Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-213144-25
Datum uitspraak: 23 januari 2026
Datum zitting: 9 januari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] ([geboorteland]),
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
gedetineerd in de [detentieadres]. Advocaat van de verdachte: mr. R.S. Boonstra
Officier van justitie: mr. S.S.S. HeinermanBenadeelde partij: [benadeelde partij]Advocaat van de benadeelde partij: mr. O. Emre
1. Kern van het vonnis
Tijdens een vechtpartij tussen twee groepen mannen heeft de verdachte [aangever] met een mes in zijn bovenrug gestoken. De rechtbank vindt dat er voldoende bewijs is dat de verdachte hiermee heeft geprobeerd om de aangever te doden. Dat is een ernstig strafbaar feit. Als strafverlagende omstandigheid weegt de rechtbank mee dat niet de verdachte maar de aangever de aanstichter is geweest van de vechtpartij die vooraf ging aan het steekincident. De rechtbank legt voor deze poging tot doodslag een gevangenisstraf op van 1 jaar.
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - heeft geprobeerd de aangever te doden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem met een mes in zijn rug te steken. De volledige tenlastelegging (hierna: beschuldiging) houdt in dat:
1. primair
hij op of omstreeks 13 juli 2025 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in zijn rug heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
1. subsidiairhij op of omstreeks 13 juli 2025 te Rotterdam [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in zijn rug te steken.
3. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor poging tot doodslag.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de ten laste gelegde poging tot doodslag en poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Vol opzet op de dood of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel kan niet worden bewezen. Ook is er onvoldoende bewijs voor voorwaardelijk opzet. Alleen de onder 1 subsidiair ten laste gelegde mishandeling kan worden bewezen. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat:
Feit 1 primair
hij op 13 juli 2025 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een mes in zijn rug heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
De bewezenverklaring van feit 1 primair is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever
Op 13 juli 2025 in Rotterdam ben ik van achteren neergestoken. In het ziekenhuis bleek ik een klaplong te hebben.
2. Verklaring van de verdachte
Ik heb een beweging met mijn hand gemaakt met een mes.
3. Proces-verbaal politie
Op zondag 13 juli 2025 omstreeks 05:19 uur vond er in de Kruiskadehof te Rotterdam een steekpartij plaats. De aanwezige politieambtenaren troffen direct na het incident in en rondom de Kruiskadehof meerdere personen waaronder het [slachtoffer] en de verdachte Freire aan. Het slachtoffer bleek een verwonding in zijn rug te hebben. In verband met dit incident werden bij meerdere particulieren camerabeelden gevorderd en bekeken.
(…)
Ik zag dat [slachtoffer] ten val kwam. Ik zag dat Freire een mes in zijn rechterhand had. Hij maakte met zijn rechterarm van boven naar beneden een stekende beweging richting de rug van [slachtoffer].
4. Kennisgeving van inbeslagnemingKruiskadehof Rotterdam op 13 juli 2025: naar aanleiding van een steekincident.Goednummer: [nummer 1]Object: steekwapen (mes)Spoor identificatienr: [nummer 2]
5. DeskundigenverslagSIN: [nummer 2], omschrijving: mes
Onderstaande bemonsteringen zijn onderworpen aan DNA-onderzoek.[SIN-nummer 1]: bloedspoor rechterzijde lemmet[SIN-nummer 2]: bloedspoor rechterzijde heft[SIN-nummer 3]: heft
Resultaten onderzoek:
[SIN-nummer 1] bloedspoor rechterzijde lemmet
DNA kan afkomstig zijn van: Minimaal één persoon: [slachtoffer]Bewijskracht: meer dan 1 miljard
[SIN-nummer 2] bloedspoor rechterzijde heft
DNA kan afkomstig zijn van:Minimaal één persoon: [slachtoffer]Bewijskracht: meer dan 1 miljard
[SIN-nummer 3] heft
DNA kan afkomstig zijn van:Minimaal twee personen:- [verdachte]
Bewijskracht: meer dan 1 miljard- minimaal één andere persoon Bewijskracht: n.v.t.
6. Schriftelijk stuk
Medische informatie (FARR) [slachtoffer] Opname Erasmus MC: 13-7-2025 t/m 16-7-2025Patiënt werd opgenomen na een steekverwonding in de rug waarbij een bloeding van een slagader bij 1 van de ribben was ontstaan. Steekverwonding in de borstkas is potentieel dodelijk.
Bewijsmotivering
In de nacht van 13 juli 2025 raakte de verdachte betrokken in een vechtpartij tussen twee groepen mannen. Tijdens die vechtpartij heeft de verdachte de aangever met een mes gestoken in zijn bovenrug, terwijl de aangever voorover op de grond lag. Door deze steekpartij heeft de aangever potentieel levensbedreigend letsel opgelopen.
De verdachte heeft hierover verklaard dat hij wel een zwaaiende beweging heeft gemaakt met een mes in zijn hand maar dat het niet de bedoeling was om de aangever te raken. De rechtbank volgt, gezien deze verklaring, de verdediging dat vol opzet op de dood niet kan worden bewezen. Vervolgens is de vraag of kan worden vastgesteld dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van de aangever.
Van voorwaardelijk opzet is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het overlijden van de aangever heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van voorwaardelijk opzet is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op een bepaald gevolg, dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg heeft aanvaard.
Door de aangever in zijn bovenrug te steken heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat de aangever zou komen te overlijden. Het bovenlichaam is immers bij uitstek een kwetsbaar deel van het lichaam, waar zich meerdere vitale organen – waaronder de longen – bevinden. Dat de aanmerkelijke kans op de dood bestond, volgt ook uit de FARR-verklaring, waarin staat dat het letsel potentieel levensbedreigend was. De gedragingen van de verdachte, zoals die hierboven zijn beschreven, kunnen bovendien naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet anders worden aangemerkt dan als zozeer gericht op dit gevolg dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat zijn handelen tot de dood zou leiden, ook heeft aanvaard.
Het is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Feit 1 primair
poging tot doodslag
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Beroep op schulduitsluitingsgrond
De verdediging heeft een beroep gedaan op noodweer. De verdachte en zijn vrienden zijn aangevallen door de aangever en zijn vrienden. Er was sprake van één doorlopende vechtpartij, waarbij de verdachte en zijn vrienden vooral bezig waren om de aanvallers weg te jagen. Weggaan was geen optie, omdat één van de vrienden van de verdachte bewusteloos op de grond lag. Daarnaast werd de verdachte ook aangevallen door de aangever. Het steken met het mes was geboden door de noodzakelijke verdediging en proportioneel. Het handelen van de verdachte was duidelijk gericht op het verdedigen van zichzelf en zijn vrienden en het laten stoppen van de aanval. Het gekozen verdedigingsmiddel is in deze situatie niet onbegrijpelijk en onevenredig.
Standpunt van de officier van justitie
Er was volgens de officier geen sprake van een aanvallende gedraging vlak voor of op het moment van steken, zodat aan de verdachte geen geslaagd beroep op noodweer toekomt.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht aannemelijk moet zijn geworden dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding.
Het beroep op noodweer slaagt niet.
De rechtbank stelt op basis van de ter zitting afgespeelde camerabeelden van het incident het volgende vast.
Voorafgaand aan het steekincident was sprake van een vechtpartij tussen twee groepen mannen, enerzijds aangever en een groep mannen en anderzijds een vriend van de verdachte met een andere vriend. De eerste klap werd uitgedeeld door de aangever aan de vriend van de verdachte. De verdachte was op dit moment nog niet in beeld. De rechtbank volgt de verdediging in zoverre dat de aangever de initiator was van het geweld dat daarna over en weer volgde. Uit de camerabeelden blijkt ook dat één van de vrienden van de verdachte tijdens het gevecht op de grond terecht is gekomen en, na een aantal schoppen tegen zijn hoofd, bewusteloos is geraakt. Pas vanaf dat moment raakte de verdachte betrokken. Hij werd er door één van zijn vrienden bij geroepen en te zien is dat hij aan komt lopen met versnelde pas, zijn beker op een geparkeerde auto zet, waarneemt dat zijn vriend bewusteloos op de grond ligt en achter de groep mannen aangaat. Te zien is dat de verdachte en zijn vrienden vooral bezig waren om de andere groep mannen – de groep van de aangever – weg te jagen, door met gespreide armen op ze af te lopen. De rechtbank begrijpt dat het voor de verdachte en zijn vrienden geen optie was om de plek waar de vechtpartij plaatsvond te verlaten: hun vriend lag daar nog steeds bewusteloos op de grond.
Deze bedreigende situatie rechtvaardigt echter nog niet het beroep op noodweer. Dat er direct voorafgaand aan het steken door de verdachte sprake was van een aanvallende gedraging van de aangever richting de verdachte, waartegen de verdachte zich met een mes diende te verdedigen, is namelijk niet gebleken. Het is in dat stadium van de gebeurtenissen eerder andersom geweest. Uit de beelden blijkt dat aangever op dat moment bij een auto stond, waar twee vrouwen bezig waren te proberen hem te kalmeren. Te zien is dat het de verdachte is die op hem af komt rennen. Op het moment dat de verdachte langs de aangever loopt, haalt de aangever uit met zijn arm. Hij mist echter en komt door de maaiende beweging met zijn arm in het luchtledige en een duwende beweging van de verdachte, vervolgens ten val, met zijn rug naar de verdachte gekeerd. Op dat moment maakt de verdachte de stekende beweging met het mes. Omdat de aangever op dat moment weerloos op de grond lag en de verdachte op dat moment aanviel was er voor hem geen aanval vanuit de aangever waartegen de verdachte zich moest verdedigen en daarmee geen noodweersituatie.
Dit leidt ertoe dat zowel het feit als de verdachte strafbaar zijn.
5. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een straf van 24 maanden gevangenisstraf.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan het voorarrest.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Tijdens een gevecht tussen twee groepen mannen heeft de verdachte de aangever eenmaal met een mes gestoken in zijn bovenrug. De verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. De aangever heeft door het handelen van de verdachte potentieel dodelijk letsel opgelopen. Het had voor de aangever heel anders kunnen aflopen. De verdachte heeft op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangever en hem pijn en letsel toegebracht. Dit soort geweld heeft grote impact, hetgeen ook blijkt uit de slachtofferverklaring die tijdens de zitting is voorgelezen door de zus van de aangever.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad van 12 december 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Rapport reclassering
Uit het reclasseringsrapport van 19 september 2025 volgt dat sprake is van een bekennende verdachte die ten tijde van het strafbare feit op vakantie was in Nederland om zijn partner te bezoeken. Waarom hij de aangever heeft gestoken, werd onvoldoende duidelijk. Hij wil zodra het mogelijk is terugkeren naar Kaapverdië. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag. De verdachte heeft zijn leven op Kaapverdië op orde.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. In strafverlagende zin weegt de rechtbank mee dat de verdachte niet de aanstichter was van de vechtpartij. Vanaf het moment dat hij er bij kwam, waren zijn acties er vooral op gericht om de andere groep mannen weg te jagen. Weggaan van de situatie was bovendien geen optie: de vriend van de verdachte lag bewusteloos op de grond. Positief is ook dat de verdachte spijt heeft betuigd over de schade die hij heeft aangericht en dat hij zijn leven verder op orde heeft.
Alles afwegend komt de rechtbank tot een gevangenisstraf van 1 jaar.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.
6. Vordering van de benadeelde partij
Vordering [benadeelde partij]
heeft als benadeelde partij voor feit 1 primair € 25.151,25 als vergoeding voor materiële schade en € 35.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij voor de materiële schade kan volledig worden toegewezen. De vordering tot vergoeding van immateriële schade is in beginsel toewijsbaar, maar de officier van justitie laat het aan het oordeel van de rechtbank om deze immateriële schade toe te wijzen zoals gevorderd dan wel te matigen. Voor zover er schade wordt vergoed, dient deze te worden vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, vanwege het moment van indienen van de vordering, de omvang en de complexiteit van de vordering. De verdediging heeft in onvoldoende mate de gelegenheid gehad om zich te verweren. Daar komt bij dat sprake is van eigen schuld bij de aangever, omdat hij het gevecht is begonnen. Voor zover de rechtbank dit standpunt niet aanneemt, wil de verdediging dit nader onderbouwen. Het aandeel eigen schuld van de aangever heeft gevolgen voor alle schadeposten die worden opgevoerd, zowel de materiële als de immateriële. De benadeelde partij moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de gehele vordering.
Voor zover de rechtbank de verdediging niet volgt in dat standpunt, heeft de verdediging de vordering per schadepost betwist.
Oordeel van de rechtbank
Volgens de verdediging is sprake van eigen schuld bij de aangever, omdat de aangever het gevecht is begonnen. Als sprake is van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek, kan dat ertoe leiden dat de verplichting van de verdachte tot vergoeding van de schade aan de benadeelde partij wordt verminderd. Uit het dossier kan worden afgeleid dat de aangever degene is geweest die de eerste klap heeft uitgedeeld en in die zin de initiator is geweest van het gevecht. Zonder deze handeling was er waarschijnlijk geen steekincident gevolgd. Als vast komt te staan dat sprake is van eigen schuld, dan heeft dat tot gevolg dat de volledige schadevergoedingsplicht (de optelsom van de materiële en immateriële schadeposten) van de verdachte moet worden verminderd met het vastgestelde percentage eigen schuld.
Het dossier biedt dus aanknopingspunten voor een debat over (de component) eigen schuld bij de aangever, en dit is ook gevraagd door de verdediging, maar dat vergt een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk bewijslevering.
Het voeren van dat debat in deze procedure levert een onevenredige belasting van het strafproces op.
Om die reden verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
7. Wettelijke voorschriften
De oplegging van de straf is gebaseerd op de artikelen 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
8. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit 1 primair, zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 1 jaar;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Vordering benadeelde partij
verklaart de [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering voor feit 1 primair;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis.
9. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. R.H. Kroon, voorzitter,
en mrs. G.C. Bos en L.N. Foppen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. Knook, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 23 januari 2026.