ECLI:NL:RBROT:2026:11639

ECLI:NL:RBROT:2026:11639

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 02-09-2026
Datum publicatie 10-09-2026
Zaaknummer ROT 25/5938
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Afwijzing aanvraag VOG. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaatsnaam], eiser

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/5938

(gemachtigde: mr. A.J. Mewe),

en

(gemachtigde: mr. T.C. Tesselhof).

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag voor een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG). Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van eisers aanvraag. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Eiser heeft op 23 november 2024 een VOG aangevraagd die nodig is voor het verkrijgen van een ondernemersvergunning voor taxivervoer.

De staatssecretaris heeft eiser op 16 december 2024 te kennen gegeven dat zij voornemens was om eisers aanvraag af te wijzen. Daarbij is eiser in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken een zienswijze in te dienen.

Op 19 december 2024 heeft eiser een zienswijze ingediend.

Bij besluit van 23 januari 2025 (hierna: het primaire besluit) heeft de staatssecretaris eisers aanvraag afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 23 juni 2025 (hierna: het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris eisers bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

Eiser heeft een aanvullend beroepschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

1. De staatssecretaris heeft aan het primaire besluit het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is bij vonnis van 18 juli 2024 veroordeeld tot 50 dagen jeugddetentie waarvan 11 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren wegens het in bezit hebben van een vuurwapen en acht kogelpatronen op 15 april 2024. Bovendien is hem bij strafbeschikking van 4 februari 2025 een geldboete opgelegd van € 225,- wegens het in bezit hebben van een kogelpatroon op 13 december 2024. Deze justitiële gegevens vormen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering voor een behoorlijke uitoefening van de functie van taxiondernemer. Daarmee is voldaan aan het objectieve criterium. Bovendien weegt het belang van het beschermen van de maatschappij zwaarder dan eisers persoonlijke belang bij het kunnen uitoefenen van de functie van taxiondernemer. Het subjectieve criterium geeft daarmee geen aanleiding om, ondanks dat is voldaan aan het objectieve criterium, alsnog een VOG te verstrekken. De staatssecretaris heeft dit standpunt met het bestreden besluit gehandhaafd.

Standpunt eiser

2. Eiser betoogt dat de staatssecretaris ten onrechte heeft geconcludeerd dat het belang van het beschermen van de maatschappij zwaarder weegt dan zijn persoonlijk belang bij het kunnen uitoefenen van de functie van taxiondernemer. De staatssecretaris had eisers aanvraag daarom, ondanks dat is voldaan aan het objectieve criterium, op grond van het subjectieve criterium moeten toewijzen. De staatssecretaris heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de hiervoor bedoelde belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. Bovendien is geen, althans onvoldoende, rekening gehouden met de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn begaan. Eiser is weliswaar veroordeeld voor vuurwapenbezit, maar hij kreeg het betreffende vuurwapen in zijn handen gedrukt op een moment dat de politie naderde en hij heeft dit vuurwapen dus maar heel kort in zijn bezit gehad. Dit feit kan hem dan ook niet zwaar worden aangerekend. Bovendien vloeit het incident waarbij eiser één kogelpatroon in zijn bezit had hieruit voort, in die zin dat op de dag waarop eiser het vuurwapen in zijn bezit kreeg blijkbaar een kogelpatroon in zijn auto is blijven liggen waar hij totdat de politie dit vond niets vanaf wist. De staatssecretaris ziet daarom volgens eiser het vuurwapenbezit en het in bezit hebben van een kogelpatroon ten onrechte als twee aparte incidenten. Verder blijkt uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 9 juli 2024 dat de aard van het vuurwapenbezit in contrast staat tot de beschermende factoren en de positieve ontwikkelingen in het leven van eiser. Het risico op recidive wordt door de Raad als laag ingeschat. De staatssecretaris heeft deze omstandigheden onvoldoende meegewogen. Tot slot voert eiser aan dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.

Het oordeel van de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van eisers aanvraag. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

Het wettelijk systeem werkt als volgt: wanneer de aanvrager van een VOG in de justitiële documentatie voorkomt, wordt de aanvraag beoordeeld aan de hand van een objectief en een subjectief criterium. Met het objectieve criterium wordt beoordeeld of de aangetroffen justitiële gegevens, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak, dan wel bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd. Dit staat in paragraaf 3.1.3. van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2024 (hierna: de Beleidsregels). Bij het subjectieve criterium wordt conform paragraaf 3.1.4. van de Beleidsregels beoordeeld of het belang van de aanvrager zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het eerder genoemde risico voor de samenleving. Als dat zo is, wordt de VOG afgegeven, ook al wordt voldaan aan het objectieve criterium. In paragraaf 3.1.4.1. van de Beleidsregels staat welke omstandigheden dienen te worden betrokken in de beoordeling. Dit betreft de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten. Indien de aanvrager ten tijde van het plegen van een strafbaar feit minderjarig was wordt dit ook betrokken in de beoordeling van de aanvraag.

Bij de toets aan het subjectieve criterium heeft de staatssecretaris beoordelingsruimte.Dat betekent dat de rechtbank terughoudend toetst of de staatssecretaris zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van het beschermen van de samenleving zwaarder weegt dan eisers persoonlijke belang bij het kunnen uitoefenen van de functie van taxiondernemer.

De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft kunnen stellen dat uit de voor het vuurwapenbezit opgelegde straf en de motivering daarvan blijkt dat het vuurwapenbezit een ernstig strafbaar feit betrof dat eiser zwaar is aangerekend. De rechtbank volgt eiser dus niet in zijn stelling dat het vuurwapenbezit hem niet zwaar kan worden aangerekend.

De staatssecretaris heeft zich bovendien op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van twee strafbare feiten, waarvan eiser afzonderlijke verwijten kunnen worden gemaakt. De staatssecretaris heeft daartoe van belang kunnen achten dat afzonderlijke straffen zijn opgelegd en dat tussen de pleegdata van deze strafbare feiten een periode van bijna acht maanden zit. Verder heeft de staatssecretaris in het nadeel van eiser kunnen betrekken dat de politiecontacten van eiser nog maar kortgeleden hebben plaatsgevonden en daarom zwaar(der) wegen. Daarbij was ook van belang dat de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam aan eiser een deels voorwaardelijke vrijheidsstraf heeft opgelegd “om hem ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen”.

De staatssecretaris heeft verder in het voordeel van eiser betrokken dat hij ten tijde van het vuurwapenbezit nog minderjarig was en dat de wijze van afdoening van het andere feit duidt op een minder ernstig feit. Verder heeft de staatssecretaris nog betrokken dat uit het rapport van de Raad van 9 juli 2024 blijkt dat het vuurwapenbezit in contrast staat met de beschermende factoren en positieve ontwikkelingen in het leven van eiser, dat het op alle gebieden goed gaat met eiser en dat het risico op recidive als laag wordt ingeschat. De rechtbank is met de staatssecretaris van oordeel dat hier geen doorslaggevend gewicht aan hoeft te worden toegekend. De staatssecretaris heeft wel doorslaggevend gewicht toe kunnen kennen aan het feit dat sprake is van twee justitiecontacten vanwege een overtreding van de Wet wapens en munitie, waarvan de eerste overtreding als ernstig kan worden gezien, de tweede overtreding in de proeftijd van de eerste overtreding is begaan, terwijl eiser verder ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen andere werkzaamheden zou kunnen verrichten dan die van een taxiondernemer.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van het beschermen van de samenleving zwaarder weegt dan eisers persoonlijke belang bij het kunnen uitoefenen van de functie van taxiondernemer. De staatssecretaris heeft alle relevante omstandigheden en belangen kenbaar in haar besluitvorming betrokken en op basis daarvan een deugdelijke belangenafweging gemaakt. Volgens de rechtbank is daarbij niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het weigeren van eisers aanvraag onevenredig en daardoor onredelijk was. Alles overziend is de rechtbank dan ook van oordeel dat het bestreden besluit in stand kan blijven.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. J.C. de Vries, rechter, in aanwezigheid van A.S. Ay, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026.

De griffier is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. mr. J.C. de Vries

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand