RECHTBANK ROTTERDAM
1 1. [eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats 1] , eisers 1(gemachtigde: mr. M.J. Smaling),
2 [eiser 3] en [eiser 4] , uit [woonplaats 2] , eisers 2 (gemachtigde: mr. S.K. Reijke),
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 24/7795, ROT 24/7802 en ROT 24/7839
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2026 in de zaken tussen
3. [eiser 5] , [eiser 6] , [eiser 7] , [eiser 8] , [eiser 9] , [eiser 10] , [eiser 11] , [eiser 12] , [eiser 13] , [eiser 14] , [eiser 15] , [eiser 16] en [eiser 17] weduwe van [naam 1]), uit [woonplaats 3] , eisers 3 (gemachtigde: [eiser 5] ),
gezamenlijk aangeduid als ‘eisers’,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam
(gemachtigden: mr. M.A.C. Kooij en mr. C.W. de Jong).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [bedrijf] uit [vestigingsplaats 1] (vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. D. op de Hoek).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor het verbouwen en uitbreiden van een pand naar zeven woningen inclusief het uitvoeren van funderingsherstel. Eisers 1 (zaaknummer ROT 24/7795), eisers 2 (zaaknummer ROT 24/7802) en eisers 3 (zaaknummer ROT 24/7839) zijn het daar niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van deze omgevingsvergunning.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen gegrond zijn. Eisers krijgen dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 14 augustus 2023 (het primaire besluit) heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen en uitbreiden van het pand aan de [straatnaam 1] en de [straatnaam 2] in [locatie 1] (het pand) naar zeven woningen en het uitvoeren van funderingsherstel. Met de bestreden besluiten 1 (eisers 1), 2 (eisers 2) en 3 (eisers 3) van 2 juli 2024 op de bezwaren van eisers is het college bij dat besluit gebleven.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Eisers 1 en 2 hebben hier schriftelijk op gereageerd.
De rechtbank heeft de beroepen op 2 april 2026 tezamen op zitting behandeld. Hieraan hebben namens eisers deelgenomen: eisers 1 en hun gemachtigde, eisers 2 en hun gemachtigde, de gemachtigde van eisers 3 vergezeld door [eiser 13] , [eiser 6] , [naam 2] en [naam 3] (voor [eiser 17] ). Namens het college zijn verschenen de gemachtigden van het college vergezeld door [naam 4] (welstand), [naam 5] (monumenten en cultureel erfgoed), mr. B.P.M. Szachnowski (bouw- en woningtoezicht) en [naam 6] (constructeur) en namens de vergunninghouder de gemachtigde.
De rechtbank heeft op de zitting het onderzoek geschorst in alle zaken om het college in de gelegenheid te stellen ontbrekende besluiten op bezwaar in de zaak ROT 24/7839 over te leggen. Het college heeft deze besluiten op respectievelijk 8 en 20 april 2026 overgelegd.
Nadat geen van partijen heeft aangegeven op een nadere zitting te willen worden gehoord, heeft de rechtbank het onderzoek in alle zaken op 30 april 2026 gesloten.
De rechtbank heeft op 21 mei 2026 besloten het onderzoek te heropenen in de zaak ROT 24/7802 om het college de gelegenheid te geven nog nadere informatie te verstrekken over een sloopvergunning.
Het college heeft op 4 juni 2026 een nadere toelichting gegeven. Eisers 2 hebben op 22 juni 2026 schriftelijk gereageerd.
Geen van de partijen in de zaak ROT 24/7802 heeft aangegeven op een nadere zitting te willen worden gehoord. De rechtbank heeft het onderzoek in de zaak ROT 24/7802 op 3 augustus 2026 gesloten.
Gelet op de samenhang van de beroepen heeft de rechtbank aanleiding gezien de onderhavige procedures op de voet van artikel 8:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te voegen.
Overgangsrecht Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 20 januari 2023. Dat betekent dat in dit geval het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van de bestreden besluiten
4. Vergunninghouder heeft op 20 januari 2023 een aanvraag ingediend voor het verbouwen van het pand aan de [straatnaam 1] en de [straatnaam 2] naar zeven woningen met een gemeenschappelijk atelier, fietsenstalling en wasruimte. Op het pand aan de [straatnaam 1] wordt een dakopbouw in één bouwlaag gerealiseerd en op het pand aan de [straatnaam 2] wordt een dakopbouw in drie bouwlagen gerealiseerd. Op de derde verdieping worden twee dakterrassen gerealiseerd. Het dakterras aan de westgevel behoort bij een van de woningen en het dakterras aan de oostgevel is een collectief dakterras. Er wordt ook een funderingsherstel uitgevoerd.
Met het primaire besluit heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ voor het verbouwen en uitbreiden van het pand (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo). Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Dijkzigt” (het bestemmingsplan). Het perceel heeft de bestemmingen “Wonen”, “Waarde – Cultuurhistorie 1” en “Waarde – Archeologie”. Het bouwplan is in strijd met artikel 25.2 van de planregels, omdat een gebouw met een kap of een plat mag worden afgedekt; dakterrassen vallen hier niet onder. Het college heeft met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wabo in samenhang met artikel 2.7 en artikel 4, vierde lid, van bijlage II, van het Besluit omgevingsrecht de afwijking van het bestemmingsplan vergund. Daarnaast geldt ter plaatse het bestemmingsplan Parapluherziening parkeernormering Rotterdam (de Parapluherziening).
Met de bestreden besluiten heeft het college, in afwijking van het advies van de Algemene Bezwaarschriftencommissie, onder aanvulling van de motivering de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning in stand gelaten. Het college heeft hierbij ook een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit ‘het slopen van een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht’ (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wabo).
Eisers 1 wonen aan de [straatnaam 1] 326 en hun woning grenst aan het pand. Eisers 2 wonen aan de [straatnaam 1] [postcode] . Eisers 3 wonen in de nabijheid van het pand aan de [straatnaam 1] en [straatnaam 2] .
Toetsingskader
5. In artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo is bepaald op welke gronden een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden geweigerd. Dat zijn, kort weergegeven, strijd met het Bouwbesluit 2012, strijd met de gemeentelijke bouwverordening, strijd met het bestemmingsplan en strijd met redelijke eisen van welstand. Voor de activiteit gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan is in dit geval gebruik gemaakt van de afwijkingsbevoegdheid uit artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo. Uit artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo volgt dat de activiteit niet in strijd mag zijn met een goede ruimtelijke ordening. Bij de toetsing aan dat criterium wordt uitsluitend de afwijking van het bestemmingsplan zelf beoordeeld. De ruimtelijke aanvaardbaarheid van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan rechtstreeks mogelijk maakt, is namelijk al beoordeeld bij de vaststelling van het bestemmingsplan en dat geldt daarom als gegeven in deze procedure.
Bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, komt het college beleidsruimte toe en daarbij moet het college de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
6. Ter zitting hebben eisers 1 hun beroepsgronden ten aanzien van het Bouwbesluit 2012 ingetrokken. Dit onderwerp wordt in de uitspraak dan ook niet verder behandeld.
Strijd met het bestemmingsplan
7. Eisers betogen dat het bouwplan in strijd is met artikel 21.2.2, onder b, van de planregels omdat de bestaande indeling van het bouwblok niet wordt gehandhaafd. Het bestemmingsplan bevat geen definitie van het begrip “bouwblok”. Volgens eisers 1 en 2 moet daarom aansluiting worden gezocht bij de definitie van “bouwblok” uit de “ [naam 7] Groot woordenboek van de Nederlandse taal” waarin bouwblok wordt omschreven als “huizengroep in stedelijke bebouwing op een aan alle zijden door straten en wegen begrensd terrein”. Eisers voeren aan dat zowel de hoogte als de open hoek-typologie ter plaatse van de [straatnaam 1] / [straatnaam 2] onderdeel zijn van het “bouwblok” en dit wordt met het bouwplan ten onrechte gewijzigd. Daarbij wijzen eisers 2 op het naastgelegen bestemmingsplan “Middelland-Het Nieuwe Westen” waarin de bescherming van de “open hoek-typologie” expliciet is vastgelegd onder de bestemming “Waarde – Cultuurhistorie 1”. Verder voeren eisers 1 en 2 aan dat de toegestane bouwhoogte van 17 m uit artikel 19.2.2 van de planregels buiten toepassing moet blijven dan wel dat artikel 21.2.2, onder b, van de planregels een lex specialis is en daarom voorgaat op de bouwhoogte. Eisers 1 wijzen daarbij op de Cultuurhistorische verkenning Middelland & Nieuwe Westen (de Cultuurhistorische verkenning) die door het college is vastgesteld op 20 februari 2018.
Het college stelt dat het bouwplan niet in strijd is met artikel 21.2.2, onder b, van de planregels. Het bouwplan ligt in het beschermd stadsgezicht “ [straatnaam 1] - [straatnaam 3] ” en ter effectuering van deze aanwijzing heeft het perceel de bestemming “Waarde – Cultuurhistorie 1” gekregen. Uit de plantoelichting bij het bestemmingsplan volgt dat het beschermd stadsgezicht ziet op de aanwezige stedenbouwkundige structuren die zichtbaar zijn in het planmatig opgezette wegenprofiel, de groenaanleg en de hoogwaardige bebouwing waarbij een aantal bijzondere panden (niet zijnde onderhavig pand) specifiek wordt benoemd. Teneinde te garanderen dat het bestaande stratenprofiel zoveel mogelijk behouden blijft, is in de bouwregels opgenomen dat de bestaande indeling van bouwblokken dient te worden gehandhaafd. Volgens het college dient een bouwblok daarom te worden omschreven als een stedenbouwkundig ensemble van het geheel van de gebouwen. Het bouwplan levert geen wijziging van het bestaande stratenprofiel op en de indeling van het bouwblok blijft gehandhaafd. Daarbij wijst het college erop dat op grond van artikel 19.2.2 van de planregels een bouwhoogte van 17 m is toegestaan, terwijl de bouwhoogte van het pand 14,25 m bedraagt.
Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) zijn voor het antwoord op de vraag of een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, de op de verbeelding aangegeven bestemming(en) en aanduiding(en) en de daarbij behorende regels bepalend. Vanwege de rechtszekerheid moet een planregel letterlijk worden uitgelegd. Als een planregel op zichzelf niet duidelijk is en ook niet in samenhang met de andere planregels (systematiek), dan komt betekenis toe aan de niet bindende plantoelichting.
Beoordeeld dient te worden of voldaan wordt aan artikel 21.2.2., onder b, van de planregels. De rechtbank stelt vast dat het bestemmingsplan geen definitie van het begrip “bouwblok” bevat. Naar het oordeel van de rechtbank biedt ook de plansystematiek geen aanknopingspunten voor de uitleg van het begrip “bouwblok”. Dat betekent dat gekeken wordt naar de plantoelichting. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Artikel 21.1 van de planregels bepaalt dat de voor “Waarde – Cultuurhistorie 1” aangewezen gronden mede bestemd zijn voor bescherming van het beschermd stadsgezicht “ [straatnaam 1] - [straatnaam 3] ”. Uit paragraaf 3.3.4 van de plantoelichting bij het bestemmingsplan volgt dat de [straatnaam 1] - [straatnaam 3] samen één van de belangrijkste stedenbouwkundige structuren vormt. Uit paragraaf 4.4.13 van de plantoelichting volgt dat teneinde te garanderen dat het bestaande stratenprofiel binnen het beschermde stadsgezicht zoveel mogelijk gehandhaafd blijft in de bouwregels is opgenomen dat binnen bepaalde bestemmingen geen nieuwe bouwwerken mogen worden opgericht en dat de bestaande indeling van bouwblokken gehandhaafd dient te worden. Ook kent het bestemmingsplan nog een bijzondere vergunningvereiste voor het slopen van bouwwerken binnen de bestemming “Cultuurhistorie”. Naar het oordeel van de rechtbank biedt deze plantoelichting aanknopingspunten om tot de conclusie te komen dat een bouwblok ziet op het stratenprofiel als geheel, zoals het college stelt, en niet op de indeling van afzonderlijke panden, zoals eisers betogen. Nergens uit blijkt dat de indeling van een pand zelf, waaronder de hoogte en de hoekindeling van een pand, ook valt onder “bouwblok”. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat uit de plantoelichting niet volgt dat de “open hoek-typologie” onderdeel is van het beschermde stadsgezicht. Dit volgt ook niet uit de aanwijzing van de [straatnaam 1] - [straatnaam 3] als beschermd stadsgezicht. De verwijzing van eisers naar de Cultuurhistorische verkenning wordt buiten beschouwing gelaten nu die ziet op het bestemmingsplan “Middelland-Nieuwe Westen” dat niet op het pand van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan niet in strijd is met artikel 21.2.2, onder b, van de planregels. De beroepsgrond slaagt niet.
Redelijke eisen van welstand
8. Eisers 1 en 2 stellen dat de omgevingsvergunning had moeten worden geweigerd omdat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. Het welstandsadvies is niet zorgvuldig tot stand gekomen en het college had zich daar niet op mogen baseren. Daarbij wijzen eisers 1 en 2 op de notities van architectuurhistoricus en erfgoeddeskundige [naam 8] van 9 november 2023, 6 februari 2024 en 2 februari 2026 waaruit onder meer volgt dat de nieuwe uitbreiding niet is afgestemd op de karakteristieken en de compositie van het bouwblok. Eisers 1 voeren daarbij aan dat het bouwplan dan ook niet voldoet aan de Welstandsnota Rotterdam 2012 (de Welstandsnota). Door het toevoegen van een drielaags volume verdwijnt de open hoek-typologie met daglichttoetreding naar de achtergevels. Volgens eisers 1 en 2 is ook het materiaalgebruik (gevelpleisterwerk) niet afgestemd op de oorspronkelijke bebouwing. Verder stellen eisers 2 dat het bouwplan in strijd is met de Praktische Gids voor het Beschermd Stadsgezicht in Rotterdam.
Het college stelt dat het bouwplan wel voldoet aan redelijke eisen van welstand. De Commissie voor Welstand en Monumenten (de Welstandscommissie) heeft op 5 april 2023 een positief welstandsadvies gegeven. In het nadere advies van 29 april 2024 heeft de Commissie Omgevingskwaliteit en Cultureel Erfgoed (COCE) nog een toelichting gegeven op het bouwplan in het licht van het beschermd stadsgezicht. Daaruit volgt dat het uitgangspunt is dat de bestaande indeling van het hoekpand gerespecteerd en afleesbaar dient te blijven. Volgens COCE voldoet het bouwplan hier aan omdat er gebruik wordt gemaakt van een eigentijdse architectuurtaal die op subtiele wijze aansluiting zoekt bij het bestaande pand waarbij de karakteristieke hoek van het bouwblok juist meer in zijn waarde zal worden gelaten en beter afleesbaar zal blijven dan wanneer daar nauw op wordt aangesloten met een gelijksoortig gevelontwerp. Daarbij is ook hier in aanmerking genomen dat uit de Welstandsnota volgt dat beschermde stadsgezichten een aanjager en drager kunnen zijn van nieuwe ontwikkelingen. Voor wat betreft het gevelmateriaal wordt uitgegaan van lichtgrijs cementgebonden gekamd gevelpleisterwerk. Dit pleisterwerk wordt voorzien van horizontale gladgestreken banden waarmee de bandvormige accenten in het gevelvlak van het historische pand volgens een eigentijds ontwerp worden voortgezet.
Uitgangspunt is dat het college niet aan een welstandsadvies is gebonden en dat de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij het college zelf berust. Het college mag bij het nemen van zijn besluit wel op dat advies afgaan. Dat mag het college doen, nadat is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of gemotiveerd heeft aangevoerd dat het welstandsadvies in strijd is met de geldende welstandscriteria of anderszins onjuist dan wel onvolledig is.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het welstandsadvies onzorgvuldig tot stand is gekomen. De welstandscommissie en de COCE hebben vijf adviezen uitgebracht, te weten op 8 juni 2022, 5 april 2023, 17 januari 2024, 22 januari 2024 en 29 april 2024. In deze adviezen is getoetst aan de gebiedscriteria voor bijzondere gebieden “Niet-planmatige uitbreidingen” uit de Welstandsnota. Daarin is onder meer bepaald dat bouwinitiatieven de stedenbouwkundige structuur herkenbaar moeten houden en deze niet moeten verstoren. Verder moeten bouwinitiatieven in maat en schaal zijn afgestemd op de omliggende bebouwing en de stad als geheel. Materiaal, kleur en detaillering moeten de verschijningsvorm op samenhangende wijze ondersteunen. Het college heeft in dit kader toegelicht dat de Praktische gids voor het Beschermd stadsgezicht, waar eisers 2 naar verwijzen, geen beleid is maar een handreiking met sneltoetscriteria voor veel voorkomende kleine bouwwerkzaamheden in beschermde stadsgezichten. Het bouwplan valt hier niet onder en gelet op het bouwplan moet er getoetst moet worden aan de gebiedscriteria.
De rechtbank stelt voorop dat het bestemmingsplan het op grond van artikel 19.2.2 mogelijk maakt dat op het perceel wordt gebouwd tot een hoogte van 17 m. Dit moet bij de welstandstoets als uitgangspunt worden gehanteerd. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt namelijk dat de welstandstoets zich in beginsel dient te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. Uit het algemeen karakter van het welstandsvereiste vloeit voort dat bij de welstandstoets de voor de grond geldende bebouwingsmogelijkheden als uitgangspunt dienen te worden gehanteerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan getoetst dient te worden aan de gebiedscriteria. De rechtbank oordeelt verder dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan niet in strijd is met de welstandscriteria voor bijzondere gebieden “Niet-planmatige uitbreidingen”. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het pand weliswaar in beschermd stadsgezicht ligt, maar dat uit de Welstandsnota volgt dat er ruimte is voor nieuwe ontwikkelingen bij beschermde stadsgezichten. Volgens de Welstandsnota staan behoud en veranderingen elkaar niet in de weg. De welstandscommissie heeft toegelicht dat het nieuwe volume aan beide straatwanden juist iets wordt teruggelegd zodat het bestaande pand voldoende op de voorgrond blijft. Het gebruik van ander materiaal zorgt er bovendien voor dat de bestaande gevel afleesbaar blijft. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand en dat wat betreft de materiaalkeuze het bouwplan niet in strijd is met de Welstandsnota. De beroepsgrond slaagt niet.
Evidente privaatrechtelijke belemmering
9. Eisers 2 betogen dat het dakterras binnen twee meter van de erfgrens zal worden gebouwd en dat dit in strijd is met artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek. Volgens eisers 2 kan dit niet worden opgelost met een privacy scherm omdat dit de zonlichttoetreding bij eisers 2 nog verder beperkt. Ook past een privacy scherm niet binnen de cultuurhistorische waarden van het beschermd stadsgezicht. Eisers 2 zullen hiervoor ook geen toestemming voor verlenen.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestaat voor het oordeel dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van een omgevingsvergunning waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan in de weg staat, slechts aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit. Een privaatrechtelijke belemmering is pas evident indien zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat voor de realisering van een bouwwerk de toestemming van een ander is vereist en die ander die toestemming niet geeft en niet hoeft te geven.
Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering die in de weg staat aan de verlening van de omgevingsvergunning. Ten aanzien van een eventueel privacy scherm geldt dat betrokken partijen bij een geschil van mening hierover naar de burgerlijke rechter kunnen gaan en die zal oordelen over een eventuele weigering van eisers 2 om medewerking te verlenen voor een privacy scherm. Naar het oordeel van de rechtbank staat dat uitkomst niet al op voorhand vast. De beroepsgrond slaagt niet.
Woon- en leefklimaat
10. Eisers voeren aan dat het bouwplan nadelige gevolgen heeft voor hun woon- en leefklimaat. Het bouwplan leidt tot een afname van de zonneduur in de woningen en op de percelen van eisers. Daarbij wijzen eisers 1 en 2 op het bezonningsonderzoek dat is uitgevoerd door bezonningsingenieur.nl. Eisers 3 vrezen dat de nieuwe bewoners van de studio’s niet of nauwelijks binding zullen hebben met de buurt, terwijl de gemeente jarenlang beleid heeft gevoerd om de buurt te versterken en aantrekkelijk te maken voor jonge gezinnen. Verder is volgens eisers 2 het collectieve dakterras niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening omdat er veel intensiever gebruik van zal worden gemaakt nu het bouwplan voorziet in kleine woningen zonder buitenruimte.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat het college bij de afweging van de bij de besluitvorming betrokken belangen mag meewegen dat negatieve gevolgen van een bouwplan ook kunnen worden veroorzaakt door de fictieve realisering van een bouwplan dat in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Hierbij gaat het om wat er volgens het bestemmingsplan mogelijk is en wat zou kunnen worden gerealiseerd, los van het bouwplan.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft bij zijn besluit tot het verlenen van de omgevingsvergunning terecht meegewogen dat op grond van artikel 19.2.2 van de planregels een bouwhoogte van 17 m is toegelaten. Het bouwplan overschrijdt deze toegestane bouwhoogte niet. Dat het bouwplan mogelijk negatieve invloed heeft op de mate van zonlicht in de woningen en op de percelen van eisers, is een gevolg dat kan optreden bij het bouwen in overeenstemming met de bestemming “Wonen”. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat realisering van het bouwplan niet zal leiden tot een zodanig ernstige beperking van de bezonning voor de woningen en de percelen van eisers dat het college de omgevingsvergunning hierom had moeten weigeren. Verder bevat het bestemmingsplan ook geen specifieke bepalingen voor woningen voor jonge gezinnen en hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat zij onevenredige hinder zullen ondervinden van het collectieve dakterras. De beroepsgrond slaagt niet.
Autoparkeereis
11. Eisers betogen dat het bouwplan niet voldoet aan de autoparkeereis omdat het college ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de vrijstelling voor kleine projecten uit artikel 4 van de Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022 (de Beleidsregeling). Volgens eisers had voor het al dan niet voldoen aan de vrijstelling voor kleine projecten niet alleen gekeken moeten worden naar de toename van de gebruiksoppervlakte van het pand door het bouwplan, maar naar de totale gebruiksoppervlakte van het pand.
Het college stelt dat het bouwplan valt onder de vrijstelling voor kleine projecten uit artikel 4 van de Beleidsregeling en dat er daarom geen autoparkeereis hoeft te worden gesteld. Het college heeft toegelicht dat de functie wonen op het perceel ongewijzigd blijft en dat voor de vrijstelling voor kleine projecten daarom alleen gekeken dient te worden naar de toename van de gebruiksoppervlakte die gemoeid is met het bouwplan. Daarbij wijst het college op de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2016. Volgens het college blijft de toename van de gebruiksoppervlakte onder het maximum van 300 m2 waardoor het bouwplan voldoet aan de vrijstelling voor kleine projecten.
Uit artikel 4 van de Beleidsregeling volgt dat voor kleine projecten geen autoparkeereis wordt gesteld. Onder kleine projecten voor woonfuncties wordt verstaan de ontwikkelingen die passen binnen een maximum van 300 m2 gebruiksoppervlakte.
Naar het oordeel van de rechtbank is het college er in het bestreden besluit ten onrechte van uitgegaan dat voor het bouwplan voor autoparkeren een vrijstelling voor kleine projecten geldt. Uit de Beleidsregeling volgt niet dat er alleen gekeken dient te worden naar de toename in gebruiksoppervlakte die met het bouwplan is gemoeid. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in de toelichting bij artikel 4, eerste lid, van de Beleidsregeling staat dat “het aantal m2 van het totale project is gekoppeld aan de aanvraag voor een omgevingsvergunning”. Gelet op de tekeningen bij de (gewijzigde) aanvraag gaat het hier om een gebruiksoppervlakte voor woonfunctie van in totaal 350,4 m2. Daarmee wordt het hiervoor genoemde maximum aantal m2 overschreden. De verwijzing van het college naar de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2016 gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op nu het in die uitspraak niet gaat om de toepassing van de vrijstelling voor kleine projecten. Verder heeft het college zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een autoparkeereis van 1 en dat ten aanzien daarvan kan worden afgeweken door middel van een alternatieve parkeervoorziening zoals bedoeld in artikel 10 van de Beleidsregeling aan de [straatnaam 4] in [locatie 2], volgt de rechtbank het college hierin niet. Uit Google Maps blijkt dat de loopafstand van het pand naar de [straatnaam 4] circa 750 m is. Deze parkeervoorziening ligt dus niet binnen een loopafstand van 600 m en kan daarom niet dienen als een alternatieve parkeervoorziening. De rechtbank concludeert dan ook dat het bouwplan niet voldoet aan de autoparkeereis. De rechtbank oordeelt om deze reden dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd is en daardoor in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) is. De beroepsgrond slaagt.
Sloopvergunning
12. Eisers 2 voeren aan dat de omgevingsvergunning voor de sloop in strijd met artikel 21.5.3 van de planregels is verleend. Volgens eisers 2 is niet beoordeeld of de sloop het aanzien en/of karakteristiek van het beschermd stadsgezicht schaadt.
De rechtbank stelt voorop dat het college in het stelsel van de Wabo alleen kan beslissen over een omgevingsvergunning als er een aanvraag voor die vergunning is gedaan. Uitgangspunt van de Wabo is namelijk dat de aanvrager bepaalt voor welke activiteiten hij een aanvraag indient en dus wat de omvang van het project is. Daar bestaat een uitzondering op, namelijk in de situatie als bedoeld in artikel 2.7 van de Wabo wanneer sprake is van onlosmakelijke samenhang met een niet aangevraagde activiteit. Uit deze bepaling volgt dat een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking dient te hebben op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project. Van onlosmakelijke samenhang is sprake als één feitelijke handeling per definitie in meerdere vergunningplichten resulteert. Het moet daarbij gaan om activiteiten die in juridische zin onlosmakelijk met elkaar samenhangen. Dit is het geval als de activiteiten fysiek en volgtijdelijk niet van elkaar te onderscheiden zijn.
De rechtbank stelt voorop dat voor het uitvoeren van het bouwplan de gedeeltelijk zichtbare, bestaande achtergevel en de schoorsteen aan de tuinzijde moeten worden gesloopt. Het college heeft onder aanvulling van de motivering in de bestreden besluiten een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit ‘het slopen van een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht’ (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wabo).
De rechtbank overweegt dat in het stelsel van de Wabo geen plaats is voor een beslissing over een omgevingsvergunning anders dan op grond van een daartoe strekkende aanvraag. Niet in geschil is dat er geen sloopvergunning is aangevraagd en dat er sprake is van onlosmakelijke samenhang tussen de aangevraagde activiteiten en de sloopactiviteiten. Nu de aanvraag niet ziet op slopen, had het college vergunninghouder met toepassing van artikel 4:5 van de Awb de gelegenheid moeten bieden om de aanvraag aan te vullen en indien die aanvulling zou zijn uitgebleven, de aanvraag buiten behandeling dienen te stellen. Door dit na te laten en daarop te beslissen, heeft het college in strijd gehandeld met artikel 4:5 van de Awb in verbinding met artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college geen omgevingsvergunning had kunnen verlenen voor de sloop nu sloop niet is aangevraagd. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd en het primaire besluit dient te worden herroepen. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
13. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten, omdat het college ten aanzien van eisers 2 een vergunning heeft verleend voor een activiteit die niet is aangevraagd en omdat het college ten aanzien van alle eisers de autoparkeereis opnieuw beoordelen en motiveren. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college nieuwe besluiten moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor een termijn van twaalf weken.
Omdat de beroepen gegrond zijn moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden. Eisers 1 en 2 krijgen daarnaast ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt voor eisers 1 en 2 ieder € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers 1 en 2 ieder een beroepschrift hebben ingediend en aan de zitting hebben deelgenomen. Eisers 3 krijgen geen vergoeding van hun proceskosten omdat zij in persoon hebben geprocedeerd. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
ROT 24/7795
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 2 juli 2024;
- draagt het college op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eisers 1 moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers 1.
ROT 24/7802
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 2 juli 2024;
- herroept het besluit van 14 augustus 2023;
- draagt het college op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eisers 2 moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers 2.
ROT 24/7839
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 2 juli 2024;
- draagt het college op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eisers 3 moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.S.Y. Verweij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:5
1. Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:
a. de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of
b. de aanvraag geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, of
c. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking,
mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.
(…).
Artikel 7:12
1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 van het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied.
(…).
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
(…)
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
(…)
h. het slopen van een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht of
(…).
Artikel 2.7
1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 2.10, tweede lid, en 2.11, tweede lid, draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project. In afwijking van de eerste volzin en onverminderd artikel 2.5 kan, indien één van die onlosmakelijke activiteiten een activiteit is als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor die activiteit voorafgaand aan en los van de overige onlosmakelijke activiteiten een aanvraag om een omgevingsvergunning worden ingediend.
(…).
Artikel 2.10
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet;
b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet;
c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;
d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;
e. de activiteit een wegtunnel als bedoeld in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels betreft en uit de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden blijkt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, van die wet gestelde norm.
2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
(…)
2. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
(…).
Besluit omgevingsrecht
Bijlage II artikel 4
Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:
(…)
4. een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw;
(…).
Bestemmingsplan Dijkzigt
Artikel 19 Wonen
Artikel 19.2.2 Bebouwingsnormen
a. de maximum bouwhoogte van gebouwen bedraagt niet meer dan met de aanduiding "maximum bouwhoogte (m)" op de verbeelding is aangegeven.
Artikel 21.2 Waarde – Cultuurhistorie 1
Artikel 21.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Cultuurhistorie 1' aangewezen gronden zijn behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor bescherming van het beschermd stadsgezicht "Het Waterproject" en " [straatnaam 1] - [straatnaam 3] ".
Artikel 21.2.2 Specifieke bouwregels
(…)
b. de bestaande indeling van bouwblokken dient te worden gehandhaafd.
Artikel 21.5 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
Artikel 21.5.3 Vergunning
Vergunning wordt verleend indien door het slopen het aanzien en/of de karakteristiek van het beschermd stadsgezicht niet of niet in betekenende mate wordt geschaad.
Paraplubestemmingsplan parkeernormering Rotterdam
Artikel 3
Een omgevingsvergunning voor het bouwen, alsmede voor het laden en lossen van goederen, zoals toegestaan op grond van de onderliggende ruimtelijke plannen, wordt slechts verleend, indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de normering zoals deze is opgenomen in bijlage 1, “Parkeerbeleid, normering 2010” of de rechtsopvolgers daarvan.
Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022
Artikel 4 Kleine projecten
1. Bij kleine projecten wordt geen parkeereis gesteld. Onder kleine projecten wordt verstaan de ontwikkelingen die passen binnen de oppervlakten die zijn opgenomen in onderstaande tabel:
2. Bij kleine projecten die bestaan uit een combinatie van woonfuncties en niet-woonfuncties kunnen de oppervlakten uit lid 1 bij elkaar worden opgeteld.
ABRvS 19 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:637. ABRvS 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:950. ABRvS 30 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3023. ABRvS 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2828. ABRvS 16 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1259. ABRvS 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2924. ABRvS 10 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:521. ABRvS 18 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2206.