Rechtbank Rotterdam
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,
Dienst Toeslagen, verweerder.
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/4433
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 september 2026 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen
gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak,
en
Procesverloop
Eiseres heeft een aanvraag gedaan om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
Eiseres heeft beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
6. Verweerder heeft verzocht te bepalen dat de nadere beslistermijn niet loopt gedurende de periode van een alternatief hersteltraject of gedurende de bedenktijd die eiseres desgewenst krijgt om een keuze voor een alternatief traject te maken. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank daartoe geen aanleiding.
7. Bij de huidige stand van zaken werkt het contraproductief om dwangsommen aan verweerder op te leggen, omdat daardoor overmatig capaciteit wordt besteed aan beroepen die zijn gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, terwijl deze capaciteit moet worden besteed aan de inhoudelijke besluitvorming. De huidige praktijk is dusdanig ontspoord, dat het niet zinvol is om een dwangsom op te leggen. De rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom daarom vast op € 0,- per dag dat de nadere beslistermijn wordt overschreden.
8. Het oordeel dat het bij de huidige stand van zaken niet zinvol is een dwangsom op te leggen heeft een tijdelijk karakter. Na 3 juni 2027 kan opnieuw worden bezien of met een dwangsom aan verweerder een effectieve prikkel kan worden opgelegd. De rechtbank wijst eiseres erop dat het indienen van een herhaald beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag om aanvullende compensatie vóór 3 juni 2027 zal leiden tot het kennelijk niet-ontvankelijk verklaren van het beroep omdat het procesbelang bij zo’n herhaald beroep ontbreekt.
9. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
10. De rechtbank veroordeelt verweerder verder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb, is niet gebleken.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen, rechter, in aanwezigheid van I.G. Nugteren, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 18 september 2026.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.