ECLI:NL:RBROT:2026:11935

ECLI:NL:RBROT:2026:11935

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 29-07-2026
Datum publicatie 14-09-2026
Zaaknummer 10-166878-25; 10-120147-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Dordrecht

Samenvatting

Veroordeling voor een poging tot zware mishandeling, twee mishandelingen, bedreiging en vernieling. Gevangenisstraf van tien maanden, de maatregel tbs met dwangverpleging, een vrijheidsbeperkende maatregel (38v) en een gedragsbeïnvloedende- en vrijheidsbeperkende maatregel (38z)

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummers: 10-166878-25; 10-120147-26

Datum uitspraak: 29 juli 2026

Datum zitting: 15 juli 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres: [straatnaam] , [postcode] [woonplaats 1] ,

gedetineerd in het [locatie] .

Advocaat van de verdachte: mr. J.S. de Gram

Officier van justitie: mr. S. Bosmans

Benadeelde partij: [benadeelde]

Advocaat van de benadeelde partij: mr. I.K. Oosterveen

Kern van het vonnis

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een bedreiging met zware mishandeling, de beschadiging van een bank, een poging tot zware mishandeling, de mishandeling van een ex-vriendin en de mishandeling van een andere ex-vriendin. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot 10 maanden gevangenisstraf, de maatregel tbs met dwangverpleging, een vrijheidsbeperkende maatregel (38v), en een gedragsbeïnvloedende- en vrijheidsbeperkende maatregel (38z).

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging, vernieling, twee mishandelingen en een poging tot doodslag dan wel poging tot zware mishandeling.

De volledige tenlastelegging houdt in dat:

10-166878-25

1

hij op of omstreeks 3 mei 2025 te Rotterdam, althans Nederland

[slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware

mishandeling, door die [slachtoffer 1] en/of derden (schriftelijk) dreigend de woorden toe te

voegen

"Schop haar door heel haar kkr straat" en/of "Ja en haar huis is plat. I dont fuck around"

en/of "Jullie denken maak grap. Haar huis is nu letterlijk in flammen. Ze gaat zelf wel zien.

Ze ziet het zelf wel"

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, van welke bedreiging die [slachtoffer 1]

kennis heeft genomen;

2

hij op of omstreeks 4 mei 2025 te Rotterdam

opzettelijk en wederrechtelijk

een bank en/of een koelkast, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een

ander, te weten aan [slachtoffer 1] , toebehoorde

heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

3

hij op of omstreeks 30 mei 2025 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk

een ander, te weten [slachtoffer 1]

van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

(meermalen)

- met zijn, verdachtes, handen haar nek en/of keel en/of hals te pakken en/of

- ( vervolgens)(met kracht) de nek en/of keel en/of hals van slachtoffer dicht te knijpen

en/of drukken en/of houden

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4

hij op of omstreeks 30 mei 2025 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, zijn (ex-)partner

[slachtoffer 1] , heeft mishandeld door deze

(meerdere keren)(met kracht)

- met zijn schouder tegen haar lichaam te duwen/stoten en/of

- haar op de grond te duwen/trekken en/of

- aan haar haren te trekken en/of

- in haar gezicht te spugen;

10-120147-26

hij op of omstreeks 12 april 2026 te Rotterdam

[slachtoffer 2] heeft mishandeld, door

die [slachtoffer 2]

- ( met kracht) bij haar arm(en) te pakken en/of

- ( vervolgens) (met kracht) met zijn (vlakke) hand op haar gezicht en/of hoofd te

slaan en/of stompen;

2. Bewijs

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de feiten 1, 3 en 4 met parketnummer 10-166878-25 en het feit met parketnummer 10-120147-26. De verdachte dient partieel te worden vrijgesproken van feit 2 met parketnummer 10-166878-25 omdat de vernieling van de koelkast niet kan worden bewezen.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de zaak met parketnummer 10-166878-25 integrale vrijspraak bepleit voor de feiten 1, 2 en 3 en partiële vrijspraak voor feit 4. De bewoordingen in de tenlastelegging van feit 1 kunnen niet worden gekwalificeerd als bedreigingen en bovendien ontbrak bij aangeefster de redelijke vrees. Ten aanzien van de vernielingen stelt de verdediging zich op het standpunt dat de verdachte geen opzet had op het vernielen van de bank en dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de vernieling van de koelkast. Ten aanzien feit 3 is het primaire standpunt dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het geweld op de hals. Subsidiair stelt de verdediging dat er onvoldoende bewijs is voor de poging tot doodslag of de poging tot zware mishandeling, omdat er geen duidelijkheid bestaat over intensiteit, duur en de exacte plaats van de vermeende geweldshandelingen. Meer subsidiair wordt aangevoerd dat de verdachte geen (voorwaardelijke) opzet had op de dood of op zwaar lichamelijk letsel. Ten aanzien van feit 4 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank maar verzoekt daarbij om de verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheid ex artikel 304 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht omdat een ‘(ex-)partner’ niet onder deze bepaling valt.

De verdediging heeft zich ook ten aanzien van het feit met parketnummer 10-120147-26 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling, beschadiging van een bank, een poging tot zware mishandeling en twee mishandelingen. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.

De bewezenverklaring van het feit met parketnummer 10-120147-26 is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.

1. Verklaring van de verdachte

2. Proces-verbaal van de politie

De bewezenverklaring van de feiten met parketnummer 10-166878-25 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.

1. Verklaring van de verdachte

Op 4 mei 2025 heb ik de bank inderdaad een beetje laten doorbranden. Er waren geen vlammen of zo en die heb ik uiteindelijk zelf ook weer uitgedrukt.

De woorden die u mij nu voorleest uit feit 1 van de tenlastelegging heb ik op 3 mei 2025 inderdaad gezegd.

De aangeefster en ik hebben op 30 mei 2025 aan elkaars haren getrokken.

Het was een worsteling met duwen en trekken.

Ik heb haar met forse kracht van mij afgeduwd.

Dat zou inderdaad bij haar hals kunnen zijn geweest.

Ik heb haar bij haar haar, bij haar schouders en bij haar arm vastgepakt.

2. Proces-verbaal van de politie, verklaring van aangeefster [aangeefster]

Ik woon in [woonplaats 2] .

Op 3 mei 2025 belde omstreeks 18.45 uur belde [verdachte] naar mijn vriendin [naam ] en kreeg zij daarna op Whatsapp berichten van hem. Daarin stond onder andere het volgende:

“Schop haar door heel haar kkr straat.”

[naam ] belde mij om 18.45 uur dat [verdachte] haar continu aan het appen en bellen is en dat hij boos is. [naam ] stuurde mij schermafbeeldingen van delen het gesprek. Ik ben die avond om 19.55 uur naar [naam ] gegaan om daar de nacht door te brengen. Toen ik daar aankwam liet zij mij nog meer Whatsapp gesprekken zien.

Daarin stond onder andere:

“- 8.49 pm Ja en haar huis is plat. I dont fuck around;

- 8.49 pm Jullie denken maak grap. Haar huis is nu letterlijk in flammen. Ze gaat zelf wel zien. Ze ziet het zelf wel”

Op 4 mei 2025 zag ik dat er een brandvlek op de voorkant van mijn bank zat. De plek was ongeveer 15 centimeter breed en 20 centimeter hoog. Ik zag dat de bekleding van de bank weggebrand was tot het houtwerk. Ik zag schroeiplekken rondom de vlek. Ik zag dat de onderkant van de bank ook beschadigd was. Ik zag dat er as op de grond lag onder de plek waar de bank in de brand had gestaan. Ik maak hieruit op dat mijn bank onherstelbaar vernield is. Uit de Whatsapp berichten maak ik op dat [verdachte] dit met opzet heeft gedaan.

Op 4 mei 2025 omstreeks 20.19 uur stuurde [verdachte] tekst- en spraakberichten naar mij via Instagram. Hierin zei hij onder andere het volgende:

“Maar dat ik dit heb gedaan met jouw bank. Het is jouw keuze. Toen jij met mijn hart ging spelen. Dat jij ook mijn hart in fakking de fik heb gezet.”

Ik ben erg geschrokken van de bedreigingen en hoe ik mijn huis aantrof. Ik ben bang dat [verdachte] mij nog meer wil aandoen. Ik ben bang dat hij weer voor mijn deur staat en mij pijn zal doen. Hij heeft mij weleens eerder op straat ergens heen gesleurd en heeft me thuis geslagen.

Ik ben echt bang geworden. Ik heb de sloten van mijn deuren van mijn huis en van het tuinhek op 4 mei 2025 in de middag laten vervangen door een slotenmaker. Ik slaap nu bij vrienden, omdat ik bang ben om thuis te slapen.

3. Proces-verbaal van de politie, verklaring van aangeefster [aangeefster]

Op 30 mei 2025 was ik in mijn woning in [woonplaats 2] .

Ik hoorde dat [verdachte] begon te schelden. Ik zag dat [verdachte] dichter naar mij toe bewoog terwijl hij aan het schreeuwen was. Op dat moment kwam hij weer met zijn rechterhand in mijn gezicht. Ik duwde hem weg en hierop trok hij aan mijn haar. Ik voelde dat hij aan de achterkant van mijn haar trok. Ik voelde op dat moment pijn. Ik heb ook een bosje haar wat hij uit mijn hoofd heeft getrokken. Ik probeerde mijzelf te verdedigen en hierop duwde [verdachte] zijn hand tegen mijn linker kant van gezicht. Ik weet niet meer welke hand. Ik voelde op dat moment pijn.

Ik zag dat hij opstond, om de bank heen liep en mij recht in mijn gezicht spuugde.

Ik zag dat [verdachte] op mij af kwam lopen en mij een schouderduw gaf. Ik weet niet meer met welke schouder. Ik voelde op dat moment pijn.

Ik voelde dat [verdachte] mij hard duwde en hierdoor vielen we samen op de grond. Ik viel met mijn hoofd op de grond. Ik lag onderop. Ik voelde een scheut pijn door mijn hoofd gaan. Ik probeerde mij los te rukken. Dit lukte niet. Ik voelde dat hij zijn handen op mijn hals zetten. Ik voelde dat hij kneep. Ik kreeg op dat moment geen zuurstof. Ik sloeg tegen hem aan om mij los te krijgen maar dat lukte niet. Ik voelde dat hij zijn grip verloor op mijn hals. Ik weet niet hoelang hij zijn handen op mijn keel had. Ik voelde dat hij mij meermaals in mijn gezicht sloeg. Ik zag dat hij met zijn platte rechterhand in mijn gezicht sloeg en vervolgens duwde. Ik voelde hierbij pijn. Ik voelde dat hij nogmaals zijn beide handen op mijn hals zette en kracht uitte in zijn kneep. Ik voelde dat dit langer was dan de eerste keer dat hij mij probeerde te wurgen. Ik voelde pijn en kon geen lucht krijgen. Ik weet niet hoelang hij mij vasthad in de wurging.

4. Deskundigenverslag, letselrapportage forensisch arts [naam arts]

1. Aan de rechterzijde van de hals, op de onderrand, bevindt zich een matig scherp begrensde ovale rode huidbeschadiging van ca. 1,0x0,5cm grootte.2. Aan de rechterzijde van de hals, vlak boven het sleutelbeen, bevindt zich in diagonale richting een onscherp begrensde streepvormige rode huidverkleuring van ca. 1,0x0,3cm grootte.3. Precies in het midden van de hals bevindt zich in verticale richting een onscherp begrensde, onderbroken streepvormige, rode huidverkleuring van ca. 4,5x0,5cm grootte.4. Aan de linkerzijde van de hals bevinden zich twee, in zowel diagonale als horizontale richting, matig scherp begrensde streepvormige rode huidverkleuringen van respectievelijk ca. 4,0x1,0cm en ca. 2,0x0,5cm grootte. Hiertussen bevindt zich een gebied met minimaal 5 scherp begrensde, puntvormige, rode huidverkleuringen variërend van ca. 0,1x0,1cm tot ca. 0,2x0,2cm grootte in een totaalgebied van ca. 2,5x1,5cm grootte.5. In de nek, net onder de haargrens, bevindt zich in horizontale richting een matig scherp begrensde ovale rode huidverkleuring van ca. 2,0x1,0cm grootte.6. Ongeveer midden in de nek bevinden zich in diagonale richting twee, evenwijdig aan elkaar verlopende, matig scherp begrensde streepvormige rode huidafwijkingen van ca. 1,5x0,2cm en ca. 1,0x0,2cm grootte.7. Nabij de rechter heup bevindt zich in horizontale richting een onscherp begrensde, onderbroken streepvormige, rode huidafwijking van ca. 4,0x0,1cm grootte.

Letsel 1 betreft een schaafverwonding.Letsels 2, 3 en 5 betreffen bloeduitstortingen.Letsel 4 betreffen in diagonale en horizontale richting bloeduitstortingen met hiertussenbloeduitstortingen van het type puntvormige (petechiale) kneuzingen.Letsels 6 en 7 betreffen krasverwondingen.

Bewijsmotivering

Feit 1

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte een aantal tekstberichten naar de vriendin van [aangeefster] (aangeefster) heeft gestuurd en dat de aangeefster hiervan op de hoogte is geraakt.

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat de teksten "Ja en haar huis is plat. I dont fuck around" en "Jullie denken maak grap. Haar huis is nu letterlijk in flammen. Ze gaat zelf wel zien. Ze ziet het zelf wel" niet kunnen worden gekwalificeerd als tenlastegelegde bedreigingen met enig misdrijf tegen het leven gericht of zware mishandeling in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht, aangezien de dreigementen van de verdachte kennelijk zien op de vernieling van of brandstichting in de woning waar aangeefster op dat moment niet aanwezig was..

Dat is anders voor de tekst "Schop haar door heel haar kkr straat". De rechtbank volgt niet het standpunt van de verdediging dat dit slechts een (niet-strafbare) bedreiging met eenvoudige mishandeling oplevert. Iemand door heel de straat heen schoppen, impliceert het meerdere malen hard tegen het lichaam trappen. Dit past naar het oordeel van de rechtbank meer bij een zware mishandeling dan bij een eenvoudige mishandeling. De rechtbank acht het daarnaast aannemelijk dat bij de aangeefster de redelijke vrees is ontstaan dat de verdachte zijn dreigement zou uitvoeren. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte en de aangeefster beiden hebben verklaard dat er in de relatie vaker sprake is geweest van fysieke confrontaties en dat zij op dat moment ruzie hadden, waardoor de aangeefster zich niet veilig voelde en uit voorzorg bij haar vriendin verbleef. Bovendien blijkt uit de verklaring van de aangeefster dat zij erg was geschrokken van de bedreiging en dat zij bang was dat de verdachte voor de deur zou staan en haar pijn zou doen.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de aangeefster heeft bedreigd met zware mishandeling.

Feit 2

Met de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank niet bewezen dat de verdachte de koelkast van de aangeefster heeft vernield. De verdachte zal van dit onderdeel dan ook worden vrijgesproken.

De rechtbank acht het wel bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan beschadiging van de bank van aangeefster. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verdachte de dag na het incident aan de aangeefster een bericht heeft gestuurd waarin hij schrijft: “Maar dat ik dit heb gedaan met jouw bank. Het is jouw keuze. Toen jij met mijn hart ging spelen. Dat jij ook mijn hart in fakking de fik heb gezet.”. Daarbij komt dat de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij de bank nog even heeft laten doorbranden. Uit het voorgaande, concludeert de rechtbank dat bewezen is dat de verdachte opzet heeft gehad op het beschadigen van de bank van de aangeefster.

Feit 3

De rechtbank ziet zich als eerst voor de vraag gesteld of de verdachte de keel van aangeefster heeft dichtgeknepen. De verdachte ontkent dit. Volgens zijn verklaring zijn de verwondingen aan de nek/keel van de aangeefster veroorzaakt doordat hij de aangeefster van zich af heeft geduwd en daarbij haar nek heeft geraakt. Deze verklaring past echter niet bij het door de forensisch arts geconstateerde letsel, te weten een schaafwond aan de rechterzijde van de hals, bloeduitstortingen rondom de hals en krasverwondingen aan de voorzijde van de hals. Immers, als hij de aangeefster enkel een (harde) duw had gegeven, zou het letsel zich op één plek hebben geconcentreerd in plaats van rondom de gehele nek. De verklaring van aangeefster vindt daarentegen wel steun in het geconstateerde letsel. Om die reden volgt de rechtbank de verklaring van de aangeefster. De rechtbank stelt op grond van gebezigde bewijsmiddelen vast dat de verdachte op 30 mei 2025 twee maal met twee handen de keel van aangeefster heeft vastgepakt en dichtgeknepen.

Vervolgens komt de vraag aan de orde hoe dit handelen van de verdachte moet worden gekwalificeerd.

Poging tot doodslag

Poging tot doodslag vereist dat er bij de verdachte sprake is van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het overlijden van de aangeefster. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte vol opzet had om de aangeefster te doden. Voor voorwaardelijk opzet geldt dat sprake moet zijn van een bewuste aanvaarding door de verdachte van de aanmerkelijke kans dat de aangeefster door zijn handelen zou komen te overlijden. Of de gedragingen de aanmerkelijke kans op een dergelijk gevolg in het leven roepen, is afhankelijk van de aard van die gedragingen en de omstandigheden waaronder die gedragingen zijn verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

De rechtbank stelt in dit verband vast dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om vast te stellen hoe lang verdachte geweld heeft uitgeoefend op de nek/keel van de aangeefster. Tijdens haar eerste verhoor heeft zij aangegeven dat zij niet weet hoe lang verdachte haar vasthad in de wurging. Hoewel de aangeefster hier in een aanvullend verhoor wel over heeft verklaard, kan de rechtbank zich niet aan de indruk onttrekken dat de politie tijdens dit verhoor een te sturende rol heeft aangenomen en de aangeefster mogelijk woorden in de mond heeft gelegd. Ook de deskundige heeft geen uitsluitsel kunnen geven. Om die reden kan de rechtbank niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op het overlijden van aangeefster. De ten laste gelegde poging doodslag kan daarom niet worden bewezen.

Poging tot zware mishandeling

Het gedurende enige tijd met kracht druk uitoefenen op iemands keel brengt in zijn algemeenheid een aanmerkelijke kans met zich mee, dat ten gevolge daarvan zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht. Op die plaats in het lichaam bevinden zich immers kwetsbare en vitale weke delen. Ook kan een gebrek aan zuurstof gedurende langere tijd tot een hersenbeschadiging leiden. Het is dus geenszins denkbeeldig dat het handelen van de verdachte had kunnen leiden tot zwaar lichamelijk letsel bij de aangeefster. Dit handelen van de verdachte kan, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm, niet anders worden uitgelegd dan dat de verdachte hiermee de kans dat de aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou oplopen willens en wetens heeft aanvaard. De ten laste gelegde poging tot zware mishandeling kan daarom worden bewezen.

Feit 4

Op basis van de verklaringen van aangeefster en de verdachte staat vast dat de verdachte aangeefster op 30 mei 2025 heeft mishandeld. De bewijsmiddelen houden onvoldoende in omtrent de aard en hechtheid van de betrekking tussen verdachte en aangeefster om te kunnen spreken van de mishandeling van een levensgezel in de zin van artikel 304 lid 1 onder 1 van het Wetboek van Strafrecht. Om die reden spreekt de rechtbank de verdachte van dit onderdeel vrij.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

10-166878-25

1

hij op 3 mei 2025 te Rotterdam,

[slachtoffer 1] heeft bedreigd met zware mishandeling, door derden schriftelijk dreigend de woorden toe te voegen

"Schop haar door heel haar kkr straat", van welke bedreiging die [slachtoffer 1]

kennis heeft genomen;

2

hij op 4 mei 2025 te Rotterdam

opzettelijk en wederrechtelijk

een bank die aan een

ander, te weten aan [slachtoffer 1] , toebehoorde

heeft beschadigd;

3

hij op 30 mei 2025 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk

een ander, te weten [slachtoffer 1]

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

meermalen

- met zijn, verdachtes, handen haar nek en/of keel te pakken en

- vervolgens met kracht de nek en/of keel van slachtoffer dicht te knijpen

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4

hij op 30 mei 2025 te Rotterdam,

[slachtoffer 1] , heeft mishandeld door deze

meerdere keren met kracht

- met zijn schouder tegen haar lichaam te duwen/stoten en

- haar op de grond te duwen/trekken en

- aan haar haren te trekken en

- in haar gezicht te spugen;

10-120147-26

hij op 12 april 2026 te Rotterdam

[slachtoffer 2] heeft mishandeld, door

die [slachtoffer 2]

- met kracht bij haar arm te pakken en

- vervolgens met kracht met zijn vlakke hand op haar gezicht te slaan;

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

10-166878-25

Feit 1

bedreiging met zware mishandeling;

Feit 2

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;

Feit 3

poging tot zware mishandeling;

Feit 4

mishandeling;

10-120147-26

mishandeling.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4. Straf en maatregelen

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast vordert de officier van justitie oplegging van de maatregel tbs met dwangverpleging en een gedragsbeïnvloedende- en vrijheidsbeperkende maatregel.

Standpunt van de verdediging

De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest. Voorts verzoekt de verdediging primair om via de oplegging van bijzondere voorwaarden een gedwongen opname in een forensische verslavingskliniek en eventueel aansluitende klinische opname te bewerkstelligen, al dan niet in combinatie met een gedragsbeïnvloedende- en vrijheidsbeperkende maatregel. Subsidiair verzoekt de verdediging om oplegging van de maatregel tbs met voorwaarden. Indien de rechtbank tbs met dwangverpleging overweegt, verzoekt de verdediging om de zaak te heropenen en de pro-Justitia deskundigen ter terechtzitting te horen.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zich, al dan niet onder invloed van alcohol, schuldig gemaakt aan een reeks van strafbare feiten waarvan twee van zijn (ex-)partners het slachtoffer zijn geworden.

De verdachte heeft zijn toenmalige partner bedreigd, haar bankstel beschadigd door hier een gat in te branden, haar mishandeld en met zijn handen haar keel dichtgeknepen. Een andere (ex-)partner is minder dan een jaar later eveneens slachtoffer geworden van mishandeling door de verdachte.

De verdachte heeft met de bedreiging en het in brand steken van de bank, zijn ex-partner laten schrikken en de vrees aangejaagd dat hij haar daadwerkelijk wat aan zou doen. Dat deze vrees niet ongegrond was, blijkt wel uit het feit dat de verdachte haar minder dan een maand later heeft mishandeld en haar keel heeft dichtgeknepen. Hiermee heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn ex-partner. Het handelen van de verdachte heeft grote impact op haar gehad, zo blijkt ook uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring. Het slachtoffer heeft door het handelen van de verdachte onder andere angstklachten en PTSS opgelopen waarvoor behandeling noodzakelijk bleek.

In de periode dat de voorlopige hechtenis van de verdachte voor de verdenking op het plegen van deze feiten was geschorst, heeft de verdachte zijn volgende (ex-)partner eveneens mishandeld door haar tegen haar hoofd te slaan. Door zijn handelen heeft de verdachte opnieuw een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van een (ex-)partner.

De verdachte heeft met zijn gedrag angst aangejaagd en geen respect getoond voor andermans eigendommen en voor de lichamelijke integriteit van zijn toenmalige partners. Daarbij komt dat de verdachte ter terechtzitting slechts in beperkte mate verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Dat rekent de rechtbank hem aan.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 19 juni 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Het strafblad van de verdachte leidt dus tot een hogere straf.

Rapporten van deskundigen en de reclassering

In het rapport van psycholoog [naam psycholoog] van 27 november 2025 staat – voor zover hier relevant - het volgende.

Er is sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een stoornis in het gebruik van

alcohol. Hiervan was ook sprake ten tijde van de hem ten laste gelegde feiten.

De psychische stoornis beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde. Op beide momenten, dus voor alle vier hem ten laste gelegde feiten, gold dat hij (in meer of mindere mate) onder invloed verkeerde en kennelijk volledig ontremd geraakt was, dat sprake was van woede die hij zonder enige remming uitageerde en waarbij hij gericht was op het uiten van zijn onvrede en het behalen van een doel, namelijk dat zij zou doen wat hij wilde. Indien bewezen zijn alle hem ten laste gelegde feiten passend bij de geconstateerde persoonlijkheidspathologie en de (verdere) ontremming door de alcohol. Geadviseerd wordt derhalve alle hem ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen. De klinische inschatting in combinatie met de gestructureerde risicotaxatie (waarbij overigens de aantekening geldt dat deze op groepsniveau voorspellend is doch op individueel niveau niet meer dan een inventarisatie van risicofactoren is) leidt tot de inschatting van het recidiverisico als matig tot hoog.

De zorg moge duidelijk zijn; het ontbreekt de verdachte aan afdoende mogelijkheden een relatie gelijkwaardig aan te gaan en te onderhouden doch er is wel een sterke behoefte aan een affectieve band. Verder heeft hij bij diverse ex-en (slachtoffers) kinderen waar hij contact met wil zodat de relaties niet geheel verbroken zijn/kunnen worden. De verdachte werkt mee aan de hem opgelegde voorwaarden doch hierbij ontbreekt het hem aan intrinsieke motivatie.

Het inzetten van schematherapie zou helpend kunnen zijn om de structurele problematiek voor hem inzichtelijk te krijgen maar hierbij moet zeker ook aandacht zijn voor het verslavingsgedrag waarbij de mogelijkheid moet zijn hem klinisch op te nemen indien het hem bij herhaling niet blijkt te lukken abstinent te blijven. De huidige inzet van een ervaringsdeskundige, blijkt voor hem steunend en moet derhalve behouden worden maar dus wel worden uitgebreid met een diepergaande behandeling om dit gedrag aan te pakken.

Van belang zal zijn alle interventies in dwingend kader aan de verdachte op te leggen gezien het gebrek aan inzicht in zijn rol in de problemen en het gebrek aan intrinsieke motivatie tot verandering. Daar ingeschat wordt dat, gezien zijn voorgeschiedenis met bijzondere voorwaarden en het uiteindelijk uitzitten van vervangende hechtenissen, een steviger kader dan het opleggen van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel nodig zal zijn om betrokkene te motiveren zijn medewerking te verlenen aan de in te zetten interventies om tot gedragsverandering te komen. Geadviseerd wordt derhalve hem een TBS met voorwaarden op te leggen waarbij genoemde behandelingen opgenomen worden als voorwaarden, naast het al opgelegde alcoholverbod, de begeleiding door Filomena en de ervaringsdeskundige en het reclasseringstoezicht.

In het rapport van Reclassering Nederland van 25 juni 2026 staat – voor zover hier relevant – het volgende.

De verdachte kent een uitgebreid justitieel verleden, waarbij er gesproken kan worden van een zorgwekkend delict- en gedragspatroon aangaande huiselijk geweld. De reclassering acht het zorgwekkend dat de (ambulante) behandelinterventies – die eerder zijn ingezet – tot op heden niet hebben geresulteerd in een aanvaardbaar laag recidiverisico en eveneens niet in een langdurige positieve gedragsverandering. Daarnaast hebben de eerder ingezette interventies niet geleid tot een recidivevermindering.

Door de reclassering wordt het risico op recidive zonder interventies als hoog ingeschat. Er is bij de verdachte sprake is van hardnekkige, lang bestaande problematiek die moeilijk bewerkbaar is. Ondanks dat er momenteel geen sprake is van een partnerrelatie, acht de reclassering het aannemelijk dat de verdachte in de toekomst weer een partnerrelatie zal aangaan en dan is de kans op nieuwe incidenten zeer groot. De verdachte heeft onvoldoende inzicht in de eigen problematiek, bagatelliseert het eigen grensoverschrijdende gedrag, plaatst de verantwoordelijkheid van het eigen handelen buiten zichzelf en is nog onvoldoende in staat om in voor hem risicovolle situaties adequaat te handelen. Het risico op geweldsrecidive kan niet worden uitgesloten.Door de reclassering wordt het risico op onttrekken aan voorwaarden eveneens als hoog ingeschat. Bij herhaling is gebleken dat de verdachte in woord meewerkt, maar niet in daad. De verdachte wordt op het moment van het opmaken van het rapport opnieuw verdacht van het plegen van strafbare feiten, maar ook in het verleden schond de verdachte reclasseringsvoorwaarden, overtrad hij andere strafrechtelijke bepalingen, kwam hij (behandel)afspraken onvoldoende na en gaf hij onvoldoende openheid van zaken. De reclassering is zich ervan bewust dat een (klinisch)behandel- en begeleidingstraject niet eerder heeft plaatsgevonden binnen een strikt- en gestructureerd kader. Het kader van een tbs met voorwaarden gaat uit van een behandeling waarin - naast een dusdanig lerend vermogen om te kunnen profiteren van de (behandel)interventies - langdurige commitment en inzet van de tbs-gestelde verwacht wordt. De reclassering acht dat de verdachte onvoldoende in staat is om zich te kunnen conformeren aan voorwaarden.

De reclassering adviseert negatief over tbs met voorwaarden. De reclassering is van mening dat de elementen die noodzakelijk zijn om de verdachte te kunnen beïnvloeden binnen het kader van een tbs met voorwaarden niet- of onvoldoende aanwezig zijn.Daarbij ziet de reclassering in het kader van recidivebeperking geen mogelijkheden om eenresocialisatieplan met passende (behandel)interventies op te stellen, geen mogelijkheden omvoorwaarden te concretiseren en geen mogelijkheden om uitvoering te geven aan een effectief toezicht. De verdachte heeft zich al eerder niet aan voorwaarden gehouden. Daarbij is daadwerkelijke gedragsverandering nodig maar vanwege zijn problematiek zonder tijdsdruk. De reclassering stelt voorop dat de bescherming van de maatschappij centraal staat. Gelet op dit belang acht zij het niet verantwoord dat de verdachte zonder adequate behandeling en begeleiding terugkeert in de maatschappij. De reclassering is van mening dat de focus moet liggen bij een intensieve, langdurende klinische behandeling binnen een strikt- en gestructureerd kader, zonder tijdsdruk. Primair voor het vergroten van het eigen probleeminzicht en zelfreflectie - door het leren omgaan met emoties, gevoelens en frustraties ter voorkoming van agressieve doorbraken in de toekomst - en secundair om binnen een veilige- en stabiele context te kunnen toetsen of de verdachte profiteert van de ingezette interventies. Om vervolgens de resocialisatie van de verdachte - onderstrikte voorwaarden - verder vorm te kunnen geven.

De bij de verdachte vastgestelde problematiek brengt risico’s met zich mee die naar verwachting nog steeds aanwezig zullen zijn na de tbs of gevangenisstraf. Bij een veroordeling tot tbs of (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf adviseren wij om de verdachte een gedragsbeïnvloedende- en vrijheidsbeperkende maatregel op grond van 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, zodat gedragsbeïnvloedende- en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden na de terbeschikkingstelling.Bij een veroordeling adviseren wij een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Deze maatregel bestaat uit een contactverbod, inhoudende dat de verdachte gedurende vijf jaren op geen enkele wijze contact mag opnemen of hebben met het slachtoffer. Wij adviseren dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel.

In het (aanvullend) rapport van psychiater [naam psychiater] van 14 april 2026 staat – voor zover hier relevant - het volgende.

Er is bij de verdachte sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische kenmerken en een ernstige stoornis in alcoholgebruik. Er is tevens sprake van een met deze pathologie samenhangend patroon van relationeel geweld.

Bij alle ten laste gelegde feiten, indien bewezen geacht, is hetzelfde patroon zichtbaar: onder invloed van alcohol komt de vanuit de persoonlijkheidsstoornis reeds beperkte impulscontrole van de verdachte zwaar onder druk te staan, hij voelt zich tekort gedaan, voorgelogen, bedrogen of in de steek gelaten door de ander, waar hij vanwege zijn levensgeschiedenis erg gevoelig voor is. Hij kan deze emoties onvoldoende reguleren en gaat, vanuit zijn narcistische persoonlijkheids- kenmerken, zijn ‘recht’ halen waarbij hij middels agressie zijn onvrede uit en eist dat de ander zijn vragen beantwoordt of er is voor hem. Hierbij is er onvoldoende sprake van empathie en denkt hij niet na over de eventuele gevolgen van het uitageren van zijn agressie, vanuit de antisociale persoonlijkheidsproblematiek.De verdachte wordt in staat geacht het ontoelaatbare van zijn handelen in te zien, maar was in verminderde mate in staat hiernaar te handelen. Hij had op het moment van de ten laste gelegde feiten beperkte gedragsalternatieven voorhanden. De verdachte kon weten dat zijn alcoholgebruikzijn impulscontrole en emotie- en agressieregulatie verder onder druk zet en hij dus niet moet drinken, echter is de alcoholproblematiek ernstig en ook verweven met de persoonlijkheidsproblematiek. Alles overziend wordt geadviseerd om de ten laste gelegde feiten, indien bewezen geacht, verminderd toe te rekenen aan de verdachte.

Op basis van het gebruik van de risicotaxatieinstrumenten in combinatie met het klinische oordeel wordt tot de inschatting van een hoog recidiverisico op geweld binnen partnerrelaties gekomen indien de verdachte geen behandeling ondergaat voor de beschreven pathologie.

Er is sprake van ernstige problematiek waarvoor een langdurige behandeling nodig is, een hoog recidiverisico op (relationeel) geweld en het niet slagen van eerder ingezette interventies. Een zorgmachtiging wordt als ontoereikend geacht qua behandelduur en ook ontbreekt daarbij de aandacht voor de forensische risico’s waarvoor bij de problematiek van de verdachte juist veel aandacht moet zijn. De verdachte heeft in het verleden meerdere malen en bij zowel de reclassering als Filomena, Ervaring in Huis en de begeleiding van het Leger des Heils en bij ondergetekende laten zien dat hij weliswaar mee wil werken, maar dat hem dit onvoldoende lukt. Ook recent heeft hij laten zien dat hij, ondanks dat er voor hem veel van afhangt, zich niet aan de schorsende voorwaarden kon houden en lijkt hij wederom ten aanzien van zijn alcoholgebruik de grenzen op te zoeken binnen zijn toezicht. Een behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel is zodoende gedoemd te mislukken. Alles overziend wordt een tbs-kader als noodzakelijk gezien. Om de haalbaarheid van een tbs met voorwaarden te bekijken zijn de volgende punten nagegaan. De aard van het risico is voldoende concreet, echter wordt het risico onvoldoende door de verdachte erkend. Risico- en beschermende factoren zijn geïdentificeerd, echter is er geen overeenstemming over de risicofactoren. De dynamische risicofactoren zijn specifiek genoeg om te managen; in eerste instantie in de vorm van(externe) controle en - via gerichte interventies – gaandeweg ook in de vorm van geïnternaliseerd risicomanagement. Echter wordt de verdachte gezien als onvoldoende responsief op het management; hij is onvoldoende gemotiveerd, hij verdraagt moeilijk controle en heeft onvoldoende vaardigheden en leerstijl om van de geïndiceerde behandeling te profiteren. Tevens dient de resocialisatie van de verdachte goed gemonitord en geleidelijk aan te verlopen, meer dan mogelijk is binnen het kader van tbs met voorwaarden. De psychiater adviseert dan ook om een behandeling als bovenstaande op te leggen binnen het kader van een tbs met dwangverpleging.

De onderzoekend psycholoog adviseerde in haar pro Justitia rapport d.d. 27 november 2025 een behandeling op te leggen in het kader van tbs met voorwaarden. Echter heeft de verdachte sindsdien nog meerdere malen laten zien dat hij niet in staat is tot het meewerken aan voorwaarden; bij Ervaring in Huis en het Leger des Heils, hij hield zich niet aan de schorsende voorwaarden ten aanzien van middelengebruik en werd hij daarna weer verdacht van het plegen van huiselijk geweld.

Op basis van de rapporten van de psychiater [naam psychiater] en de psycholoog [naam psycholoog] , stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte een psychische stoornis bestond en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van de strafbare feiten beïnvloedde. De feiten worden daarom in verminderde mate aan de verdachte toegerekend.

Oplegging straf en maatregelen

Straf

Gelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Daarom wordt een gevangenisstraf van 10 (tien) maanden opgelegd. Deze straf ligt lager dan de eis van de officier van justitie. Reden daarvoor is met name dat door de rechtbank, anders dan de officier van justitie heeft geëist, een poging zware mishandeling bewezen heeft verklaard.

Terbeschikkingstelling (TBS)

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de verdachte ter beschikking moet worden gesteld en dat hij onder dwang moet worden verpleegd.

Er bestond bij de verdachte tijdens het plegen van de strafbare een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, namelijk een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische ken

merken en een ernstige stoornis in alcoholgebruik Daarnaast is het feit poging tot zware mishandeling een misdrijf waarop in de wet een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Gelet op de aard en ernst van de feiten en het gevaar voor herhaling eist de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en onder dwang wordt verpleegd.

De rechtbank legt de maatregel van terbeschikkingstelling op voor poging tot zware mishandeling. Dat is een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom kan de terbeschikkingstelling langer duren dan vier jaar.

De rapporten van de deskundigen zijn helder en roepen geen vragen op. Om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding om de deskundigen ter terechtzitting te horen en wijst zij het verzoek van de raadsman af.

Vrijheidsbeperkende maatregel (38v Wetboek van Strafrecht)

Om de maatschappij te beveiligen en om strafbare feiten te voorkomen, wordt een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd voor de duur van 5 (vijf) jaren. Deze maatregel houdt in:

een contactverbod met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2] .

Voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet, kan vervangende hechtenis worden toegepast van 1 (één) week, met een totale duur van maximaal 6 (zes) maanden. De hechtenis heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.

De rechtbank verklaart de maatregel dadelijk uitvoerbaar, omdat er gelet op de conclusies van de deskundigen met betrekking tot het recidiverisico en gelet op dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend zal gedragen ten aanzien van [slachtoffer 1] . Dit betekent dat de maatregel ook geldt als de verdachte in hoger beroep gaat.

Gedragsbeïnvloedende- en vrijheidsbeperkende maatregel (38z Wetboek van Strafrecht)

Om de veiligheid van anderen te beschermen, legt de rechtbank een maatregel tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking op. Het is noodzakelijk dat de verdachte langdurig onder toezicht kan worden gesteld, omdat de bij betrokkene vastgestelde problematiek risico’s met zich meebrengt die naar verwachting nog steeds aanwezig zullen zijn na de tbs. Daarbij houdt de rechtbank rekening met het rapport van Reclassering Nederland van 25 juni 2026.

Ook aan de overige wettelijke vereisten is voldaan. De verdachte wordt namelijk

ter beschikking gesteld en veroordeeld tot een gevangenisstraf voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon.

De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.

5. Vordering van de benadeelde partij

Vordering [benadeelde]

heeft als benadeelde partij voor feit 1, 2, 3 en 4 met parketnummer 10-166878-25 € 2.821,24 als vergoeding voor materiële schade en € 5.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 7.342,24 te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, omdat er vrijspraak is bepleit. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat niet is onderbouwd waarom de bank niet gerepareerd of opnieuw gestoffeerd kan worden en is het vervangen van de sloten niet aan te merken als rechtstreekse schade.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van de gepleegde strafbare feiten. Het gevorderde eigen risico van de zorgverzekering wordt toegewezen omdat dat deel van de vordering voldoende is onderbouwd en door de verdediging onvoldoende gemotiveerd is betwist. Ook de gevorderde kosten voor vervanging van de sloten worden toegewezen omdat uit het dossier genoegzaam blijkt dat de verdachte – ook na de tegen de benadeelde partij gepleegde strafbare feiten – nog in bezit was van een sleutel van haar woning en het daarom voor haar veiligheid noodzakelijk was om deze sloten te vervangen.

Blijkens de door de benadeelde partij overlegde factuur heeft zij voor wat betreft de beschadiging van de bank de totale aanschafprijs van het betreffende bankdeel gevorderd. Er is echter geen sprake van een vernieling waardoor het bankdeel volledig onbruikbaar is geworden, maar van een beschadiging in de vorm van een duidelijk zichtbare brandplek. Daarom zal de rechtbank de schade aan het bankstel ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek begroten op € 1.000,- en het meer gevorderde afwijzen.

Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de koelkast, verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk omdat de verdachte hiervan is vrijgesproken. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 1943,24 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft als gevolg van de strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij is namelijk op andere wijze in haar persoon aangetast. De combinatie van de strafbare feiten en het handelen van de verdachte heeft een dusdanige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en gevoel van veiligheid en geborgenheid bij de benadeelde partij gevormd dat zij PTSS, angstklachten, herbelevingen en nachtmerries heeft opgelopen waarvoor zij thans traumatherapie volgt.

Die schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 5.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting over het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 5.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank sluit voor het intreden van de periode waarop wettelijke rente is verschuldigd aan bij de data die uit de tenlastelegging volgen. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 4 mei 2025 ten aanzien van de bank en de kosten van de sloten en vanaf 30 mei 2025 voor de overige posten.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.

Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 59 (negenenvijftig) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

6. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf en maatregel zijn gebaseerd op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38v, 38w, 38z, 45, 57, 285, 300, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

7. Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf en maatregel

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 10 (tien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

TBS-maatregel

beveelt dat de verdachte voor feit 3 met parketnummer 10-166878-25 ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd;

Vrijheidsbeperkende maatregel (art. 38v Sr)

legt de verdachte voor de feiten 1, 2, 3 en 4 met parketnummer 10-166878-25 op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 5 (vijf) jaren, inhoudende dat de verdachte:

op geen enkele wijze direct of indirect contact zoekt of heeft met [benadeelde], geboren op [geboortedatum 2], 5 jaren na de datum van dit vonnis;

bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 1 (één) week, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;

beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

Gedragsbeïnvloedende maatregel (art. 38z Sr)

legt de verdachte voor feit 3 met parketnummer 10-166878-25 op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking;

Vordering benadeelde partij

veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde] , te betalen een bedrag van € 6.943,24, bestaande uit € 1.943,24 als vergoeding van materiële schade en € 5.000 als vergoeding van immateriële schade. De wettelijke rente over een bedrag van € 1.631,12 is verschuldigd vanaf 4 mei 2025 tot de dag van volledige betaling. De wettelijke rente over een bedrag van € 5.312,12 is verschuldigd vanaf 30 mei 2025 tot de dag van volledige betaling;

wijst af het resterende deel van de gevorderde materiële schade;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor de feiten 1, 2, 3 en 4 met parketnummer 10-166878-25 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde] aan de staat € 6.943,24 te betalen. De wettelijke rente over een bedrag van € 1.631,12 is verschuldigd vanaf 4 mei 2025 tot de dag van volledige betaling. De wettelijke rente over een bedrag van € 5.312,12 is verschuldigd vanaf 30 mei 2025 tot de dag van volledige betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 59 (negenenvijftig) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.

8. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M.H. Geerars, voorzitter,

en mrs. R.P.W. van de Meerakker en J.A. Terstegge, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. Loggen, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 29 juli 2026.

Mr. J.A. Terstegge is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.M.H. Geerars

Griffier

  • mr. J. Loggen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand