RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/724619 / FA RK 26-6451
Datum uitspraak: 10 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over de voorlopige voogdij
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen: de Raad, gevestigd in Rotterdam
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de GI, gevestigd in Amsterdam.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt het schriftelijke verzoek van de Raad (met bijlagen) van vandaag mee in de beoordeling.
2. De feiten
De moeder van [minderjarige] , [de moeder] , is op [datum] 2026 overleden. Zij was alleen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . Door haar overlijden wordt het gezag over [minderjarige] door niemand meer uitgeoefend, waardoor er voor hem geen belangrijke beslissingen meer genomen kunnen worden.
[minderjarige] verblijft bij [zorginstelling] .
3. Het verzoek
De Raad verzoekt de GI te belasten met de voorlopige voogdij over [minderjarige] en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
4. De beoordeling
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. De Raad heeft op 5 augustus 2026 van de begeleidster van [minderjarige] van [zorginstelling] vernomen dat er zaken vastlopen die geregeld moeten worden voor [minderjarige] na het overlijden van zijn moeder, zoals het openen van een bankrekening en het regelen van financiële zaken. Deze zaken lopen vast omdat niemand bevoegd is dit voor [minderjarige] te regelen. Diverse familieleden zijn betrokken, maar ook zij hebben geen bevoegdheid. De Raad heeft dit met [minderjarige] besproken en hij vindt het goed dat de GI de voorlopige voogdij gaat uitoefenen.
De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] niet onder het wettelijk vereiste gezag staat. Daarom is de kinderrechter van oordeel dat het dringend en onmiddellijk noodzakelijk is om in de gezagsuitoefening over [minderjarige] te voorzien om zijn belangen te kunnen behartigen.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] . De Raad, de GI en [minderjarige] worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op de hierna te noemen zittingsdatum. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5. De beslissing
De kinderrechter:
belast de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd in Amsterdam, met de voorlopige voogdij over [minderjarige] ;
stelt vast dat de voorlopige voogdij van rechtswege na drie maanden eindigt, tenzij voor het einde van die termijn aan de rechtbank een voorziening in het gezag over [minderjarige] is verzocht. De voorlopige voogdij loopt dan door totdat op dat verzoek is beslist;
bepaalt dat aan de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering alle bevoegdheden worden toegekend ten aanzien van de persoon en het vermogen van [minderjarige] die in zijn belang zijn;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister;
en alvorens te beslissen:
bepaalt dat het verhoor van de Raad en de GI zal plaatsvinden op 18 augustus 2026 om 15.30 uur in het gerechtsgebouw van de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, Steegoversloot 36 in Dordrecht;
de zaak zal op laatstgenoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter;
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de Raad en de GI;
gelast de oproeping van [minderjarige] voor een apart kindgesprek.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. R. van der Zeeuw als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.