RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12144195 CV EXPL 26-7236
datum uitspraak: 21 augustus 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Onderlinge Waarborgmaatschappij DSW Zorgverzekeraar U.A.,
vestigingsplaats: Schiedam,
eiseres,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘DSW’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 26 februari 2026, met bijlagen;
het antwoord;
de repliek, met een bijlage;
de dupliek, met bijlagen;
de rolbeslissing van 19 juni 2026;
de akte uitlating van DSW.
2. De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
[gedaagde] had in 2025 een zorgverzekering bij DSW. Voor de maand februari 2025 moest [gedaagde] in totaal € 207,50 aan premie en aanvullende verzekering betalen, maar dat heeft zij niet gedaan. DSW eist in deze procedure betaling van dit bedrag met bijkomende kosten.
[gedaagde] geeft aan dat de eis klopt, maar dat zij de vordering wil meenemen in een schuldhulpverleningstraject.
DSW heeft op het antwoord van [gedaagde] gereageerd en aangegeven dat zij de executiemaatregelen voor maximaal 6 maanden zal opschorten als zij uiterlijk 11 februari 2026 een ondertekende stabilisatieovereenkomst en/of verzoek tot saldo-opgave van [gedaagde] ontvangt in het kader van schuldhulpverlening.
[gedaagde] heeft vervolgens stukken ingediend.
De uitkomst
De eis van DSW wordt toegewezen. Hierna wordt toegelicht waarom.
[gedaagde] moet de achterstallige premie en aanvullende verzekering betalen
De geëiste hoofdsom wordt toegewezen op basis van de feiten die in de dagvaarding staan. [gedaagde] heeft namelijk aangegeven dat de eis klopt.
DSW heeft [gedaagde] nog een kans gegeven om de executiemaatregelen op te schorten, maar die kans heeft [gedaagde] niet benut. Zij heeft wel stukken over het schuldhulpverleningstraject ingediend, maar niet de stukken waar DSW om heeft gevraagd.
[gedaagde] moet incassokosten van € 48,40 betalen
De incassokosten van € 48,40 worden ook toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
[gedaagde] moet rente betalen
De rente wordt toegewezen, omdat DSW genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan DSW moet betalen op € 153,77 aan dagvaardingskosten, € 139,- aan griffierecht, € 87,- aan salaris voor de gemachtigde (1 punt) en € 43,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 423,27. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat DSW dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan DSW te betalen € 268,54 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over € 207,50 vanaf de dag van dagvaarding tot de dag dat volledig is betaald;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van DSW worden begroot op € 423,27;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
43416