RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/6305
(gemachtigde: mr. M.C. van Meppelen Scheppink),
en
(gemachtigde: mr. J.C. Avedissian).
Deze uitspraak gaat over het intrekken van een parkeervergunning voor een bewoner (hierna: parkeervergunning). Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de parkeervergunning van eiser heeft mogen intrekken. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Op 26 maart 2025 heeft het college eiser te kennen gegeven dat het voornemens was om zijn parkeervergunning in te trekken. Eiser is daarbij in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na die datum een zienswijze in te dienen. Eiser heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.
Bij besluit van 23 april 2025 (hierna: het primaire besluit) heeft het college de parkeervergunning van eiser ingetrokken met ingang van 1 mei 2025. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 4 juli 2025 (hierna: het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en daarbij een aanvullend stuk overgelegd.
Eiser heeft een aanvullend beroepschrift ingediend en daarbij aanvullende stukken overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam].
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
1. Het college heeft aan het primaire besluit het volgende ten grondslag gelegd. Het appartementencomplex van eiser, te weten het [naam appartementencomplex], beschikt over een bijbehorende of toegewezen parkeervoorziening zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid onder b, van het Uitvoeringsbesluit Parkeren Rotterdam 2025 (hierna: het Uitvoeringsbesluit). Eiser voldoet daarmee niet aan de voorwaarden voor het verlenen van een parkeervergunning genoemd in artikel 2, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit en het college is daarom op grond van artikel 16, eerste lid onder b, bevoegd de parkeervergunning in te trekken. Het college ziet geen aanleiding om de hardheidsclausule van artikel 17 van het Uitvoeringsbesluit (hierna: de hardheidsclausule) toe te passen. Het doel van het Uitvoeringsbesluit is namelijk het reguleren van parkeerdruk en het toepassen van de hardheidsclausule zou in dit geval tegenstrijdig zijn aan dit doel. Het college heeft dit besluit met het bestreden besluit gehandhaafd.
Standpunt eiser
2. Eiser voert aan dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat het [naam appartementencomplex] over een bijbehorende of toegewezen parkeervoorziening beschikt. In het bestreden besluit heeft het college niet toegelicht waar het zijn conclusie op baseert. Eiser is aangewezen op het parkeren op straat. Dit blijkt volgens eiser uit de reeds in bezwaar overgelegde verklaring van Schep Vastgoedmanagers en ook uit de in beroep overgelegde stukken. Deze stukken betreffen de splitsingsakte van het [naam appartementencomplex], een stuk waaruit blijkt dat de betreffende parkeergarage deel gaat uitmaken van het Unilever-gebouw en schermafbeeldingen van Google Maps waarop de feitelijke situatie te zien is. Verder doet eiser een beroep op de hardheidsclausule. Hij beschikt al sinds 2017 over de betreffende parkeervergunning en het plotseling intrekken van deze parkeervergunning is onevenredig. In ieder geval had het college eiser een langere overgangsperiode moeten gunnen.
Het oordeel van de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of het college de parkeervergunning van eiser heeft kunnen intrekken. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
De rechtbank stelt vast dat het college zijn conclusie dat het [naam appartementencomplex] over een bijbehorende of toegewezen parkeervoorziening beschikt, baseert op een ‘pandkaart’ uit 1989 (hierna: de pandkaart). Het college heeft deze pandkaart eerder niet genoemd in de besluitvorming en het college heeft deze pandkaart evenmin aan eiser verstrekt tijdens de bezwaarprocedure. Eiser wist hierdoor pas in de beroepsfase waar het college de conclusie op baseerde dat het [naam appartementencomplex] over een bijbehorende of toegewezen parkeervoorziening beschikt. De rechtbank is van oordeel dat het college hiermee heeft gehandeld in strijd met het motiveringsbeginsel van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit dient vernietigd te worden. De rechtbank ziet in dit specifieke geval wel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Hiervoor is het volgende van belang.
Volgens gevestigde rechtspraak volgt uit de definitie van artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit dat sprake is van een “bijbehorende of toegewezen parkeervoorziening” als de volgende drie deelvragen bevestigend worden beantwoord:
beschikt de parkeervoorziening over een eigen dan wel gezamenlijke toegang?
blijkt uit een omgevingsvergunning of enig ander document dat de parkeervoorziening behoort bij of toegewezen is aan het gebouw of gebouwencomplex?
is de parkeergelegenheid bestemd voor het parkeren van motorvoertuigen van eigenaren of houders, die wonen of werken op het adres van het gebouw of gebouwencomplex waarbij deze voorziening behoort of waaraan deze voorziening is toegewezen?
De parkeervoorziening in kwestie betreft een parkeergarage gelegen aan het [adres 1] (hierna: de parkeergarage). De parkeergarage is, zoals te zien is op de door eiser overgelegde schermafbeeldingen, afgesloten met een rolluik en is daardoor afgescheiden van de openbare weg. De rechtbank is dan ook van oordeel dat aan de eerste voorwaarde wordt voldaan. De omstandigheid dat de parkeergarage niet rechtstreeks vanuit het [naam appartementencomplex] toegankelijk is, maakt dit niet anders. Uit de eerste deelvraag blijkt namelijk niet dat dit van belang is.
De rechtbank is verder van oordeel dat ook aan de tweede en derde voorwaarde wordt voldaan. Op de pandkaart staat namelijk letterlijk dat de parkeergarage een parkeergarage is ‘ten behoeve van de bewoners van de appartementen aan het [adres 2]’. Eiser woont in het appartement aan het [adres 3]. De omstandigheid dat eiser op dit moment feitelijk geen toegang heeft tot de parkeergarage, omdat de parkeergarage nu feitelijk zou worden gebruikt door werknemers en bezoekers van Unilever, doet niet af aan het feit dat die parkeergarage behoort bij of toegewezen is aan het [naam appartementencomplex] en dus ook bestemd is voor de bewoners van het [naam appartementencomplex]. Deze omstandigheid betreft een privaatrechtelijke aangelegenheid tussen eiser als huurder, zijn verhuurder en de eigenaar van de parkeergarage. Het college heeft op de zitting toegelicht dat het een ‘parkeereis’ stelt wanneer ergens een appartementencomplex wordt gebouwd. Dat betekent concreet dat aangetoond moet worden dat er genoeg parkeerplaatsen zullen zijn voor de toekomstige bewoners. Daarbij is het uitgangspunt dat parkeerplaatsen op straat bedoeld zijn voor bewoners van woningen zonder bijbehorende of toegewezen parkeervoorziening, bezoekers van de bewoners of bezoekers van in de wijk gelegen voorzieningen. Om die reden is in dit geval de betreffende parkeergarage gebouwd. Het college kan er bij het reguleren van de parkeerdruk geen rekening mee houden dat een eigenaar van zo’n parkeergarage het gebruik hiervan op enig moment feitelijk anders invult dan oorspronkelijk de bedoeling was. De rechtbank kan dit standpunt volgen. De splitsingsakte die eiser heeft overgelegd, leidt de rechtbank evenmin tot een andere conclusie. Daaruit kan namelijk slechts worden opgemaakt of een bepaald appartementsrecht mede een parkeerplaats betreft. Dat een appartementsrecht niet mede een parkeerplaats betreft, betekent echter niet dat de parkeergarage niet kan gelden als bijbehorende of toegewezen parkeervoorziening zoals bedoeld in artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit. Daarvoor zijn immers de onder 3.1 genoemde voorwaarden van belang.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het [naam appartementencomplex] beschikt over een bijbehorende of toegewezen parkeervoorziening zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid onder b, van het Uitvoeringsbesluit. Eiser voldoet daarmee niet aan de voorwaarden voor het verlenen van een parkeervergunning genoemd in artikel 2, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit, zodat het college op grond van artikel 16, eerste lid onder b, in beginsel bevoegd is om de parkeervergunning in te trekken.
Met het college is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het intrekken van zijn parkeervergunning, gelet op het belang van de regulering van de parkeerdruk, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Het college was dan ook niet gehouden om de hardheidsclausule toe te passen. Het college heeft daarbij terecht gewezen op de omstandigheid dat toepassing van de hardheidsclausule in dit geval juist tegenstrijdig is aan het doel van het Uitvoeringsbesluit, te weten het reguleren van de parkeerdruk.
Verder is de rechtbank van oordeel dat in het geval van eiser niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het intrekken van de parkeervergunning onevenredig is. Het verliezen van de parkeervergunning is inherent aan het besluit en kan daarom niet als bijzondere omstandigheid gelden. Daar komt bij dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen gebruik kan maken van een andere parkeervoorziening in de buurt. De rechtbank begrijpt dat het besluit van het college om zijn parkeervergunning na 8 jaar in te trekken voor eiser als een verrassing kwam. Toch maakt het feit dat eiser al zo lang over de betreffende parkeervergunning beschikte het intrekken daarvan niet onevenredig. De gevolgen van het intrekken van een parkeervergunning blijven immers hetzelfde, ongeacht hoe lang iemand die parkeervergunning al heeft. De rechtbank constateert dat het college eiser tot twee keer toe een tijdelijke parkeervergunning voor de duur van één jaar heeft verstrekt. Daarmee heeft het college eiser naar het oordeel van de rechtbank meer dan voldoende tijd gegeven om te anticiperen op de nieuwe situatie. De rechtbank volgt het standpunt van eiser dat het college hem een ruimere overgangsperiode had moeten gunnen dus niet.
Alles overziend heeft het college de parkeervergunning van eiser kunnen intrekken.
Conclusie en gevolgen
4. Gelet op wat onder 3.1 is overwogen, is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand laten.
5. Omdat het beroep gegrond is, dient het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht te vergoeden. Verder veroordeelt de rechtbank het college in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. de Vries, rechter, in aanwezigheid van G.L. Bolkestein, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.