RECHTBANK ROTTERDAM
Wrakingskamer
zaaknummer: C/10/719982 HA RK 26-474
Beslissing van 24 augustus 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[bedrijf] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster,
strekkende tot de wraking van
mr. S.H. Poiesz,
kantonrechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1. De procedure
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de civiele zaak met zaaknummer 11740823 CV EXPL 25-13346 die op 19 mei 2026 mondeling is behandeld. Die zaak gaat over een geschil tussen [persoon A] (eiseres) en verzoekster over de terugbetaling van een borgsom en over de staat waarin de door eiseres van verzoekster gehuurde huurwoning na het einde van de huur verkeerde.
Het verloop van de wrakingsprocedure blijkt uit:
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling;
de schriftelijke reactie van de rechter van 30 juni 2026.
Het dossier van de zaak is ter beschikking gesteld van de wrakingskamer.
Het wrakingsverzoek is op de zitting van 13 augustus 2026 behandeld. De verzoekster werd vertegenwoordigd door haar directeur [persoon B] . Daarnaast is de rechter ter zitting verschenen.
2. Het wrakingsverzoek
Wrakingsgrond die in het proces-verbaal staat
Verzoekster heeft zoals blijkt uit het proces-verbaal van de zitting op 19 mei 2026 de volgende wrakingsgrond aangedragen: De gemachtigde van eiseres heeft de indruk gewekt dat hij ook namens haar medehuurster optrad en dat in deze zaak het totaalbedrag aan borg van hen beiden wordt teruggevorderd. De rechter is op de stoel van eiseres gaan zitten door te interpreteren en op te merken dat alleen de borg van eiseres werd teruggevraagd. Zij heeft de gemachtigde van eiseres verdedigd.
Bezwaren tegen het proces-verbaal
Op de zitting van de wrakingskamer heeft verzoekster daaraan toegevoegd dat het proces-verbaal van de zitting is geredigeerd en niet in de vraag/antwoordvorm is opgesteld. Daarom verzoekt zij om de griffier onder ede te laten horen en wil zij de ruwe aantekeningen van de griffier zien. Volgens verzoekster ontbreken in dat proces-verbaal ook wrakingsgronden. Dat betreft de grond dat de rechter onvoorbereid was en dat op de zitting ook heeft gezegd, dat zij niet doorvroeg, een kritiekloze houding had in het debat over de eindopname van de woning en dat zij de zitting niet direct heeft geschorst nadat verzoekster haar had gewraakt.
Overige bezwaren
Daarnaast heeft verzoekster op de zitting van de wrakingskamer aangevoerd dat de rechter eerder zaken van verzoekster heeft behandeld en dat zij ook toen op de stoel van de wederpartij is gaan zitten en dat er toen eigenlijk al aanleiding was om haar te wraken. In een van deze zaken heeft verzoekster het proces-verbaal van de zitting opgevraagd, maar heeft dit, ondanks vele herhaalde verzoeken, niet ontvangen. Ook hieruit volgt de vooringenomenheid van de rechter, aldus verzoekster. Zij voert verder aan dat er binnen de rechtspraak in zijn geheel sprake is van vooringenomenheid, met name tegen verhuurders. Daarbij is er een ‘publication bias’ omdat uitspraken van de wrakingskamer waarin rechters succesvol worden gewraakt en uitspraken waarin verhuurders in het gelijk worden gesteld, kennelijk opzettelijk niet worden gepubliceerd.
3. De beoordeling
Toetsingskader
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in het geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde vrees voor) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoekster die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan haar bekend zijn geworden.
Algemeen
De omstandigheden die verzoekster heeft aangevoerd bieden geen aanwijzing voor het oordeel dat de rechter door haar persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is.
Vervolgens moet worden onderzocht of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, toch een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoekster geuite vrees dat de rechter tegenover haar een vooringenomenheid koestert objectief gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoekster van belang, maar die is niet doorslaggevend.
De wrakingsgrond die in het proces-verbaal staat
De wrakingskamer stelt bij de beoordeling van deze grond het volgende voorop. Van belang is dat de rechter een aanzienlijke vrijheid heeft om regie te voeren en het verloop van de zitting en de wijze van behandeling te bepalen. Het is de rechter daarbij ook toegestaan partijen te ondervragen en te bepalen welke vragen aan wie worden gesteld. Dit kunnen ook kritische vragen zijn of stellingen waarop partijen kunnen reageren. Door het verkrijgen van reacties op die vragen en stellingen vergaart de rechter de benodigde informatie om tot een oordeel te kunnen komen. Een onwelgevallige vraag of opmerking van de rechter, dan wel het uitblijven van vragen, leidt daarom in beginsel niet tot het aannemen van (een gerechtvaardigde vrees voor) partijdigheid. De vrijheid van de rechter is echter niet onbegrensd. Wanneer de bewoordingen niet anders kunnen worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid, zijn deze kennelijk inderdaad daardoor ingegeven, althans kan de vrees daarvoor dan objectief gerechtvaardigd zijn. Dat laatste doet zich in dit geval niet voor.
De wrakingskamer stelt vast dat het geschil onder meer ziet op de terugbetaling van een borgsom. Eiseres bewoonde samen met een andere huurster een woning en zij hebben ieder een (deel van de) borgsom betaald. Volgens verzoekster heeft de gemachtigde van eiseres de indruk gewekt dat hij mede namens de andere huurster optrad, waarover verzoekster bij de mondelinge behandeling opmerkingen heeft gemaakt. In het proces-verbaal staat dat de rechter verzoekster daarop heeft voorgehouden dat uit de dagvaarding volgt dat de gemachtigde alleen maar optrad als gemachtigde van eiseres en dat de medehuurster dus geen partij is in het geschil. Een dergelijke uitlating over de afbakening van de omvang en de context van het geschil valt onder de regierol van de rechter en kan daarom niet tot een geslaagde wraking leiden. Tegen de achtergrond van de partijaanduidingen in de kop van de dagvaarding en de bewoordingen van het gevorderde aan het slot daarvan kan deze opmerking geenszins worden aangemerkt als blijk van een gebrek aan onpartijdigheid of de vrees daarvoor rechtvaardigen. De uitlatingen van de rechter hierover kunnen daarom niet leiden tot een geslaagde wraking.
Bezwaren tegen het proces-verbaal
De wet schrijft voor dat alle wrakingsgronden moeten worden voorgedragen zodra zij aan verzoeker zijn bekend geworden en dat die gronden tegelijk moeten worden aangedragen. De bezwaren die verzoekster tegen het proces-verbaal heeft kon zij niet op de zitting van 19 mei 2026, maar pas na ontvangst van dat proces-verbaal naar voren brengen. Daarom worden deze, hoewel pas in tweede instantie aangedragen, wel beoordeeld.
De wrakingskamer ziet geen grond voor een geslaagde wraking in de stelling dat het proces-verbaal van de zitting van 19 mei 2026 is geredigeerd. Hierbij is van belang dat het proces-verbaal volgens de wet een zakelijke weergave inhoudt van wat tijdens de mondelinge behandeling van de zaak is besproken. Er is geen verplichting dat in de vraag/antwoord vorm op te stellen. Dat de vragen die de rechter stelde niet zijn opgenomen in het proces-verbaal maakt dan ook niet dat daarmee de schijn van partijdigheid is gewekt. De wrakingskamer ziet alleen al om deze reden geen aanleiding om de griffier op te roepen en onder ede te horen over de totstandkoming en inhoud van het proces-verbaal. Evenmin ziet de wrakingskamer aanleiding om de ‘ruwe’ zittingsaantekeningen van de griffier op te vragen. Die verzoeken worden dus afgewezen.
De klachten van verzoekster dat in het proces-verbaal niet is opgenomen dat de rechter onvoorbereid was en dat op de zitting ook heeft gezegd, dat zij niet doorvroeg en een kritiekloze houding had, kunnen ook niet tot wraking leiden. De rechter heeft betwist dat op de zitting van 19 mei 2026 meer wrakingsgronden zijn aangevoerd dan in het proces-verbaal staan en zij heeft alle stellingen van verzoekster daarover betwist. Om te beginnen is er geen enkele reden om aan te nemen dat de rechter zich niet heeft voorbereid op de zitting en mocht dat al zo zijn, dan is daaraan geen aanwijzing voor gebrek aan onpartijdigheid te ontlenen. Ook indien de rechter op sommige punten niet heeft doorgevraagd en/of een kritiekloze houding had in een onderdeel van het debat, zou dat niet tot wraking kunnen leiden. Het is immers aan de rechter te bepalen hoe zij regie voert ter zitting en het onderzoek daar vormgeeft. De klacht dat over één en ander niets is opgenomen in het proces-verbaal kan alleen al daarom evenmin tot een geslaagde wraking leiden.
Hetzelfde lot treft de klacht dat in het proces-verbaal ontbreekt dat de rechter de zitting niet direct heeft geschorst. In het proces-verbaal staat dat de griffier, nadat verzoekster had aangekondigd de rechter te willen wraken, heeft gevraagd naar de gronden voor de wraking. Dit is toegestaan en zelfs wenselijk. Vervolgens zijn er door de rechter vragen ter verduidelijking gesteld, waarna verzoekster de rechter uiteindelijk daadwerkelijk heeft gewraakt. In deze gang van zaken ziet de wrakingskamer geen grond voor een geslaagde wraking.
De overige bezwaren
Verzoekster heeft tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek klachten naar voren gebracht over zaken van verzoekster die de rechter eerder heeft behandeld en klachten over de rechtspraak in het algemeen. Deze klachten vallen buiten het beoordelingsbereik van deze wrakingsprocedure. Ook deze kunnen dus niet leiden tot een geslaagde wraking van de rechter.
Slotsom
Gelet op het vorenstaande wordt het wrakingsverzoek afgewezen.
4. De beslissing
De wrakingskamer wijst het wrakingsverzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.J.P. van Essen, voorzitter, en mr. W.J.M. Diekman en mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechters, in aanwezigheid van
mr. B. Tijssen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.