RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2026 in de zaak tussen
[eiser], eiser, en [eiseres], eiseres, uit [plaatsaam],
de burgemeester van de gemeente Hoeksche Waard
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5888
gezamenlijk eisers,
en
(gemachtigde: mr. N.C.H. Vrijsen).
Deze uitspraak gaat over een last onder dwangsom die is opgelegd vanwege een overtreding van de Opiumwet. Eisers zijn het hier niet mee eens en voeren daartoe beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van de burgemeester tot oplegging van de last onder dwangsom. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
De burgemeester heeft eisers bij brief van 25 november 2024 laten weten dat hij voornemens was om de woning van eisers aan de [adres] (hierna: de woning) te sluiten voor de duur van drie maanden vanwege een overtreding van de Opiumwet. Eisers zijn daarbij in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken een zienswijze in te dienen.
Eisers hebben op 9 december 2024 een zienswijze ingediend.
Bij besluit van 24 december 2024 (hierna: het primaire besluit) heeft de burgemeester een last onder dwangsom opgelegd aan eisers. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 18 juni 2025 (hierna: het bestreden besluit) heeft de burgemeester het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld.
Eisers hebben een aanvullend beroepschrift ingediend.
De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de burgemeester, vergezeld door mr. drs. A. Meijer.
Totstandkoming van het bestreden besluit
1. Uit de bestuurlijke rapportage van 12 november 2024 (hierna: de bestuurlijke rapportage), de e-mail van de politie van 20 november 2024 (hierna: de e-mail van de politie) en de aanvullende bestuurlijke rapportage van 22 november 2024 (hierna: de aanvullende bestuurlijke rapportage) blijkt dat de politie op 21 oktober 2024 in de woning 1,425 kilogram hennep heeft aangetroffen. Dit is een handelshoeveelheid hennep. Bovendien zijn er enkele hennepplanten aangetroffen in de tuin van de woning. De burgemeester is dan ook bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen. Met de in het primaire besluit opgelegde last onder dwangsom worden de eisers gelast om de komende vijf jaar in de gemeente Hoeksche Waard niet opnieuw een handelshoeveelheid soft- of harddrugs in hun woning voorhanden te hebben dan wel deze in of vanuit hun woning te verhandelen. De hoogte van de dwangsom is bepaald op € 2.500,- euro per overtreding met een maximum van € 10.000,-. De burgemeester heeft dit standpunt met het bestreden besluit gehandhaafd.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het besluit van de burgemeester tot oplegging van de last onder dwangsom aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
Bevoegdheid
3. Eisers voeren aan dat de burgemeester niet bevoegd was om een last onder dwangsom op te leggen. De hennep was namelijk bestemd voor eigen gebruik. De aangetroffen hennep is namelijk de oogst van de vijf aangetroffen hennepplanten, die eisers voor eigen gebruik hadden. Het is aan de burgemeester om aannemelijk te maken dat de hennep bestemd was voor de handel. De burgemeester is daar niet in geslaagd. Bovendien is het onvoldoende duidelijk hoe de politie tot het weegresultaat van 1,425 kilogram hennep is gekomen. Verder heeft de burgemeester onvoldoende gemotiveerd waarom hij is afgeweken van het advies van de Commissie Bezwaarschriften van de gemeente Hoeksche Waard van 6 mei 2025 (hierna: de commissie).
Juridisch kader
Op grond van artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen ook bevoegd om in plaats daarvan een last onder dwangsom op te leggen.
Op grond van artikel 13b, eerste lid onder a, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd om een last onder bestuursdwang op te leggen indien in een woning een middel als bedoeld in lijst II wordt verkocht, afgeleverd, verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
In de Beleidsregel van de burgemeester van de gemeente Hoeksche Waard houdende regels omtrent Damoclesbeleid artikel 13b Opiumwet (hierna: de Beleidsregel) heeft de burgemeester zijn beleid neergelegd. Hieruit volgt dat er aan de hand van de door het Openbaar Ministerie in de Aanwijzing Opiumwet (hierna: de Aanwijzing) toegepaste criteria wordt bepaald welke hoeveelheden drugs in beginsel voor eigen gebruik dan wel voor de handel bestemd zijn.
Uit de Aanwijzing volgt dat 5 gram hennep wordt gezien als een geringe hoeveelheid, bestemd voor eigen gebruik. Uit de Aanwijzing volgt verder dat bij een hoeveelheid van vijf hennepplanten of minder in beginsel wordt aangenomen dat geen sprake is van beroeps- of bedrijfsmatig handelen. Deze situatie wordt gelijk behandeld als de situatie waarin wordt geconstateerd dat sprake is van een geringe hoeveelheid, bestemd voor eigen gebruik.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) over artikel 13b, eerste lid onder a, van de Opiumwet volgt dat dit artikel zo moet worden uitgelegd dat de enkele aanwezigheid van drugs niet voldoende is om gebruik te mogen maken van de bevoegdheid. Gezien de woorden “daartoe aanwezig” moeten de drugs met een bepaalde bestemming aanwezig zijn, dat wil zeggen voor verkoop, aflevering of verstrekking. Als uitgangspunt kan evenwel worden aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs, 5,0 gram softdrugs of vijf hennepplanten de aangetroffen hoeveelheid drugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Als het om een geringe overschrijding van de grens van 0,5 gram harddrugs, 5,0 gram softdrugs of vijf (hennep)planten gaat en de rechthebbende feiten en omstandigheden noemt die erop duiden dat het om een hoeveelheid voor eigen gebruik gaat, is er in beginsel geen overtreding en dus geen bevoegdheid om handhavend op te treden. Deze situatie doet zich voor als de rechthebbende een helder, consistent en overtuigend betoog heeft waarom hier sprake is van eigen gebruik en er geen andere voorwerpen in de woning zijn aangetroffen die wijzen op drugshandel en niet is gebleken van andere relevante feiten en omstandigheden die daarop wijzen.
De rechtbank overweegt allereerst dat het toetsingskader in het bestuursrecht een wezenlijk ander kader is dan in het strafrecht. Dit betekent ook dat de omstandigheid dat uit bepaalde strafrechtelijke jurisprudentie blijkt dat het Openbaar Ministerie een persoon niet mag vervolgen voor het in bezit hebben van hennep die afkomstig is van eigen hennepteelt van maximaal vijf hennepplanten niet kan leiden tot de conclusie dat de burgemeester dan ook niet bevoegd zou zijn om bestuursrechtelijk tegen die persoon op te treden. De rechtbank volgt eisers ook niet in hun stelling dat onvoldoende duidelijk is hoe de politie tot het weegresultaat van 1,425 kilogram hennep is gekomen. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat in de woning vijf tassen met daarin henneptoppen zijn aangetroffen. De politie heeft de hennep uit de tassen gewogen en dit bleek netto 1,425 kilogram hennep. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan dit weegresultaat te twijfelen en gaat hier dus van uit. Niet in geschil is dat deze hennep nat was en dat het de stelregel is dat na het drogen van natte hennep nog 20% tot 25% van het oorspronkelijke gewicht overblijft. Dit betekent dat de 1,425 kilogram natte hennep die is aangetroffen minstens 280 gram droge hennep zou opleveren. Dit volgt uit de e-mail van de politie waarin werd gereageerd op de door de burgemeester gestelde vragen over de bestuurlijke rapportages. De grens van een gebruikershoeveelheid hennep (5,0 gram) is hiermee dus ruim overschreden. Als gevolg hiervan is het vervolgens aan eisers om aannemelijk te maken dat de aangetroffen hennep bestemd was voor eigen gebruik. De rechtbank is van oordeel dat eisers hier niet in zijn geslaagd. De rechtbank overweegt daarbij dat de verklaringen van eisers over hun eigen hennepteelt en hennepgebruik helder, consistent en overtuigend lijken, terwijl ook niet is gebleken van daadwerkelijke drugshandel en in de woning geen andere voorwerpen zijn aangetroffen die wijzen op drugshandel. Toch zijn in dit geval deze aspecten onvoldoende om aannemelijk te achten dat de aangetroffen hennep bestemd was voor eigen gebruik. Eisers hebben namelijk geen stukken overgelegd ter ondersteuning van hun eigen verklaringen. Daar komt bij dat het hier ook niet gaat om een geringe overschrijding van de grens van een gebruikershoeveelheid hennep (5,0 gram), maar om een ruime overschrijding daarvan. De stelling van eisers dat de aangetroffen hennep afkomstig was van hun eigen planten, wat daar ook van zij, is dan ook niet van doorslaggevend belang voor de vraag of de aangetroffen hennep bestemd was voor eigen gebruik. Hennep die afkomstig is van eigen hennepteelt kan immers ook bestemd zijn voor de handel, zeker wanneer het gaat om een geruime overschrijding van een gebruikershoeveelheid hennep zoals in dit geval.
De burgemeester was naar het oordeel van de rechtbank dan ook bevoegd om de last onder dwangsom op te leggen. De burgemeester heeft in het bestreden besluit uitgebreid gemotiveerd waarom hij daartoe bevoegd was, waarmee naar het oordeel van de rechtbank ook een toereikende motivering is gegeven waarom wordt afgeweken van het advies van de commissie Bezwaarschriften hierover.
De beroepsgrond slaagt niet.
Evenredigheid
4. Als een burgemeester bevoegd is om (spoedeisende) bestuursdwang toe te passen, toetst de bestuursrechter – als de beroepsgronden daartoe aanleiding geven – de belangenafweging die ten grondslag ligt aan het besluit aan het evenredigheidsbeginsel. Als het besluit gebaseerd is op beleid dat op zichzelf rechtmatig is, wordt getoetst of de gevolgen wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Bij de beoordeling worden alle feiten en omstandigheden betrokken.Geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid spelen bij de beoordeling een rol, maar de toetsing daaraan zal niet altijd op dezelfde wijze plaatsvinden.Het is aan de bestuursrechter om aan de hand van de beroepsgronden te bepalen of, en zo ja op welke wijze, deze onderdelen worden betrokken.
Geschiktheid en noodzaak
Eisers voeren aan dat het opleggen van een last onder dwangsom niet geschikt en niet noodzakelijk is. Er is namelijk geen sprake van een ernstig geval zoals bedoeld in de Beleidsregel en er is bovendien geen (concreet) gevaar voor herhaling. Volgens eisers had dan ook volstaan moeten worden met het geven van een waarschuwing.
In de Beleidsregel staat dat een ernstig geval in ieder geval aangenomen wordt wanneer sprake is van een aangetroffen hoeveelheid van meer dan 100 planten en/of meer dan 250 gram softdrugs in de woning. In dit soort situaties wordt aangenomen dat er sprake is van een ernstige verstoring van de openbare orde en het woon- en leefklimaat. Ook wordt aangenomen dat er grote veiligheidsrisico’s voor de omgeving.
Zoals hiervoor is overwogen mocht de burgemeester ervan uitgaan dat de 1,425 kilogram natte hennep die is aangetroffen, minimaal 280 gram droge hennep zou opleveren zodat geoordeeld kon worden dat deze hennep bestemd was voor de handel. De burgemeester heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat sprake was van een ernstig geval zoals bedoeld in de Beleidsregel. De burgemeester heeft verder van belang kunnen achten dat één van de zoons van eisers, die ten tijde van de besluitvorming bij hen inwoonde (hierna: de zoon van eisers), twee antecedenten heeft op het gebied van de Opiumwet. Het gaat dan om het bezit van harddrugs op 13 december 2022 en het handelen in harddrugs op 21 maart 2023. Daarnaast heeft deze zoon meerdere registraties op zijn naam staan, waarbij hij in verband wordt gebracht met het bezit van of de handel in verdovende middelen. De burgemeester heeft ook bij de besluitvorming kunnen betrekken dat op 13 maart 2025, dus tijdens de bezwaarprocedure, een explosie heeft plaatsgevonden bij de woning van eisers. Deze explosie is ook tijdens de hoorzitting besproken en eisers hebben zich daarover dan ook kunnen uitlaten. De burgemeester heeft daarbij overwogen dat de explosie mogelijk het gevolg is van onenigheid in de wereld van zware criminaliteit en/of softdrugs. Onder deze omstandigheden heeft de burgemeester een gevaar voor herhaling kunnen aannemen en een noodzaak tot ingrijpen kunnen zien om de openbare orde te herstellen en de veiligheid van de omgeving te waarborgen. De rechtbank begrijpt dat eisers het niet eens zijn met de wijze waarop zij vanaf het begin af aan zijn behandeld door de burgemeester. Zo zijn zij erg geschrokken van het in eerste instantie geuite voornemen van de burgemeester om de woning te sluiten. Naar aanleiding van de zienswijze heeft de burgemeester daarvan afgezien. Gelet op alle omstandigheden kan de rechtbank de burgemeester in dit geval ook volgen in haar standpunt dat het afzien van handhaving bij een dergelijk ernstig geval kan leiden tot een ongewenst precedent en in het standpunt dat een last onder dwangsom een geschikt middel is om herhaling te voorkomen, omdat hier een financiële prikkel van uitgaat.
De beroepsgrond slaagt niet.
Evenwichtigheid
Eisers voeren aan dat het opleggen van een last onder dwangsom disproportioneel is. De last onder dwangsom heeft in de praktijk namelijk een bestraffend effect, omdat er jarenlang een zware druk op eisers wordt gelegd. Bovendien is sprake van ongeoorloofde cumulatie, omdat de last onder dwangsom ook is opgelegd aan de zoon van eisers. Verder maakt de last onder dwangsom een ontoelaatbare inbreuk op het privé-, familie- en gezinsleven van eisers, zoals dat is neergelegd in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).
Bij de beoordeling van de evenwichtigheid moeten de voor eisers nadelige gevolgen van de last onder dwangsom worden afgewogen tegen de doelen die de burgemeester daarmee wil bereiken. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eisers de aan hen opgelegde last onder dwangsom ervaren als een straf, is het van belang om te benoemen dat het juridisch gezien gaat om een herstelsanctie die gericht is op het voorkomen van herhaling. De last onder dwangsom is enkel bedoeld om eisers ervoor te laten zorgen dat er niet opnieuw hennep en/of hennepplanten in hun woning terecht komt en/of komen. Eisers hebben tijdens de hoorzitting in bezwaar al aangegeven dit niet meer te zullen toelaten, welk standpunt eiser tijdens de zitting heeft herhaald. Eisers zullen als zij zich hieraan houden dan ook geen gevolgen ondervinden van de last onder dwangsom. De rechtbank is daarbij van oordeel dat als deze last onder dwangsom al een inbreuk zou maken op het recht van eisers op eerbiediging van hun privé-, familie- en gezinsleven en hun woning, deze inbreuk bij wet is voorzien en ook noodzakelijk is om de openbare orde te herstellen en de veiligheid van de omgeving te waarborgen. Gelet op artikel 8, tweede lid, van het EVRM zou de vermeende inbreuk dan ook toelaatbaar zijn. Tot slot ziet de rechtbank niet in waarom sprake zou zijn van ongeoorloofde cumulatie. De last onder dwangsom die aan de zoon van eisers is opgelegd is immers dezelfde als de last onder dwangsom die aan eisers is opgelegd. Eisers worden hierdoor dus niet harder geraakt dan wanneer de last onder dwangsom enkel aan hen was opgelegd.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. de Vries, rechter, in aanwezigheid van A.S. Ay, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.