RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer 1] – [nummer 2]
Vonnis van 4 september 2026
op het verzoek van
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende te [straatnaam], [postcode] te [woonplaats],
verzoekster.
1. De procedure
Verzoekster heeft op 16 juni 2026, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:
- de heer [naam 1], in behandeling bij Karansingh Gerechtsdeurwaarders (hierna: [naam 1]);
die weigert mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Ter zitting van 28 augustus 2026 zijn verschenen en gehoord:
Schuldhulpverlening heeft na de zitting, op 1 en 3 september 2026, aanvullende stukken aan de rechtbank toegezonden.
De uitspraak is bepaald op heden.
2. Het verzoek
Verzoekster heeft via haar beschermingsbewindvoerder in 2023 haar schulden gesaneerd door aan haar schuldeisers een saneringskrediet aan te bieden. Alle schuldeisers hebben met dat aangeboden akkoord ingestemd. De schuldeisers hebben hun uitkering inmiddels ontvangen. Nadien is gebleken dat in die schuldregeling de vordering van [naam 1] niet is meegenomen. Op dit moment heeft verzoekster volgens het ingediende verzoekschrift één concurrent schuldeiser: [naam 1]. [naam 1] heeft in totaal een bedrag van € 9.549,27 van verzoekster te vorderen. Verzoekster heeft in eerste instantie aan [naam 1] via een eenmalige extra inleg een uitkering van € 1.080,70 aangeboden ter finale kwijting. Deze uitkering is berekend op hetzelfde percentage als de schuldeisers in de eerder tot stand gekomen schuldregeling hebben ontvangen (11,43%). [naam 1] heeft daarmee niet ingestemd. Verzoekster heeft [naam 1] vervolgens een schuldregeling aangeboden, die inhoudt dat geen uitdeling zal plaatsvinden en waarbij aan [naam 1] verzocht wordt de betreffende schuld kwijt te schelden. Daarbij heeft verzoekster uit de door haar via haar beschermingsbewindvoerder buiten het vrij te laten bedrag gereserveerde gelden een eenmalige extra inleg gedaan van € 1.353,23 die bij aanvaarding van het aangeboden akkoord aan [naam 1] zal toekomen. Uit de na de zitting door schuldhulpverlening toegezonden aanvullende stukken van 1 en 3 september 2026 is gebleken dat de eenmalige extra inleg zal worden verhoogd met een bedrag van € 1.625,46, bestaande uit de door de beschermingsbewindvoerder van verzoekster na het aangeboden akkoord gereserveerde gelden, waardoor nu in totaal een eenmalig bedrag van € 2.978,69 aan [naam 1] kan worden uitgekeerd.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar Participatiewet-uitkering. Verzoekster is door de gemeente Rotterdam ontheven van haar arbeidsverplichtingen van 30 oktober 2025 tot en met 29 oktober 2026. Ter zitting heeft schuldhulpverlening verklaard dat het niet onaannemelijk is dat de ontheffing van de arbeidsverplichtingen zal worden verlengd. Volgens de aangeboden schuldregeling zal de eenmalige extra inleg in een keer aan [naam 1] worden uitgekeerd. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden door haar beschermingsbewindvoerder voldaan.
[naam 1] stemt hier niet mee in. Hij heeft een vordering van € 9.549,27 op verzoekster, die 100% van de totale schuldenlast beloopt.
3. Het verweer
[naam 1] heeft zich kort samengevat en voor zover juridisch relevant op het volgende standpunt gesteld. [naam 1] heeft verzoekster geld geleend om een oplossing te zoeken voor haar schuldenproblematiek. De afspraken tussen [naam 1] en verzoekster zijn schriftelijk vastgelegd in een geldleningsovereenkomst. Verzoekster heeft het geleende geld kennelijk niet aangewend om haar schulden af te lossen. Ook is de vordering van [naam 1] niet meegenomen in de eerdere schuldregeling van verzoekster. [naam 1] twijfelt dan ook aan de goede trouw van verzoekster bij het ontstaan van zijn vordering. Bij vonnis van 26 september 2025 is de vordering van [naam 1] op verzoekster toegewezen. Het vertrouwen van [naam 1] in verzoekster is ernstig beschadigd. Daarnaast betwijfelt [naam 1] of het door verzoekster gedane aanbod het maximaal haalbare is. Het voorstel is gebaseerd op de inkomsten die verzoekster ontvangt uit een Participatiewet-uitkering. Verzoekster heeft weliswaar een ontheffing voor de arbeidsverplichtingen van de gemeente overgelegd, maar deze ontheffing is niet met medische stukken onderbouwd.
4. De beoordeling
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [naam 1] bij zijn weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [naam 1] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en het belang van verzoekster die door de weigering wordt geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van [naam 1] een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 100%.
De rechtbank stelt vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Geldplein. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster niet beschikt over betaald werk. Verzoekster ontvangt inkomen uit een Participatiewet-uitkering. Verzoekster is door de gemeente Rotterdam ontheven van haar arbeidsverplichtingen voor de periode van 30 oktober 2025 tot en met 29 oktober 2026. Schuldhulpverlening heeft na de zitting nog aanvullende stukken toegezonden, waaronder een verklaring van de huisarts van verzoekster en een verzoek om de grondslag van het bewind van verzoekster te wijzigen naar lichamelijke en/of geestelijke toestand. Voor de rechtbank is het niet onaannemelijk dat de ontheffing van de arbeidsverplichtingen door de gemeente Rotterdam zal worden verlengd. In ieder geval is voldoende aannemelijk geworden dat verzoekster in de komende periode geen inkomen zal kunnen verwerven dat hoger is dan haar huidige inkomen.
Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor [naam 1] dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoekster van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoekster zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling [naam 1] minder zal opleveren dan de eenmalige extra inleg van € 2.978,69 die bij het akkoord wordt aangeboden. Daar komt nog bij dat een eventuele bate voor [naam 1] pas aan het einde van de schuldsaneringsregeling wordt uitgekeerd, terwijl de aangeboden regeling erin voorziet dat het aangeboden bedrag ineens en op korte termijn betaalbaar wordt gesteld.
Ter zitting is de gang van zaken omtrent het ontstaan van de vordering van [naam 1] aan de orde gekomen. [naam 1] heeft aangevoerd dat verzoekster niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de vordering. Bij de belangenafweging als bedoeld in artikel 287a lid 5 van de Faillissementswet hoeft de aard van de vordering geen doorslaggevende rol te spelen, maar kan die het belang van die schuldeiser bij diens weigering benadrukken. De rechtbank begrijpt dat het bijzonder wrang is voor [naam 1] dat verzoekster in zijn veronderstelling het van hem geleende bedrag niet heeft gebruikt voor het afgesproken doel, vervolgens heeft nagelaten dit bedrag aan hem terug te betalen en ook niet zijn vordering heeft meegenomen in een eerdere schuldregeling. Wat dat betreft is begrijpelijk dat [naam 1] niet wil instemmen met het aanbod. Verzoekster heeft ter zitting verklaard wel degelijk enkele schuldeisers met het van [naam 1] geleende bedrag te hebben betaald en dat zij vervolgens weer in de financiële problemen is gekomen, waardoor zij het van [naam 1] geleende bedrag nu niet kan terugbetalen. In de veronderstelling van verzoekster zou haar vorige beschermingsbewindvoerder de vordering van [naam 1] in de schuldregeling meenemen, maar dat is kennelijk niet gebeurd.
Afgezet tegen een gunstiger resultaat voor [naam 1] bij aanvaarding van het akkoord en het feit dat de wetgever voor ogen heeft gehad dat elke schuldenaar perspectief op een schuldenvrije toekomst moet krijgen, is de rechtbank van oordeel dat de aard van de vordering niet van doorslaggevende betekenis is.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoekster die vanuit een stabiele situatie haar schuldenproblematiek wil oplossen, zwaarder wegen dan die van [naam 1], die geweigerd heeft in te stemmen.
Het verzoek om [naam 1] te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
[naam 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekster niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekster zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden en dat zij niet verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- beveelt [naam 1] om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt [naam 1] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. van Eeden-van Harskamp, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 4 september 2026.