RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 september 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
het college van burgemeester en wethouders van Sliedrecht
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/6622
en
(gemachtigde: mr. C. Zondervan).
Verzoeker woont met zijn partner en 3 kinderen bij iemand in huis en er wonen te veel mensen in een te kleine woning. Mede gezien de medische situatie van zijn partner is dit een onhoudbare situatie. Hij heeft daarom een voorrangsverklaring aangevraagd. Het college heeft de aanvraag afgewezen. Verzoeker voldoet niet aan de voorwaarden voor een voorrangsverklaring. Ook is er geen sprake van een dusdanige uitzonderlijke, schrijnende situatie dat het college de hardheidsclausule had moeten toepassen. Het verzoek wordt afgewezen. De voorzieningenrechter beslist niet op het beroep, omdat in die zaak het griffierecht nog niet is betaald.
Procesverloop
1. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een voorrangsverklaring, zodat hij met voorrang kan reageren op huurwoningen. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 10 juni 2026 afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 augustus 2026 op het bezwaar van verzoeker is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van het college en mr. M. Baardman (namens het college).
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
4. Verzoeker staat sinds november 2023 ingeschreven op het adres [straatnaam] in [locatie] (brp-adres).
5. Verzoeker heeft een partner ([naam partner]) en zij hebben samen drie kinderen. Het oudste kind (uit augustus 2023) woont sinds oktober 2023 op het brp-adres. In december 2024 is het tweede kind geboren en in maart 2026 het derde kind. Verzoekers partner staat sinds april 2025 ingeschreven op het brp-adres. Verzoeker heeft tijdens de zitting toegelicht dat zijn partner als toerist naar Nederland is gekomen en dat zij daarom niet eerder ingeschreven kon worden in de brp. Volgens verzoeker verblijft zij wel sinds 2023 met hem op het brp-adres.
6. Op het brp-adres woont de hoofdbewoner ([naam]) met haar meerderjarige zoon. Zij heeft het gezin tijdelijk onderdak geboden zodat ze niet zonder woonruimte zouden komen te zitten. Het gezin woont en slaapt in de woonkamer. De hoofdbewoner heeft het gezin gevraagd om de woning te verlaten, omdat er al langere tijd sprake is van ernstige overbewoning, gebrek aan privacy en een situatie die voor niemand binnen het huishouden nog houdbaar is.
Waar gaat het in deze zaak om?
7. Verzoeker heeft bij het college een aanvraag ingediend voor een voorrangsverklaring op medische gronden. Het college heeft deze aanvraag afgewezen, omdat (1) verzoeker geen zelfstandige woning achterlaat, (2) het ontstaan en verergeren van het huisvestingsprobleem in overwegende mate het gevolg is van keuzes die binnen verzoekers gezin zijn gemaakt, (3) niet aannemelijk is dat verzoeker al het mogelijke heeft gedaan om het huisvestingsprobleem zelf op te lossen, en (4) er geen aanleiding bestaat om een medische urgentie aan te nemen. Daarnaast (5) ziet het college geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat het college opnieuw naar de zaak moet kijken en dat hij niet zonder passende huisvesting komt te zitten.
Is er een spoedeisend belang?
8. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang bij de verzochte voorlopige voorziening bestaat, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
9. De hoofdbewoner heeft het gezin uit barmhartigheid onderdak verleend, maar er is al langere tijd sprake van overbewoning. Dit is voor iedereen in de woning een onwenselijke situatie. De voorzieningenrechter vindt daarom dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van deze zaak.
Waarom beslist de voorzieningenrechter niet op het beroep?
10. De voorzieningenrechter heeft de mogelijkheid om ook onmiddellijk uitspraak te doen in de beroepszaak. Na de zitting is echter gebleken dat verzoeker het griffierecht in de beroepszaak nog niet heeft betaald. De voorzieningenrechter kan daarom geen uitspraak doen in de beroepszaak.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
11. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Voldoet verzoeker aan de voorwaarden voor een voorrangsverklaring?
12. Er is in deze regio schaarste aan sociale huurwoningen en er zijn veel mensen die met spoed op zoek zijn naar een (andere) woning. Die mensen kunnen onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor een voorrangsverklaring. Met een voorrangsverklaring heeft iemand voorrang op andere woningzoekenden. Omdat woningen schaars zijn, zijn de voorwaarden voor een voorrangsverklaring streng: als een woningzoekende voorrang krijgt, betekent dat immers dat anderen langer moeten wachten. De voorwaarden voor het verkrijgen van een voorrangsverklaring in Sliedrecht staan in de Huisvestingverordening gemeente Sliedrecht 2025 (Verordening).
13. Verzoeker voldoet niet aan de voorwaarden voor een voorrangsverklaring. Zo beschikt hij niet over een zelfstandige woning (artikel 2.1.2 van de Verordening). Hij woont namelijk in de woning van de hoofdbewoner. Daarnaast is het nog maar de vraag of verzoeker voldoet aan één van de voorrangsgronden. Een medische indicatie is een voorrangsgrond (artikel 2.1.7 van de Verordening). Hiervan is bijvoorbeeld sprake als iemand woont in een bovenwoning zonder lift, terwijl deze persoon geen trappen meer kan lopen. De woning is dan in medisch opzicht niet langer geschikt. In het geval van verzoeker is de woning in medisch opzicht wel geschikt. Het probleem is de overbewoning en de stress die dat oplevert bij verzoekers partner. Overbewoning is echter geen reden om een voorrangsverklaring te verlenen. Daarnaast heeft verzoekers partner een schildklieraandoening, maar die had zij al toen ze op het brp-adres ging wonen. Ook om die reden komt verzoeker niet in aanmerking voor een voorrangsverklaring op medische gronden (artikel 2.1.7, vierde lid, van de Verordening).
Verder wordt een voorrangsverklaring geweigerd als de aanleiding voor een voorrangsverklaring is veroorzaakt door eigen handelen en voorzienbaar was (artikel 2.1.5 van de Verordening). Verzoeker en zijn partner verbleven met hun oudste kind in de woning van de hoofdbewoner en hadden geen zicht op een andere woning. Zij hebben ervoor gekozen om hun gezin uit te breiden met nog 2 kinderen. Het was te voorzien dat dit het probleem van de overbewoning alleen maar groter zou maken. Hiermee zegt de voorzieningenrechter niet dat verzoeker zijn gezin niet had mogen uitbreiden. Dit betekent alleen dat het college niet gehouden is om een oplossing te bieden voor het als gevolg van die keuze ontstane huisvestingsprobleem.
Hardheidsclausule
14. Het college heeft verder nog gekeken of verzoeker op grond van de hardheidsclausule in aanmerking dient te komen voor een voorrangsverklaring (artikel 5.3 van de Verordening).
15. Het college voert een zeer terughoudend beleid ten aanzien van het gebruik van de hardheidsclausule, gelet op het grote tekort aan betaalbare huurwoningen in de regio en de aard van een voorrangsverklaring. Dit betekent dat het college alleen in onverwachte schrijnende gevallen een voorrangsverklaring verleent op grond van de hardheidsclausule. De voorzieningenrechter vindt dit beleid van het college niet onredelijk. Als veel mensen die niet aan de voorwaarden voldoen, toch een voorrangsverklaring krijgen, dan werkt het systeem van de voorrangsverklaring namelijk niet meer.
16. De voorzieningenrechter ziet dat er sprake is van een onwenselijke situatie, omdat er te veel mensen wonen in een te kleine woning. Dit wordt ook door het college erkend. Het is daarom heel goed te begrijpen dat verzoeker met zijn gezin snel naar een eigen woning wil verhuizen, ook om de hoofdbewoner te ontlasten. De voorzieningenrechter vindt echter dat het college in het bestreden besluit goed heeft uitgelegd waarom in het geval van verzoeker de hardheidsclausule niet wordt toegepast. Daarbij zijn alle persoonlijke omstandigheden van verzoeker en zijn gezin meegewogen. Verzoeker ziet zijn eigen situatie als uitzonderlijk. Helaas is dit niet het geval. Het college heeft in het bestreden besluit uitgelegd dat er in de regio meer gezinnen zijn met jonge kinderen, in gedeelde of te krappe woningen, met medische problemen, die in onzekerheid verkeren over hun woonsituatie. De voorzieningenrechter is het met het college eens dat er in dit geval geen sprake is van een dusdanige uitzonderlijke, schrijnende situatie dat het college op grond van de hardheidsclausule alsnog een voorrangsverklaring had moeten verstrekken.
Conclusie en gevolgen
17. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het college geen voorrangsverklaring hoeft te verstrekken aan verzoeker en zijn gezin. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: