Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10.001570.26
Datum uitspraak: 1 juli 2026
Datum zitting: 17 juni 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] [woonplaats] ,
gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] .
Advocaat van de verdachte: mr. O. Saki
Officier van justitie: mr. K. Broere
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat – hoeveelheden heroïne heeft bereid, bewerkt of verwerkt en voorhanden heeft gehad en dat hij voorbereidingshandelingen met betrekking tot de handel in harddrugs heeft verricht. Bovendien zou de verdachte een vuurwapen voorhanden hebben gehad.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
1.
hij op of omstreeks 2 januari 2026 te Rotterdam, op/nabij de Van Swietenlaan
(nummer [huisnummer A] ) en/of de Slinge (nummer [huisnummer B] ), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
-202, 85 kilogram heroïne (Van Swietenlaan) en/of
-1,19 kilogram heroïne (Slinge ), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
subsidiair:
een tot op heden onbekend gebleven persoon of personen op of omstreeks 2
januari 2026 te Rotterdam, op/nabij de Van Swietenlaan (nummer [huisnummer A] ) en/of de
Slinge (nummer [huisnummer B] ),
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk
heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- 202, 85 kilogram heroïne en/of
- 1,19 kilogram heroïne ,in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 2 januari 2026
te Rotterdam opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft
en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door zijn woning en/of tuinhuisje ter beschikking te stellen;
2.
hij op of omstreeks 2 januari 2026 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen van heroïne in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te
plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van
dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen
voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door
- een grote hoeveelheid versnijdingsmiddel voorhanden te hebben en/of
- een of meer gegevensdragers voorhanden te hebben en/of
- een of meer persen en/of mallen en/of zeven en/of een weegschaal voorhanden te
hebben.
3.
hij op of omstreeks 2 januari 2026 te Rotterdam,
- een wapens als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en
munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk/ type Zev Zev Il Mode Glock 43x en/of
- daarbij behorende kogelpatronen (11 stuks) en/of een patroonmagazijn voorhanden heeft gehad.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het voorhanden hebben van ruim 200 kilo heroïne (ten laste gelegd onder feit 1 primair), het verrichten van voorbereidingshandelingen voor de handel in verdovende middelen door het voorhanden hebben van een pers, drugsmallen, zeven en een weegschaal (ten laste gelegd onder feit 2), en het voorhanden hebben van een vuurwapen met patroonmagazijn en bijbehorende munitie (ten laste gelegd onder feit 3). De verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde medeplegen en van het bij feit 2 ten laste gelegde voorhanden hebben van versnijdingsmiddelen en gegevensdragers. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft primair aangevoerd dat de doorzoeking van het tuinhuis met nummer 132 onrechtmatig is geweest en zich op het standpunt gesteld dat de resultaten daarvan moeten worden uitgesloten van het bewijs. Subsidiair heeft de verdediging deels vrijspraak bepleit van feit 1 in die zin dat de verdachte betwist dat hij wetenschap had van de verdovende middelen die zijn aangetroffen in zijn woning aan de [adres 1] in Rotterdam. Daarnaast kan niet worden bewezen dat sprake is geweest van het bereiden, bewerken of verwerken van heroïne, en medeplegen. Ten aanzien van feit 2 is aangevoerd dat, mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, die beperkt dient te worden tot de in het tuinhuis aangetroffen goederen. Ten aanzien van feit 3 is aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte in totaal ruim 204 kilo heroïne voorhanden heeft gehad, dat hij voorbereidingshandelingen met betrekking tot de handel in harddrugs heeft verricht en dat hij een vuurwapen met bijbehorend patroonmagazijn en 11 kogels voorhanden heeft gehad. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de in bijlage 1 opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
Bewijsmotivering
2.3.2.1. Rechtmatigheidsverweer doorzoeking tuinhuis [nummer tuinhuis]
Door de verdediging is aangevoerd dat sprake is geweest van een onrechtmatige doorzoeking van het tuinhuis [nummer tuinhuis] aan de [adres 2] te Rotterdam. Het tuinhuis was de feitelijke verblijfplaats van de verdachte, hij leefde en sliep daar, hetgeen ook zichtbaar was doordat er een deken en kussen op de bank lag. Het tuinhuis moet worden beschouwd als woning. Dit maakt dat de politie op het moment van binnentreden niet zonder meer had mogen doorgaan met de zoeking alsof sprake was van een gewone plaats maar eerst een machtiging van de rechter-commissaris had moeten vragen. Hiermee is het huisrecht als bedoeld in artikel 8 EVRM geschonden en is er sprake van een onherstelbaar vormverzuim vanwege het ontbreken van de toets door de rechter-commissaris die niet heeft plaatsgevonden. Dit dient primair te leiden tot bewijsuitsluiting van alle onderzoeksresultaten; subsidiair tot strafvermindering.
Is er sprake van een vormverzuim?
Een woning betreft elke afgesloten ruimte die door een persoon als woon- of verblijfplaats wordt gebruikt en waar deze persoon zijn huisrecht geniet. Uit het dossier blijkt dat het tuinhuisje was ingericht als woning en als zodanig kon worden gebruikt. Het was voorzien van een keuken, toilet, douche, en er stond een bank waarop een deken en kussen lag. Ook is gebleken dat de verdachte daar regelmatig ’s nachts verbleef. Dit betekent dat voor een doorzoeking van het tuinhuis [nummer tuinhuis] een daaraan voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris was vereist. Nu deze machtiging ontbreekt is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een onherstelbaar vormverzuim.
Welk rechtsgevolg?
Bij de vraag of, en zo ja, welke rechtsgevolgen aan een vormverzuim moeten worden verbonden dient de rechter rekening te houden met de in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren, te weten het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt. Bij de beoordeling van de ernst van het verzuim zijn de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan. Bij de beoordeling van het veroorzaakte nadeel is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. Tot slot is van belang dat – gelet op de beoordelingsfactoren als bedoeld in artikel 359a, tweede lid, Sv – het wettelijk stelsel zo moet worden opgevat dat een vormverzuim in de zin van dat artikel niet steeds behoeft te leiden tot een van de daar omschreven rechtsgevolgen.
De rechtsgevolgen die door de rechter aan een vormverzuim kunnen worden verbonden zijn – oplopend in zwaarte – de constatering van het verzuim zonder rechtsgevolg, strafvermindering, bewijsuitsluiting, en in het uiterste geval de niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie. In dit kader overweegt de rechtbank het volgende.
Het belang van het in het onderhavige geval geschonden voorschrift is gelegen in de bescherming van het huisrecht, een fundamenteel recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer zoals (onder meer) vastgelegd in artikel 8 EVRM. Dit betreft een belangrijk voorschrift. Daartegenover staat (met betrekking tot de ernst van het verzuim) dat naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een (doel)bewuste schending van het onderhavige voorschrift. Daarnaast geldt dat er geen feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken die erop wijzen dat de rechter-commissaris geen machtiging zou hebben verleend indien deze was gevraagd. Derhalve is niet aannemelijk dat het vormverzuim tot gevolgen heeft geleid die er niet waren geweest indien de procedure op de juiste wijze was gevolgd.
Door het vormverzuim is het recht van de verdachte op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, zoals (onder meer) gewaarborgd in artikel 8 EVRM, geschonden. Het daardoor concreet ontstane nadeel is naar het oordeel van de rechtbank evenwel zeer beperkt, indien al aanwezig, gelet op het feit dat - afgezien van een brief met zijn naam en adres daarop -geen persoonlijke gegevens en/of spullen van de verdachte zijn aangetroffen. Er is derhalve in niet meer dan geringe mate inbreuk gemaakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. De rechtbank merkt ten slotte op dat de verdachte door het vormverzuim niet in zijn verdedigingsbelangen is geschaad; daarbij betrekt de rechtbank dat het belang van de verdachte dat een gepleegd strafbaar feit niet wordt ontdekt, niet als een rechtens te respecteren belang kan worden aangemerkt. De rechtbank volstaat dan ook met de constatering van het vormverzuim zonder daaraan een rechtsgevolg te verbinden. Dit maakt dat alle onderzoeksresultaten voor het bewijs kunnen worden gebruikt.
2.3.2.2. Nadere bewijsoverwegingen
De verdachte huurde het tuinhuis [nummer tuinhuis] aan de Slinge in Rotterdam, en was eigenaar van de woning aan de [adres 1] te Rotterdam, waar hij ook stond ingeschreven. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat in de twee panden bij elkaar een hoeveelheid van ruim 204 kilo heroïne is aangetroffen en in de Van Swietenlaan bovendien een vuurwapen. Door de verdediging is aangevoerd dat de verdachte wel wetenschap had van de heroïne die is aangetroffen in het tuinhuisje, maar dat de woning aan de Van Swietenlaan door de verdachte was verhuurd en hij geen wetenschap had van de daar aangetroffen heroïne en het vuurwapen.
Het door de verdachte aangevoerde alternatieve scenario is echter op geen enkele wijze aannemelijk geworden, omdat er geen objectieve aanknopingspunten zijn die dit scenario ondersteunen. Zo is er geen huurcontract overgelegd, kan de verdachte geen namen geven van eventuele huurders of aantonen dat hij van hen betalingen heeft ontvangen voor de huur van de woning. Ook heeft hij geen aannemelijke verklaring gegeven voor het aantreffen van zijn DNA op het vuurwapen, waaronder op de binnenzijde van de loop. Uit het dossier blijkt bovendien dat tussen 23 december 2025 en 2 januari 2026 de telefoon van de verdachte in de nachtelijke uren het meest gebruik maakte van twee zendmasten waarbij de Van Swietenlaan in het zendgebied valt. Het dossier bevat daarnaast geen enkele aanwijzing dat iemand anders dan de verdachte gebruik maakte van de woning aan de [adres 1] . Daar komt bij dat ook in het tuinhuisje heroïne is aangetroffen, waar de verdachte volgens zijn eigen verklaring wél wetenschap van had. Ook uit overige bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte zich bezighield met heroïne. Het verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er geen bewijs is dat de verdachte de heroïne heeft bereid, bewerkt of verwerkt, dat hij voorbereidingshandelingen heeft verricht, anders dan door het voorhanden hebben van een pers, drugsmallen, zeven en een weegschaal, en evenmin dat hij de bewezen feiten samen met een ander heeft gepleegd. Van deze onderdelen wordt de verdachte dan ook vrijgesproken.
2.3.2.3. Conclusie
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van ruim 204 kilo heroïne, aan voorbereidingshandelingen door het voorhanden hebben van goederen geschikt voor het bereiden, bewerken en verwerken van verdovende middelen en aan het voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorend patroonmagazijn en munitie.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
1.
Hij op 2 januari 2026 te Rotterdam, op de Van Swietenlaan (nummer [huisnummer A] ) en de Slinge (nummer [huisnummer B] ), opzettelijk aanwezig heeft gehad,
-202,85 kilogram heroïne (Van Swietenlaan) en
-1,19 kilogram heroïne (Slinge ) zijnde heroïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
2
Hij op of omstreeks 2 januari 2026 te Rotterdam, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken van heroïne in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- voorwerpen, stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door
een of meer persen en/of mallen en/of zeven en/of een weegschaal voorhanden te
hebben.
3.
Hij op omstreeks 2 januari 2026 te Rotterdam,
- een wapens als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en
munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk/ type Zev II Mode Glock 43x en
- daarbij behorende kogelpatronen (11 stuks) en een patroonmagazijn
voorhanden heeft gehad.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1 primair
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 2
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor
te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
Feit 3
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6,5 jaar.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat bij een veroordeling bij het bepalen van de straf in strafmatigende zin rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, met name die verband houden met zijn zieke dochter alsmede ook met zijn proceshouding. Hij heeft verantwoordelijkheid genomen voor zijn eigen rol bij de aanwezigheid van heroïne in zijn tuinhuisje.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft een grote hoeveelheid heroïne en een vuurwapen aanwezig gehad. Daarnaast had verdachte goederen aanwezig die duiden op het bereiden, bewerken en verwerken van harddrugs. Verdachte is daardoor medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van harddrugs veroorzaken. Harddrugs zijn sterk verslavend en zijn schadelijk voor de gezondheid. Dit geldt voor heroïne nog meer dan voor andere harddrugs. Verslaafden plegen vaak vermogensdelicten om in hun gebruik te kunnen voorzien.
Daarnaast heeft verdachte met zijn handelen bijgedragen aan de ondermijnende criminaliteit die gepaard gaat met georganiseerde drugshandel. Verder heeft hij zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en bijbehorende munitie. Het ongecontroleerde bezit van wapens kan in het algemeen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich meebrengen en een gevoel van onveiligheid in de maatschappij veroorzaken. De verdachte heeft door zijn handelen aan dit alles bijgedragen.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 22 mei 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Gelet op het voorgaande wordt een gevangenisstraf van 42 maanden opgelegd.
5. In beslag genomen voorwerpen
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het in beslag genomen geldbedrag van € 3.000,- kan worden teruggegeven aan de verdachte.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank beslist tot de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag van € 3.000,-
aan de verdachte.
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, en 10a van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
7. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair, 2 en 3, zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 42 maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
In beslag genomen voorwerpen
- beveelt de teruggave van het geldbedrag van € 3.000,00 aan de verdachte.
8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J. de Lange, voorzitter,
en mrs. H.C. van Vuren en D. van Putten, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 1 juli 2026.
Mr. D. van Putten is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.