ECLI:NL:RBROT:2026:11560

ECLI:NL:RBROT:2026:11560

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 04-09-2026
Datum publicatie 08-09-2026
Zaaknummer ROT 25/2884
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst. In deze zaak heeft de rechtbank geoordeeld dat de nabestaanden geen belanghebbenden zijn bij een toekenning van een tegemoetkoming waarop de persoon in kwestie op grond van het Tijdelijk Besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst recht zou kunnen hebben gehad. Het mogelijke recht op het eenmalig bedrag is geen voor overgang vatbaar recht. Omdat de nabestaanden niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt, kan het verzoek dat zij hebben gedaan niet worden gekwalificeerd als een aanvraag. Het gevolg daarvan is dat de afwijzing van het verzoek door de SVB niet kan worden aangemerkt als een besluit. Omdat geen sprake is van een besluit, kon hiertegen geen bezwaar worden gemaakt. De SVB heeft dit ten onrechte niet onderkend. De SVB had het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank voorziet vervolgens zelf in de zaak.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2026 in de zaak tussen

de erven van [persoon A] , uit [woonplaats] , eisers

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/2884

en

(gemachtigde: mr. G.E. Eind).

Procesverloop

Op 1 augustus 2024 hebben eisers een aanvraag ingediend om een tegemoetkoming op grond van het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst (TBSH).

Met het besluit van 22 augustus 2024 (het primaire besluit) heeft de SVB de aanvraag van eisers afgewezen.

Met het besluit van 17 februari 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eisers is de SVB bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres] (dochter en tevens erfgenaam van [persoon A] ) en de gemachtigde van de SVB. Ter zitting heeft [eiseres] , met instemming van de gemachtigde van de SVB, pleitnotities overgelegd. Eveneens ter zitting heeft [eiseres] een verklaring van erfrecht overgelegd. De rechtbank heeft de stukken aan het dossier toegevoegd.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Op 25 november 1975 is Suriname onafhankelijk geworden van het Koninkrijk der Nederlanden. Voor die datum heeft een groep rijksgenoten Suriname verlaten om zich in Nederland te vestigen en de Nederlandse nationaliteit te behouden. Bij de opbouw van het AOW-pensioen zijn de jaren waarin deze groep mensen in Suriname woonden niet meegerekend. Om die reden is voor elk jaar dat niet is meegerekend een korting van 2% op het AOW-pensioen toegepast en heeft deze groep mensen geen volledig AOW-pensioen kunnen opbouwen. Dit werd als onrecht ervaren. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft met het TBSH als gebaar van erkenning aan ouderen van Surinaamse afkomst een eenmalig bedrag van € 5.000,- per persoon beschikbaar gesteld, mits wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn neergelegd in artikel 3 van het TBSH.

Op [datum van overlijden] is de heer [persoon A] overleden. Op 1 augustus 2024 hebben eisers, als erven van de heer [persoon A] , een aanvraag ingediend om een tegemoetkoming op grond van het TBSH.

Met het primaire besluit heeft de SVB de aanvraag afgewezen, omdat de heer [persoon A] reeds in 2021 is overleden, terwijl de belanghebbende van het eenmalig bedrag op 1 juni 2024 in leven diende te zijn om op de tegemoetkoming aanspraak te maken. Volgens de SVB is door het ministerie niet voorzien in een mogelijkheid om het eenmalig bedrag postuum aan te vragen.

Op 3 oktober 2024 hebben eisers een bezwaarschrift ingediend.

Vervolgens heeft de SVB het bestreden besluit genomen. De SVB is bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Beoordeling door de rechtbank

Standpunt eisers

3. Eisers stellen zich op het standpunt dat de afwijzing van de aanvraag in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Eisers voeren aan dat zij als nabestaanden van de heer [persoon A] recht hebben op het eenmalig bedrag dat aan ouderen van Surinaamse afkomst wordt toegekend op grond van het TBSH, omdat de heer [persoon A] aan alle voorwaarden voor toekenning voldeed. In het TBSH is niet expliciet opgenomen dat niet wordt uitgekeerd aan nabestaanden. Bovendien was de overheid al in 2020 actief bezig met (het voorbereiden van) een regeling. De heer [persoon A] leefde toen nog. Uit de totstandkomingsgeschiedenis blijkt dat bekend was dat de doelgroep op leeftijd was en dat spoed noodzakelijk was. De lange duur van het politieke en administratieve traject mag niet tot gevolg hebben dat de meest kwetsbare groep buiten de regeling valt door overlijden voordat uitbetaling plaatsvindt. Ook wordt voorbijgegaan aan vergelijkbare regelingen, zoals de Tijdelijke regeling eenmalige uitkering Dutchbat-III-veteranen (Tijdelijke regeling Dutchbat-III-veteranen) en de Tijdelijke regeling financiële tegemoetkoming voor slachtoffers van geweld in de jeugdzorg (Tijdelijke regeling slachtoffers jeugdzorg), op basis waarvan wel aan nabestaanden werd uitgekeerd. Dat is in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Bovendien miskent de afwijzing van de aanvraag het leed en het ervaren onrecht van de heer [persoon A] . Het bestreden besluit is in strijd met het evenredigheidsbeginsel.

Zijn eisers belanghebbenden?

4. Allereerst moet de rechtbank ambtshalve beoordelen of eisers kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden bij toekenning van een tegemoetkoming, waarop de heer [persoon A] op grond van het TSBH recht zou kunnen hebben gehad. Dat is relevant, omdat alleen een belanghebbende een aanvraag kan doen. Onder belanghebbende wordt verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

5. De rechtbank komt tot het oordeel dat eisers geen belanghebbenden zijn bij een toekenning van een tegemoetkoming, waarop de heer [persoon A] op grond van het TSBH recht zou kunnen hebben gehad. Uit artikel 4:182, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek volgt dat met het overlijden van de erflater de erfgenamen van rechtswege opvolgen in zijn voor overgang vatbare rechten. Naar het oordeel van de rechtbank is het mogelijke recht van de heer [persoon A] op het eenmalig bedrag geen voor overgang vatbaar recht in de zin van dat artikel (nog los van de omstandigheid dat dat recht ten tijde van zijn overlijden nog niet bestond, omdat het TSBH toen nog niet in werking was getreden). Uit de totstandkomingsgeschiedenis van het TBSH en de omschrijving van het doel in artikel 2 van het TBSH blijkt dat het eenmalig bedrag bedoeld is als gebaar van erkenning dat bestemd is voor ouderen van Surinaamse herkomst die zelf naar Nederland zijn gekomen voordat Suriname onafhankelijk is geworden en in eigen persoon een gevoel van onrecht hebben ervaren. Dat blijkt ook expliciet uit een verklaring van de minister tijdens een commissiedebat van de Tweede Kamer van 29 juni 2023. Tijdens dat debat heeft de minister verklaard dat het eenmalig bedrag waar het in het TBSH om gaat “echt voor de mensen zelf [is], dus niet voor de nabestaanden”. Het vorderingsrecht heeft dus een persoonlijk karakter en is daarom niet overdraagbaar. Dat betekent dat eisers de heer [persoon A] niet zijn opgevolgd in zijn (toekomstige) vorderingsrecht op grond van het TBSH en dus dat zij geen belanghebbenden zijn.

Wat eisers verder hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Dat onder andere regelingen, zoals de Tijdelijke regeling Dutchbat-III-veteranen en de Tijdelijke regeling slachtoffers jeugdzorg, wel aan nabestaanden is uitgekeerd, betekent niet dat ook onder het TBSH aan nabestaanden moet worden uitgekeerd. In die regelingen is immers – anders dan in het TSBH – expliciet opgenomen dat ook aan nabestaanden wordt uitgekeerd. Alleen al om die reden slaagt het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet. Er is immers geen sprake van gelijke regelingen en dus niet van gelijke gevallen. Aan de beoordeling van het beroep op het evenredigheidsbeginsel komt de rechtbank niet toe. Het evenredigheidsbeginsel houdt in dat de voor een belanghebbende nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Echter, zoals de rechtbank hierna zal oordelen (onder 6), is in deze zaak geen sprake van een besluit.

6. Omdat eisers niet als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kunnen worden aangemerkt, kan het verzoek dat eisers hebben gedaan om een tegemoetkoming niet worden gekwalificeerd als aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Als gevolg daarvan kan de afwijzing van het verzoek door de SVB niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Awb, omdat aan die afwijzing geen rechtsgevolgen zijn verbonden (terwijl dat wel het geval is als sprake is van een besluit). Omdat geen sprake is van een besluit, hebben eisers met inachtneming van artikel 1:5, eerste lid, van de Awb daartegen geen bezwaar kunnen maken. Immers, alleen tegen een besluit in de zin van de Awb kan bezwaar worden gemaakt. De SVB heeft dit ten onrechte niet onderkend. De SVB had het bezwaar niet ongegrond, maar niet-ontvankelijk moeten verklaren. De rechtbank is daarom van oordeel dat het beroep gegrond moet worden verklaard.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak voorzien door het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Omdat het beroep gegrond is, moet de SVB het griffierecht aan eisers vergoeden.

Eisers hebben het formulier proceskosten bestuursrecht ingevuld en verzocht om een vergoeding van de reiskosten van € 20,30 en verletkosten van € 3.267, waarvan een bedrag van € 1.089,- aan kosten voor het bijwonen van de zitting en een bedrag van € 2.178,- aan kosten voor de (voorbereiding van de) bezwaar- en beroepsprocedure.

De rechtbank overweegt dat eisers niet in aanmerking komen voor een proceskostenvergoeding voor de (voorbereiding van de) bezwaar- en beroepsprocedure. Uit artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) volgt dat dergelijke kosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen als het gaat om kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Eisers hebben het beroepschrift (en de nadere stukken) zelf geschreven en zijn niet bijgestaan door een professioneel gemachtigde, waardoor van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand geen sprake kan zijn. Omdat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij daadwerkelijk inkomsten hebben misgelopen, wordt het verzoek om verletkosten voor het verschijnen op zitting afgewezen. De reiskosten van eisers voor het bijwonen van de zitting komen wel voor vergoeding in aanmerking tot een bedrag van € 11,60 op basis van openbaar vervoer tweede klas.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 17 februari 2025;

- verklaart het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treeft van het vernietigde bestreden besluit;

- bepaalt dat de SVB het griffierecht van € 53,- aan eisers moet vergoeden;

- veroordeelt de SVB in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 11,60.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B. Plomp, rechter, in aanwezigheid van mr. S. de Bloois, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand