte] .

Ik zag bij het beeldfragment van supermarkt [supermarkt] [straat 1] dat [verdachte] links in beeld stond. Ik zag dat [verdachte] : gekleed was in een donkerkleurige jas met een capuchon over zijn hoofd, een donkerkleurige broek droeg en donkerkleurige schoenen aan had met een opvallend lichtkleurige zool. Ik zag dat bij de onderrug van [verdachte] een lichtkleurig shirt onder zijn jas vandaan kwam. Ik herkende [verdachte] aan zijn gelaat en zijn opvallende neus . Ik heb [verdachte] afgelopen maanden veelvuldig tijdens mijn werkzaamheden gezien. Hierbij heb ik [verdachte] meerdere malen voor langere tijd waargenomen. De laatste keer dat ik [verdachte] heb gezien is niet langer dan twee (2) weken geleden.

Het tweede beeldfragment wat aan mij beschikbaar was gesteld en door mij werd bekeken was afkomstig van Cameratoezicht. Ik zag dat dit beeld gericht stond op de kruising van [straat 1] met [straat 4] . Ik zag dat er, om 04:28 uur, een donkergekleurd voertuig in beeld kwam. Ik zag dat het kenteken van dit

donkergekleurde voertuig betrof: [kentekennummer 1] . Ik zag dat dit voertuig ( [kentekennummer 1] ) vervolgens midden in het beeld tot stilstand kwam. Ik zag dat de bijrijder van dit voertuig ( [kentekennummer 1] ) hierna uitstapte. Ik zag dat deze man hetzelfde signalement had als eerder beschreven van [verdachte] . Ik herkende direct en zonder enige twijfel [verdachte] als de bijrijder die uitstapte uit het voertuig ( [kentekennummer 1] ).

Ik zag dat [verdachte] na het uitstappen iets uit zijn rechterjaszak haalde. Ik zag dat dit een op een vuurwapengelijkend voorwerp was. Ik zag dat [verdachte] dit op een vuurwapen gelijkende voorwerp in zijn rechterhand vasthield. Ik zag dat [verdachte] de bovenzijde van dit op een vuurwapen gelijkende voorwerp vasthield met zijn linkerhand en een beweging maakte wat leek op het doorladen van het vuurwapen. Ik zag dat [verdachte] het op een vuurwapen gelijkende voorwerp terug stopte in zijn jas zak. Ik zag dat [verdachte] uit het beeld van Cameratoezicht liep. Op de camerabeelden van supermarkt [supermarkt] [straat 1] zag ik dat deze [verdachte] zich bij eerder genoemde groep personen voor deze supermarkt voegde en onder andere een vuurwapen richtte en schoot, waarna [verdachte] uit beeld verdween van supermarkt City [straat 1] . Vervolgens zag ik [verdachte] op de camerabeelden van Cameratoezicht weer als bijrijder instappen in eerder genoemd voertuig ( [kentekennummer 1] ), waarop dit voertuig ( [kentekennummer 1] ) werd weggereden en uit beeld verdween bij de camera beelden van Camera toezicht die door mij werden bekeken.

8. Proces-verbaal van bevindingen

Op donderdag 4 mei 2023 heb ik, verbalisant, op verzoek van het onderzoeksteam, belast met voornoemd onderzoek Parel, een aantal camerabeelden bekeken die in het onderzoek waren veiliggesteld. Dit betroffen camerabeelden van 24 april 2023, omstreeks 04:30 uur, en waren afkomstig van camera's van Cameratoezicht en supermarkt [supermarkt] [straat 1] op [straat 1] in Rotterdam.

Op deze camerabeelden zag ik dat er een zwartkleurig personenvoertuig aan kwam gereden op [straat 1] . Ik zag dat dit voertuig stopte en een beetje schuin op de weg stil ging staan op [straat 1] , bij de kruising met [straat 4] . Ik zag dat dit personenvoertuig een zwartkleurige Volkswagen betrof en dat het kenteken van dit personenvoertuig op de camerabeelden te lezen was. Ik zag dat deze zwartkleurige Volkswagen voorzien was van kenteken: [kentekennummer 1] .

Vervolgens zag ik, verbalisant, op camerabeelden van Cameratoezicht dat het bijrijdersportier van voornoemde Volkswagen, voorzien van kenteken [kentekennummer 1] , op [straat 1] openging. Ik zag dat er vervolgens een man uit de Volkswagen ( [kentekennummer 1] ) stapte vanaf de bijrijdersplek. Ik zag dat deze man een capuchon over zijn hoofd had. Gezien het postuur, de manier van lopen en de vorm van het gezicht van deze man ben ik er redelijk zeker van dat deze man de mij ambtshalve bekende:

-- [verdachte] , geboren [geboortedatum 1] -1997 te [geboorteplaats 1] in [geboorteland] --

is.

Deze [verdachte] heb ik tijdens mijn werkzaamheden zeer regelmatig gezien en gesproken.

9. Proces-verbaal van de politieOp 24 april 2023 om 4:33 uur gingen wij naar [straat 1] te Rotterdam. Aldaar zou er geschoten zijn ter hoogte van [eethuis 1] . Vervolgens zijn wij in een linie in de richting van [straat 5] gelopen. Hier trof de [nummer 19] één kogelhuls aan. Dit was ter hoogte van [supermarkt] aan [straat 1] aan de zijde van [supermarkt] .

10. Deskundigenverslag

De afvuursporen in de huls [AAQI0997NL] worden verwacht wanneer deze is verschoten met een (semi-)automatisch werkend pistool van het kaliber 9mm Parabellum.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand