ECLI:NL:RBROT:2026:11535

ECLI:NL:RBROT:2026:11535

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 21-08-2026
Datum publicatie 08-09-2026
Zaaknummer 10-068271-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

De verdachte wordt veroordeeld voor mishandeling en openlijke geweldpleging tegen een persoon. Conform de eis wordt een taakstraf van 100 uren opgelegd met aftrek van voorarrest. De vordering van de benadeelde partij wordt grotendeels toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-068271-23

Datum uitspraak: 21 augustus 2026

Datum zitting: 7 augustus 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats]

ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .

Advocaat van de verdachte: mr. S. Ben Ahmed

Officier van justitie: mr. T. van den Bergh

Benadeelde partij: [benadeelde partij]

Gemachtigde van de benadeelde partij: mr. S. Scherpenborg

Kern van het vonnis

De verdachte wordt veroordeeld voor mishandeling en het samen met anderen openlijk geweld plegen tegen een persoon. De rechtbank legt een taakstraf op van 100 uren met aftrek van voorarrest, zoals geëist door de officier van justitie. De vordering van de benadeelde partij wordt grotendeels toegewezen.

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – [slachtoffer 1] heeft mishandeld. Daarnaast wordt de verdachte ervan beschuldigd dat hij samen met anderen openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] , subsidiair dat hij hem samen met anderen heeft mishandeld.

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:

1.

hij op of omstreeks 16 oktober 2022 te Brielle

[slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] (met kracht) in het gezicht en/of tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of te duwen, waardoor die [slachtoffer 1] op de grond terechtkwam;

2.

hij op of omstreeks 16 oktober 2022 te Brielle

openlijk, te weten op de Schrijversdijk, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 2] door die [slachtoffer 2] (meermalen) (met kracht) tegen het lichaam en/of het hoofd en/of in het gezicht te slaan en/of te stompen en/of te schoppen en/of te trappen en/of te duwen, waardoor en/of nadat die [slachtoffer 2] op de grond terechtkwam;

subsidiair

hij op of omstreeks 16 oktober 2022 te Brielle

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 2] heeft mishandeld door (meermalen) (met kracht) tegen het lichaam en/of het hoofd en/of in het gezicht te slaan en/of te stompen en/of te schoppen en/of te trappen en/of te duwen, waardoor en/of nadat die [slachtoffer 2] op de grond terechtkwam.

2. Bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten 1 en 2 primair.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1 en 2 primair en subsidiair. De verweren van de verdediging met betrekking tot de feiten 1 en 2 primair worden weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen die hieronder zijn uitgewerkt.

Oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte [slachtoffer 1] heeft mishandeld en samen met anderen openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] . De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.

De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 1 en 2 primair

1. Verklaring van de verdachte

Ik was op 16 oktober 2022 in Brielle samen met [persoon A] . Toen we ’s avonds naar de taxi liepen kwamen we bij de rotonde een groep mensen tegen. Ik zag daar [persoon B] staan, het broertje van [persoon A] . Ik ben toen naar die groep toegelopen. Ik kreeg daar woorden met [slachtoffer 1] , die zich in die groep bevond.

Door mijn toedoen is [slachtoffer 1] achterover gevallen en kwam hij op de grond terecht. Ik zag dat er om mij heen gevochten werd.

Ten aanzien van feit 1 voorts

2. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 1]

Op 16 oktober 2022 was ik op stap geweest in Brielle. Ik zag toen dat [verdachte] met gebalde vuist om mijn vriendin heen sloeg en ik voelde dat hij mij met kracht tegen mijn linker kaak sloeg. De klap was zo hard dat ik gelijk op de grond viel.

3. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 2]

Op 16 oktober 2022 was ik in Brielle. Ik zag dat die jongen met zijn rechtervuist een klap tegen zijn rechter kaak gaf. Ik zag dat [slachtoffer 1] door die klap op de grond viel.

4. Proces-verbaal van de politie, verklaring [persoon C]

Opeens zag ik dat [verdachte] uit het niets om mij heen ging en [slachtoffer 1] op zijn gezicht sloeg. Ik zag dat [slachtoffer 1] hierdoor op de grond viel.

5. Proces-verbaal van de politie, verklaring [persoon B]

Ik zag dat [verdachte] met zijn vuist uithaalde en in het gezicht van [slachtoffer 1] sloeg. Ik zag dat [slachtoffer 1] door deze klap meteen op de grond viel.

Ten aanzien van feit 2 primair voorts

6. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 2]

Ik was die avond, 16 oktober 2022, in Brielle op de Schrijversdijk. Toen ik nabij de N218 was om over te steken, hier is een rotonde, zag ik dat er een hele groep jongeren stond. Ik ben toen gestopt.

Ik voelde vervolgens op mijn achterhoofd een harde klap. Ik voelde pijn. Door die klap viel ik op de grond. Ik zag toen dat er verschillende gasten uit het groepje naar mij toekwamen. Vervolgens voelde ik dat ik klappen en schoppen op mijn hoofd kreeg. Ik werd op diverse plekken op mijn hoofd geraakt. Ik voelde pijn door de klappen en schoppen op mijn hoofd.

Ik heb contact opgenomen met [slachtoffer 1] , [persoon B] en [persoon C] . Ze stuurden mij een foto door van twee mensen die mij geschopt en geslagen hadden.

De tweede herkende ik van de foto die ik doorgestuurd had kregen. De foto was van een Instagram account. Op het account staat de naam: [verdachte] .

7. Proces-verbaal van de politie, verklaring [persoon C]

Bij de rotonde zagen we een groep mensen staan. Wij zijn bij deze groep gestopt. Inmiddels kwamen er nog meer mensen bij. Een van deze jongens heet [verdachte] . [verdachte] vroeg aan [persoon B] wat er aan de hand was en wie ze aan moesten pakken. Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer 2] op zijn achterhoofd sloeg. Hierdoor viel [slachtoffer 2] over [slachtoffer 1] heen. Ik zag dat er meteen een man of 8 bovenop [slachtoffer 2] doken. Ik zag dat [slachtoffer 2] werd geschopt en geslagen. Ik zag dat [slachtoffer 2] opstond en het gevecht ging verder. Ik zag dat die 8 personen bleven slaan en schoppen.

8. Proces-verbaal van de politie, verklaring [persoon B]

Ik was die avond, 15 oktober 2022, uit geweest in Brielle. Toen ik richting huis liep zag ik mijn vrienden weer. Ook zag ik nog andere gasten staan.

Ik zag toen twee jongens aan komen lopen. Later had ik begrepen dat deze jongens [verdachte] en [persoon A] heten. Die [persoon A] is de broer van [persoon B] .

Ik zag dat [slachtoffer 2] werd geslagen op zijn achterhoofd. Ik zag dat er best wat mensen bij stonden. Ik zag dat [slachtoffer 2] meerdere klappen kreeg op zijn hoofd. Ik zag dat [slachtoffer 2] hierdoor op de grond viel. Ik zag dat [slachtoffer 2] werd geslagen en getrapt terwijl hij op de grond lag. Ik heb [verdachte] , [persoon B] en [persoon A] schoppende en slaande bewegingen zien maken. Ik zag dat [slachtoffer 2] helemaal onder het bloed zat in zijn gezicht.

9. Proces-verbaal van bevindingen van de politie

Ik heb de telefoon van de verdachte [verdachte] bekeken. Ik heb het WhatsApp gesprek met [persoon D] geopend. Ik zag dat [persoon D] op 16 oktober 2022 aan [verdachte] vroeg: “Hoezo heb je gevochten?” [verdachte] reageert hier op met: “Kan je tegen niemand wat zeggen over dat gevecht”. Ik heb een foto van dit gesprek hieronder toegevoegd [opmerking rechtbank: hierin is te lezen]:

[verdachte] : Die jongen heeft z’n neus gebroken en een scheurtje in z’n schedel. (…) Maar [persoon A] en ik hadden gewoon moeten weglopen. (…) Niet alleen wij hebben geslagen.

Vervolgens zag ik in de telefoon een WhatsApp gesprek tussen [verdachte] en [persoon A] . Dit gesprek gaat over de vechtpartij. Ik zie dat [verdachte] tegen [persoon A] zegt: “Beste niet meer over praten, want wordt gezegd dat ik die gasten heb geslagen.”

Ik heb een foto van dit gesprek hieronder toegevoegd [opmerking rechtbank: hierin is te lezen]:

[verdachte] : Je hebt die gozer wel echt goed geraakt dan maat jezus (…) Dat we hebben gevochten oké, maar iemand het ziekenhuis in geslagen dat gaat wel ver man.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

1.

hij op 16 oktober 2022 te Brielle

[slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] met kracht in het gezicht te slaan, waardoor die [slachtoffer 1] op de grond terechtkwam;

2 primair:

hij op 16 oktober 2022 te Brielle

openlijk, te weten op de Schrijversdijk, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 2] door die [slachtoffer 2] meermalen met kracht tegen het lichaam en het hoofd en in het gezicht te slaan en te schoppen en te trappen en, waardoor en nadat die [slachtoffer 2] op de grond terechtkwam.

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1

mishandeling

Feit 2 primair

openlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4. Straf

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor de feiten 1 en 2 primair worden veroordeeld tot een taakstraf van 100 uur met aftrek van voorarrest.

Standpunt van de verdediging

Primair wordt verzocht om toepassing te geven aan artikel 9a Sr zodat aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd. Subsidiair wordt verzocht om te volstaan met een geheel voorwaardelijke straf.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zich na een avond stappen schuldig gemaakt aan mishandeling en openlijke geweldpleging. Op de openbare weg is een ruzie ontstaan tussen de verdachte en de medeverdachten enerzijds en onder meer [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] anderzijds. De verdachte heeft het toen niet bij woorden gelaten en heeft [slachtoffer 1] zo hard op het gezicht gestompt dat hij daardoor op de grond is gevallen. Daarmee ontaardde de ruzie in een vechtpartij en is ook [slachtoffer 2] meermalen geslagen en geschopt. Ook hier heeft de verdachte zich niet onbetuigd gelaten. Door het handelen van de verdachte is een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en gezondheid van de slachtoffers. Als gevolg van het geweld heeft [slachtoffer 2] aanzienlijk lichamelijk letsel opgelopen, te weten een kleine fractuur van de schedelbasis, een fractuur van het voorhoofdsbot, een fractuur van het neusbeen en oogletsel.

Dit soort uitgaansgeweld heeft ook een negatieve invloed op de samenleving. Het gevoel van onveiligheid en de vrees dat er tijdens of na het stappen gewelddadige dingen kunnen gebeuren, worden hierdoor versterkt.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 juli 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.

De strafbare feiten hebben plaatsgevonden in 2022 en de verdachte is sindsdien, op één uitzondering na, niet weer met politie of justitie in aanraking gekomen.

Hoewel de verdachte onvoldoende verantwoordelijkheid neemt voor zijn eigen handelen, is op de zitting wel gebleken dat hij schuldbewust is en zich realiseert wat de gevolgen van zijn handelen zijn geweest. De verdachte heeft verder zijn leven goed op orde en het lijkt erop dat het om een heel naar, maar eenmalig, incident is gegaan.

Redelijke termijn

De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 24 januari 2023, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van ongeveer 3 jaar en 7 maanden verstreken.

Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden met ongeveer 1 jaar en 7 maanden.

Oplegging straf

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf passend is. Het achterwege laten van de oplegging van een straf of een geheel voorwaardelijk straf, zoals verzocht door de verdediging, acht de rechtbank niet passend gelet op de ernst van de feiten.

Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd, maar ook met de forse overschrijding van de redelijke termijn en het blanco strafblad van de verdachte. Daarom wordt conform de eis van de officier van justitie een taakstraf van 100 uur opgelegd.

5. Vordering van de benadeelde partij

Vordering [benadeelde partij]

[slachtoffer 2] heeft als benadeelde partij voor feit 2 € 1.178,- als vergoeding voor materiële schade en € 5.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade.

Standpunt van de verdediging

De gevorderde vergoeding van de kosten voor het sportschoolabonnement en de kosten in verband met de studievertraging worden betwist. De kosten voor de extra autorijlessen worden na de toelichting daarop ter zitting niet meer weersproken. De gevorderde vergoeding voor de immateriële schade dient te worden gematigd.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De benadeelde partij heeft rechtstreeks materiële schade geleden als gevolg van het onder 2 primair gepleegde strafbare feit.

De verdediging heeft de vordering niet inhoudelijk betwist ten aanzien van de reiskosten (€ 219,40), de kosten voor de voetbalcontributie (€ 49,75) en de autorijlessen (€ 795,-). Deze gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. Dit deel van de vordering wordt daarom toegewezen.Uit de stukken blijkt dat de benadeelde partij na zes weken weer is gaan werken en weer tweemaal per week is gaan stappen, hetgeen ter zitting is bevestigd. De gevorderde kosten voor de sportschool worden daarom voor een beperktere periode toegewezen, omdat onvoldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij drie maanden niet heeft gesport vanwege het letsel dat hij door het strafbare feit heeft opgelopen. Tot een bedrag van € 52,95, is de vordering wel voldoende onderbouwd en heeft de verdediging hiertegen onvoldoende ingebracht. Voor het overige worden de gevorderde kosten voor de sportschool afgewezen.

Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de studievertraging heeft de verdediging betwist. Hoewel studievertraging op zich niet ondenkbaar is heeft de benadeelde partij dit verder niet onderbouwd. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit betekent dat de verdachte € 1.117,10 als vergoeding van de materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit onder 2 primair rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen, te weten een fractuur van de schedelbasis, een fractuur van het voorhoofdsbot, een fractuur van het neusbeen en oogletsel.

Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 5.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting over het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en de indeling volgens de ‘Rotterdamse Schaal’ voor smartengeldbedragen bij gezichtsletsel.

Hoofdelijke veroordeling

De verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met anderen gepleegd. De rechtbank heeft niet vastgesteld in hoeverre die anderen verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor de aan de benadeelde partij toegebrachte schade. Omdat hoofdelijke toewijzing van de vergoeding van letselschade niet is gevorderd zal de rechtbank zich niet ambtshalve uitlaten over de hoofdelijkheid van die vordering. Dit laat een eventueel regresrecht van de verdachte onverlet.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 16 oktober 2022.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij grotendeels wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 55 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

6. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57, 141 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

7. Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 primair, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 100 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat 96 uur taakstraf moet worden verricht;

beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 48 dagen;

Vordering benadeelde partij

veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde partij] (feit 2 primair) te betalen een bedrag van € 6.117,10, bestaande uit € 1.117,10 als vergoeding van materiële schade en € 5.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 16 oktober 2022 tot de dag van volledige betaling.

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het deel van de vordering dat ziet op de studiekosten (feit 2 primair); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 2 primair de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat € 6.117,10 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2022 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 55 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

8. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. G.C. Bos, voorzitter,

en mrs. C.G. van de Grampel en M. van den Bossche, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. D.W.G. Bakker en M.M. Dijk, griffiers,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 21 augustus 2026.

Mrs. G.C. Bos en M. van den Bossche zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G.C. Bos

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand