Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-169779-24
Datum uitspraak: 3 februari 2026
Datum zitting: 20 januari 2026
Verstek
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats],
ingeschreven op het adres [adres], [postcode] te [plaatsnaam].
Officier van justitie: mr. E. ter Braak
Kern van het vonnis
De verdachte wordt veroordeeld voor het samen met anderen verrichten van voorbereidingshandelingen voor de handel in cocaïne. De verdachte wordt vrijgesproken van het voorhanden hebben van een vuurwapen. De rechtbank legt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden. Dit is lager dan de straf die door de officier van justitie is geëist.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor de handel in cocaïne en dat hij een vuurwapen voorhanden heeft gehad.
De volledige tenlastelegging (hierna: beschuldiging) houdt in dat
1
hij, op een of meerdere momenten in of omstreeks de periode van 19 maart 2023 tot en met 20 maart 2023, te Capelle aan den IJssel, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,
voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van een onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn/haar mededaders, wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door
- via zijn Snapchat-account "[account 1]" contact te onderhouden met verschillende (onbekend gebleven) personen en/of
- met deze personen (telkens) de (ver)koop van cocaïne te bespreken en/of
- foto’s te versturen van voornoemde (blokken) cocaïne en/of
- afspraken te maken over prijzen die voor voornoemde cocaïne betaald moeten worden;
2
hij, in of omstreeks de periode van 19 maart 2023 tot en met 20 maart 2023, te Capelle aan den IJssel, althans in Nederland,
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool/revolver, van het merk Smith & Wesson, kaliber .32 zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad.
2. Bewijs feit 1 / vrijspraak feit 2
Vordering van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten 1 en 2.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1
hij, op meerdere momenten in de periode van 19 maart 2024 tot en met 20 maart 2024, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk verkopen en verstrekken,
van een onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
door
- via zijn Snapchat-account contact te onderhouden met verschillende onbekend gebleven personen en
- met deze personen (telkens) de (ver)koop van cocaïne te bespreken en
- foto’s te versturen van voornoemde (blokken) cocaïne en
- afspraken te maken over prijzen die voor voornoemde cocaïne betaald moeten worden.
Kennelijke verschrijving
Op de tenlastelegging staat dat de verdachte onder 1 ten laste wordt gelegd dat hij het desbetreffende strafbaar feit heeft gepleegd in of omstreeks ‘de periode van 19 maart 2023 tot en met 20 maart 2023’.
Naar het oordeel van de rechtbank bevat dit onderdeel van de tenlastelegging een kennelijke verschrijving wat betreft het jaartal van de pleegdatum, en heeft de opsteller evident bedoeld ten laste te leggen dat het onder 1 tenlastegelegde is begaan in of omstreeks ‘de periode van 19 maart 2024 tot en met 20 maart 2024’. Ter onderbouwing geldt dat uit het politiedossier en met name de daarin opgenomen chatgesprekken blijkt dat de tenlastegelegde gedragingen onmiskenbaar in de periode van 19 maart 2024 tot en met 20 maart 2024 hebben plaatsgevonden en er in het dossier geen chatgesprekken zijn opgenomen waaruit dezelfde gedragingen volgen in de periode maart 2023. Hierover kan ook geen onduidelijkheid hebben bestaan bij de verdachte. De rechtbank zal de tenlastelegging op dit punt verbeterd lezen.
Bewijsmiddel feit 1
De bewezenverklaring van feit 1 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van het bewijsmiddel en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Proces-verbaal van de politie
Op 20 maart 2024 werd verdachte [verdachte] ([geboortedatum]-1996) aangehouden. Onder [verdachte] werd onder meer een iPhone 14 in beslag genomen. Dit telefoontoestel werd digitaal uitgelezen en de inhoud ervan werd beschikbaar gesteld aan het onderzoeksteam. Hieronder volgen de bevindingen tot dit toestel.
Het Snapchat-account [account 1]/[account 2] is in gebruik bij verdachte [verdachte]. Dit blijkt onder meer uit feit dat [verdachte] als ‘owner’ bij het Snapchat-account [account 1]/[account 2] in de telefoon vermeld staat:
[account 3] [account 4]
[account 5] [account 6]
[account 1] [account 2] (owner)
Uit de groepschat op Snapchat tussen [account 2], [account 4] en [account 6] blijkt het volgende.
Van
Datum Tijd (UTC+0)
Inhoud
[account 2]
19-03-2024 20:06:19
Is er spullen
[account 2]
19-03-2024 20:24:00
?
[account 4]
19-03-2024 20:43:55
Morgen zeker
[account 4]
19-03-2024 20:44:10
Deze komt
[account 4]
19-03-2024 20:44:11
In het telefoontoestel werd een video van een wit blok ingepakt in geel karton/papier met het rode logo van Lipton aangetroffen. Dit filmpje was op de telefoon terecht gekomen op 19-03-2024 om 20:40:20 (UTC +0) Hieronder enkel schermafbeeldingen van het filmpje.
[account 2]
19-03-2024 20:44:30
Word gebroken
[account 4]
19-03-2024 20:44:52
Ja
[account 2]
19-03-2024 20:45:02
Oké prijs
[account 4]
19-03-2024 20:45:32
25
[account 2]
19-03-2024 20:45:42
Gvd hey
[account 4]
Broeder er is geen sannie
In de Snapchat conversatie tussen [account 2] (owner) en [account 7] vond op 19 maart 2024 het volgende gesprek plaats:
[account 2]
19-03-2024 20:49:45
[account 2]
19-03-2024 20:52:36
Help me ermee noh baaas
[account 7]
19-03-2024 20:54:17
Kan je breken
[account 7]
19-03-2024 20:54:27
Doe wat met die prijs
[account 2]
19-03-2024 20:55:27
Ja kan breken.
[account 7]
19-03-2024 20:55:36
Oké ik check je Tamara bewaar die liter
[account 2]
19-03-2024 20:55:36
15.5
[account 7]
19-03-2024 20:55:39
En doe wat met die kaulo prijs
[account 2]
19-03-2024 20:55:41
Oke
In de telefoon is gezocht naar wat rond 19-03-2024 rond 20:49:45 uur op de telefoon stond. Op de telefoon stond een video met het tijdstip 19-03-2024 20:49:39 (UTC+0). Het betrof witte brokken ingepakt in zwart karton/papier met het logo van Visa. Hieronder enkele schermafbeeldingen van de video:
In de groepschat tussen [account 2] (owner), [account 4] en [account 6] op Snapchat vond onderstaande conversatie plaats op 19 maart 2024 rond 20.57 uur (UTC +0):
[account 2]
19-03-2024 20:56:56
[account 2]
19-03-2024 20:57:17
Mattie van me heeft al maanden hij kan niks mee
[account 4]
19-03-2024 21:19:55
Hoeveel wilt hij ervoor
[account 2]
19-03-2024 21:20:50
16.5
In de telefoon werd een video gevonden van een wit blok, met de letters Visa, en deze video had het tijdstip 19-03-2024 20:56:58 (UTC +0). Hieronder enkele schermafbeeldingen van de video:
In de Snapchat conversatie tussen [account 2] en [account 8] vond op 20 maart 2024 om 15:03 uur (UTC +0) het volgende gesprek plaats:
[account 2]
20-03-2024 15:02:40
A heb 2l sani liggen
[account 2]
20-03-2024 15:02:42
[account 2]
20-03-2024 15:02:55
Vanaf gister heb ze nog niet eens bekeken
[account 2]
20-03-2024 15:03:02
Uit de video's aangetroffen op de telefoon van verdachte [verdachte] verstuurde hij om 15:03:01 (UTC +0) de video van het witte blok met Lipton logo:
En om 15:03:58 uur de video met het witte blok met het Visa logo:
Vervolgens gaat de conversatie tussen [account 2] en [account 8] als volgt verder:
[account 8]
20-03-2024 15:03:02
Neeeeeehoh gek
[account 8]
20-03-2024 15:03:03
Hoedaannnn
[account 8]
20-03-2024 15:03:06
Hahahahahahah check ze man
[account 8]
20-03-2024 15:03:30
Zien er orgieeeenuit
[account 2]
20-03-2024 15:03:37
Is bij lengte wollah gister was laat geworden door vasten maar eentje word gebroken mattie van me laat hem zo weer ophalen
[account 2]
20-03-2024 15:03:43
En andere kan k miss zo kwijt
[account 2]
20-03-2024 15:03:49
En die visa kan k zo ook kwijt
Bewijsmotivering
Identificatie verdachte
Uit de chatconversaties kan worden opgemaakt dat [account 1]/[account 2] met [account 4], [account 7] en [account 8] het hebben over mogelijke aan- en verkoop van sani en/of sannie hetgeen ‘cocaïne’ betekent. In dit verband wordt er gesproken over het regelen van kopers, het breken van de blokken, het laten ophalen van de blokken en de prijzen van de blokken. Daarnaast worden er ter onderbouwing van de koopwaar video’s gestuurd van meerdere witkleurige blokken (met opdruk). Deze berichten zijn voldoende specifiek om ze aan te merken als voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet.
Op grond van het voorgaande en de inhoud van de voornoemde bewijsmiddelen is het feit wettig en overtuigend bewezen.
Partiële vrijspraak invoer van harddrugs
Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet bewezen dat de verdachte samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor de invoer van harddrugs. De rechtbank baseert zich hierbij op de chatgesprekken die de verdachte op 19 en 20 maart 2024 heeft gevoerd. In deze gesprekken wordt niets gezegd dat wijst op handelingen ter voorbereiding op de invoer van harddrugs. Dat de verdachte in een gesprek op 15 mei 2023 zou hebben gesproken over het uittrekken van een bak met een PIN, maakt dit niet anders nu dit buiten de tenlastegelegde periode valt.
Vrijspraak feit 2 (voorhanden hebben vuurwapen)
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een wapen, in de zin van artikel 26 van de Wet wapens en munitie, is vereist dat bij de verdachte een zekere mate van bewustheid bestaat omtrent de aanwezigheid van dat wapen en dat de verdachte daarover kan beschikken.
De inhoud van het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om vast te kunnen stellen of de verdachte het tenlastegelegde wapen voorhanden heeft gehad. In de chatgesprekken wordt weliswaar gesproken over de verkoop van een vuurwapen, maar daarmee is niet gegeven dat de verdachte de beschikking had over dat vuurwapen. Niet uit te sluiten valt dat de verdachte dit wapen voor iemand anders verkocht en aldus bemiddelde in de verkoop zonder dat hij de beschikkingsmacht over het wapen had. Het bemiddelen in de verkoop van een wapen is evenwel niet ten laste gelegd.
Aldus is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
t.a.v. feit 1: medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen,
meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten 1 en 2 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft gedurende twee dagen samen met anderen voorbereidingshandelingen verricht voor de handel in cocaïne. Hij heeft berichten uitgewisseld over de mogelijke koop en verkoop van blokken cocaïne, en het in dit verband gehad over de prijzen van deze blokken, het breken van de blokken en het laten ophalen van deze blokken. Ook heeft hij video’s gestuurd van meerdere witkleurige blokken (met opdruk). Met zijn handelen was de verdachte een schakel in de handel in harddrugs. Harddrugs vormen een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en de handel daarin gaat vaak gepaard met andere vormen van ernstige (gewelds)criminaliteit. Dit vergroot de gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De verdachte is niet ter zitting verschenen om verantwoording af te leggen voor zijn handelen maar de rechtbank gaat ervan uit dat hij uitsluitend gedreven is geweest door eigen gewin. Tegen drugshandel moet, ook als het gaat om voorbereidende handelingen, streng worden opgetreden.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 9 januari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf. Artikel 63 Sr is van toepassing, hetgeen de rechtbank op strafverminderende wijze meeweegt.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Uit de aard van de door de verdachte verzonden berichten in de chatgesprekken leidt de rechtbank af dat de verdachte een bepalende rol had bij de mogelijke koop en verkoop van de cocaïne. Dit weegt de rechtbank strafverzwarend mee. De verdachte heeft het feit samen met anderen gepleegd, hetgeen de rechtbank ook strafverzwarend meeweegt. Daarom wordt een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden opgelegd.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.
5. In beslag genomen voorwerpen
Oordeel van de rechtbank
Verbeurdverklaring
Als bijkomende straf voor feit 1 wordt de in beslag genomen iPhone 14 met zilverkleurige/witte achterkant (goedcode: [nummer 1]) verbeurdverklaard. Er zijn geen aanwijzingen dat de verdachte hierdoor onevenredig in zijn inkomen en vermogen wordt getroffen. Hierbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat een iPhone 14 niet een hele grote waarde vertegenwoordigt. De iPhone 14 is vatbaar voor verbeurdverklaring. Het strafbare feit is met behulp van de iPhone 14 gepleegd. De iPhone 14 behoort aan de verdachte toe.
Teruggave
De rechtbank beslist tot de teruggave van de in beslag genomen zwarte iPhone 11 (goedcode: [nummer 2]) aan de verdachte.
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 33, 33a, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en het artikel 10a van de Opiumwet.
7. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte feit 1, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden;
In beslag genomen voorwerpen
- verklaart de iPhone 14 met zilverkleurige/witte achterkant (goedcode [nummer 1]) verbeurd voor feit 1;
- beveelt de teruggave van de zwarte iPhone 11 (goedcode [nummer 2]) aan de verdachte.
8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.F. Koekebakker, voorzitter,
en mrs. A. Boer en L.N. Foppen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.D. Bijl, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 3 februari 2026.