RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2026 in de zaak tussen
[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid & Natuur, thans:
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4545
(gemachtigde: mr. F.T.M. Peters),
en
de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid & Natuur, verweerder
(gemachtigde: mr. E.A. Verhulp).
1. Deze uitspraak gaat over een bestuurlijke boete van € 5.000,- die verweerder in het kader van de Wet dieren aan eiseres heeft opgelegd. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de aan eiseres opgelegde bestuurlijke boete.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder terecht aan eiseres een bestuurlijke boete heeft opgelegd van € 5.000,- wegens overtreding van de Wet dieren. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 10 januari 2025 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van € 5.000,-, omdat zij volgens verweerder bij of krachtens de Wet dieren gestelde voorschriften heeft overtreden.
Met het besluit van 2 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder, vergezeld door [persoon A] .
Beoordeling door de rechtbank
“Deze dag was ik, als toezichthoudend dierenarts werkzaam bij [naam eiseres] , belast met de Post Mortem keuring.
3. In het rapport van bevindingen van 13 november 2024 heeft een toezichthouder van de NVWA gerapporteerd dat hij/zij zich naar aanleiding van een regulier toezicht op 22 oktober 2024, omstreeks 18:00 uur bevond op het slachthuis van eiseres. In dat rapport is het volgende beschreven:
Tijdens mijn regulier toezicht zag ik in één van de koelingen druppels op varkenshammen, zie fotobijlage foto 1, 3 en 4. Ik zag dat boven deze varkenshammen druppels aan een buis van de condensor hingen, zie fotobijlage foto 2. Ik herkende deze druppels als condens. Deze condensdruppels vielen naar beneden op de varkenshammen die daar onder hingen, zie bijlage video interventie [kenmerknummer] deel 1 en 2. Deze varkenshammen waren bestemd voor humane consumptie want ze waren gestempeld en hingen in de koelcel na de stempelautomaat.
Hierop heb ik opdracht gegeven deze varkenshammen onder de condens vandaan te halen, elk geraakte ham in zijn geheel te flamberen en de condens te verwijderen.
Condens vanaf een oppervlak kan karkassen/vlees verontreinigen. Condens kan potentieel Listeria spp. of andere ziekteverwekkers bevatten.
Ik zag dat de vorming van condens op oppervlakken niet werd voorkomen.”
4. Op basis van het hiervoor genoemde rapport van bevindingen heeft verweerder met het primaire besluit aan eiseres een boete opgelegd van € 5.000,- voor de volgende feiten:
1) De vorming van condens op oppervlakken werd niet voorkomen. Dit is volgens verweerder een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in verbinding met artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling dierlijke producten, in verbinding met artikel 4, tweede lid, en bijlage II, hoofdstuk I, punt 2b, van Verordening (EG) 852/2004. Het boetebedrag voor deze overtreding is € 2.500,-.
2) Levensmiddelen werden niet in alle stadia van de productie en verwerking beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor het vlees ongeschikt kan worden voor menselijke consumptie, schadelijk kan worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kan worden verontreinigd dat het redelijkerwijze niet meer in die staat kan worden geconsumeerd. Dit is volgens verweerder een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in verbinding met artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling dierlijke producten, in verbinding met artikel 4, tweede lid, en bijlage II, hoofdstuk IX, punt 3, van Verordening (EG) 852/2004. Het boetebedrag voor deze overtreding is € 5.000,-.
In verband met samenhang tussen beide feiten heeft verweerder voor beide overtredingen tezamen slechts eenmaal een boetebedrag vastgesteld, te weten het boetebedrag horende bij het beboetbare feit 2. Het standaardboetebedrag voor feit 2 is wegens recidive verhoogd.
Met het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.
5. Ter zitting heeft eiseres met een beroep op artikel 138, eerste lid, tweede volzin, van Verordening (EU) 2017/625 aangevoerd dat verweerder bij de besluitvorming rekening had moeten houden met de aard van de overtreding en de historie van het bedrijf. De rechtbank gaat hieraan voorbij, nu eiseres dit in strijd met de goede procesorde eerst ter zitting heeft aangevoerd.
6. Eiseres heeft aangevoerd dat zij protocollen heeft om overtredingen te voorkomen. Er is een mop-protocol om tijdig te voorkomen dat condensdruppels naar beneden vallen en als er toch condensdruppels vallen dan volgt eiseres het Hazard Analysis and Critical Control Points-protocol (HACCP-protocol) waarbij onregelmatigheden zo snel mogelijk na het ontstaan worden weggesneden en/of geflambeerd. De toezichthouder heeft te vroeg ingegrepen, nog voordat eiseres volgens haar protocollen heeft kunnen handelen. De HACCP-procedure was op dat moment nog niet afgerond, aldus eiseres.
In een geval als het onderhavige waarin een boete is opgelegd, rust de bewijslast dat sprake is van een overtreding, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. Verweerder moet daarom het bewijs leveren dat eiseres de haar ten laste gelegde overtreding heeft begaan en moet daartoe de feiten deugdelijk vaststellen. Voor het bewijs dat eiseres de overtreding heeft begaan, steunt verweerder op de in het rapport van bevindingen beschreven waarnemingen van de toezichthouder. Volgens vaste rechtspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb), onder meer de uitspraak van 16 september 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:474), mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een toezichtrapport, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht over de benodigde expertise te beschikken om het wettelijk geregelde toezicht te houden.
Uit het rapport van bevindingen blijkt dat de toezichthouder condens heeft aangetroffen aan een buis van de condensor in een ruimte waar levensmiddelen worden bereid, behandeld of verwerkt en dat condensdruppels naar beneden vielen op daaronder gelegen hammen die niet bedekt waren en bestemd waren voor humane consumptie. De rechtbank ziet geen aanleiding aan de juistheid van de bevindingen van de toezichthouder te twijfelen en ook eiseres betwist dit niet.
Het voorkomen van condens op oppervlakken is een resultaatsverplichting. Voor zover eiseres heeft gesteld dat condensvorming in haar bedrijf niet volledig is te voorkomen, mag verweerder van eiseres verlangen dat zij condens direct verwijdert, indien er condens op een oppervlak aanwezig is. De interne protocollen van eiseres hebben er kennelijk niet toe geleid dat de condens direct is verwijderd. Door met condens verontreinigd vlees volgens het HACCP-protocol te flamberen of weg te snijden wordt een overtreding niet voorkomen. Flamberen of wegsnijden kan hoogstens worden beschouwd als een herstelmaatregel achteraf en niet als een procedure binnen het proces ter bescherming van vlees tegen elke vorm van verontreiniging. Dat de toezichthouder volgens eiseres te vroeg heeft ingegrepen waardoor eiseres geen gelegenheid heeft gekregen om volgens haar protocollen te handelen, verandert niets aan het feit dat er condens was aangetroffen aan een voorziening aan het plafond en er condensdruppels zijn gevallen op hammen die al waren gestempeld.
Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder op basis van het rapport van bevindingen terecht heeft geconcludeerd dat eiseres de vorming van condens op oppervlakken niet heeft voorkomen en eiseres er evenmin voor heeft gezorgd dat levensmiddelen in alle stadia van de productie en verwerking werden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor het vlees ongeschikt kan worden voor menselijke consumptie, schadelijk kan worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kan worden verontreinigd dat het redelijkerwijze niet meer in die staat kan worden geconsumeerd. Met het rapport van bevindingen heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiseres het voorschrift onder 2b van hoofdstuk I van bijlage II alsmede het voorschrift onder 3 van hoofdstuk IX van bijlage II bij Verordening (EG) 852/2004 heeft overtreden. Verweerder was daarom bevoegd voor beide feiten een boete op te leggen.
7. Eiseres heeft aangevoerd dat het boetebedrag dient te worden gehalveerd, omdat de risico’s of gevolgen voor de volksgezondheid gering zijn gelet op het feit dat er gemopt wordt en geflambeerd en bijgesneden wordt als er condensdruppels naar beneden zijn gevallen. Verweerder heeft de recidivebepaling niet mogen toepassen omdat er geen sprake is van eenzelfde feit als bedoeld in de recidivebepaling, nu er in dit geval gelet op het geringe risico voor de volksgezondheid sprake is van een minder ernstige overtreding dan de eerdere overtreding die aan de recidive ten grondslag is gelegd, aldus eiseres.
Verweerder heeft bij het vaststellen van de hoogte van de boete reeds rekening gehouden met een dusdanige samenhang tussen beide beboetbare feiten dat voor beide overtredingen tezamen slechts eenmaal een boetebedrag is vastgesteld, te weten het boetebedrag horende bij het beboetbare feit 2. Gelet op artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren, in verbinding met artikel 1.2 en de bijbehorende bijlage van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren bedraagt het standaardboetebedrag voor deze overtreding € 2.500,-.
In artikel 2.3, aanhef en onder a, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren is bepaald dat het boetebedrag wordt gehalveerd indien de risico’s of de gevolgen van een overtreding voor de volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of milieu gering zijn of ontbreken. Verweerder heeft terecht geen reden gezien om de boete op grond van deze bepaling te halveren. In het bestreden besluit heeft verweerder afdoende toegelicht waarom het druppelen van condens op karkassen een gevaar voor de volksgezondheid kan opleveren. Condensdruppels kunnen een voedingsbodem zijn voor ziektekiemen, schimmels en bacteriën, die door de druppels kunnen worden verspreid. Ook kunnen druppels verontreinigd zijn met chemicaliën en ander vuil. Door de condensvorming en de omstandigheid dat condensdruppels zijn gevallen op producten bestemd voor humane consumptie is een reëel risico ontstaan dat de producten in aanraking zijn gekomen met ziektekiemen. Bijkomend risico van condens is dat het vrijwel direct niet meer zichtbaar is en ook niet meer zal worden verwijderd als het eenmaal op vlees terecht is gekomen. Er kan daarom niet worden gezegd dat het risico voor de volksgezondheid gering is geweest.
Verweerder heeft het standaardboetebedrag met toepassing van artikel 2.5 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren terecht verhoogd tot € 5.000,-, omdat aan eiseres bij besluit van 12 april 2024 een boete is opgelegd van € 2.500,- voor eenzelfde overtreding als hier aan de orde. Anders dan eiseres heeft betoogd maakt de omstandigheid dat in dit geval sprake is van condensvorming en volgens eiseres een gering risico voor de volksgezondheid, niet dat het hier niet gaat om eenzelfde overtreding als bedoeld in artikel 2.5 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren. Verordening (EG) 852/2004 maakt geen onderscheid in de aard van de overtreding omdat elke verontreiniging een risico op besmetting met ziekmakende bacteriën inhoudt. De eerdere boete heeft er niet toe geleid dat herhaling is voorkomen. De rechtbank vindt de verhoging in dit geval niet onredelijk of onevenredig.
Volgens rechtspraak van het CBb, onder meer de uitspraken van 31 maart 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:134, onder 5.2), 30 september 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:534, onder 5.1) en 6 juli 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:700, onder 7) brengt artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) met zich dat de rechter dient te toetsen of de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding. Voor bij wettelijk voorschrift vastgestelde boetebedragen, waarvan in deze zaak sprake is, vormt artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het kader waarin de op artikel 6 van het EVRM gestoelde evenredigheidstoets wordt voltrokken. Binnen dit kader kan en behoort te worden beoordeeld of de voorgeschreven boete in het concrete geval evenredig is aan met name de aard en ernst van de geconstateerde overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en, zo nodig, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Als in een stelsel van bij wettelijk voorschrift vastgestelde boetebedragen niet of nauwelijks wordt gedifferentieerd op basis van feiten en omstandigheden die voor de evenredigheid van het boetebedrag van belang kunnen zijn, kan eerder de noodzaak bestaan om in een concreet geval van dit boetestelsel af te wijken. Het is aan de overtreder om aannemelijk te maken dat zulke feiten en omstandigheden in het concrete geval aan de orde zijn en moeten leiden tot een lagere boete. Eiseres heeft dat niet aannemelijk gemaakt. Anders dan eiseres heeft gesteld is geen sprake van een geringe ernst van de overtreding, omdat overtreding van hygiënevoorschriften een ernstig gevaar voor de volksgezondheid kan opleveren. Daarom heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om met toepassing van artikel 5:46, derde lid, van de Awb af te wijken van het wettelijk stelsel van gefixeerde boetes.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Fransen, rechter, in aanwezigheid van mr.S.L. Mehlbaum, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026.
De rechter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.