ECLI:NL:RBROT:2026:11946

ECLI:NL:RBROT:2026:11946

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 10-09-2026
Datum publicatie 14-09-2026
Zaaknummer ROT 24/10129
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). Aanslag waterschapsbelastingen. Het beroep is ontvankelijk. Schending van het motiveringsbeginsel en de hoorplicht, maar beide gebreken worden gepasseerd met artikel 6:22 van de Awb. Het beroep is ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

de heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 24/10129

en

(gemachtigde: mr. E.J. Wilhemy-Damsté)

Procesverloop

1. Met het besluit van 31 maart 2024 heeft de heffingsambtenaar aan eiser voor het belastingjaar 2024 een aanslag waterschapsbelastingen opgelegd.

Met de uitspraak op bezwaar van 12 juli 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser tegen het besluit van 31 maart 2024 ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de heffingsambtenaar deelgenomen. Eiser is zonder bericht van verhindering niet verschenen. Eiser heeft op 19 juni 2026 een e-mailnotificatie ontvangen van de uitnodiging voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid van het beroep

2. De rechtbank moet de ontvankelijkheid van het beroep beoordelen. De heffingsambtenaar heeft op 27 september 2024 een tweede uitspraak op bezwaar aan eiser toegestuurd. De heffingsambtenaar is daartoe niet bevoegd. Eiser heeft naar aanleiding van de onbevoegd genomen uitspraak op bezwaar beroep ingesteld op 7 november 2024. Het beroep kan alleen betrekking hebben op de (eerste) uitspraak op bezwaar van 12 juli 2024. Het beroep daartegen is dus te laat ingediend. Omdat de heffingsambtenaar onduidelijkheid heeft veroorzaakt door in de uitspraak op bezwaar van 12 juli 2024 op te nemen dat later op het restant van het bezwaar van eiser zal worden beslist, blijft niet-ontvankelijkverklaring van het beroep achterwege. De rechtbank beschouwt de onbevoegd genomen uitspraak op bezwaar van 27 september 2024 als een aanvullend verweerschrift in deze procedure.

Motiveringsbeginsel

3. Eiser betoogt dat de uitspraak op bezwaar van 12 juli 2024 ondeugdelijk is gemotiveerd, omdat daarin niet op alle bezwaargronden is ingegaan. Uit wat hiervoor onder 2 is overwogen volgt dat de beroepsgrond slaagt. De rechtbank ziet aanleiding dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat de heffingsambtenaar in de onbevoegd genomen uitspraak op bezwaar van 27 september 2024 alsnog op de resterende bezwaargrond is ingegaan.

Schending hoorplicht

4. Eiser betoogt dat hij ondanks zijn verzoek daartoe niet is gehoord. De heffingsambtenaar heeft erkend dat de hoorplicht is geschonden. De beroepsgrond slaagt. De rechtbank passeert het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Tussen partijen zijn geen feiten in geschil. In bezwaar heeft eiser aangevoerd dat de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam de WOZ-waarde van zijn woning zou hebben verlaagd en dat zijn woning zou kwalificeren als natuurterrein in de zin van artikel 3, aanhef en onder b, van de Verordening watersysteemheffing Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard 2020 (de Verordening). Uit het WOZ-waardeloket blijkt dat de woning van eiser voor het belastingjaar 2024 is gewaardeerd op € 455.000,-. De heffingsambtenaar is ook van dat bedrag uitgegaan bij het opleggen van de aanslag waterschapsbelastingen. De vraag of de woning van eiser kwalificeert als natuurterrein in de zin van de Verordening is van juridische en niet van feitelijke aard, nu de feitelijke kenmerken van de woning van eiser niet in geschil zijn. Bij het opleggen van een aanslag waterschapsbelastingen, het kwalificeren van een woning als gebouwde onroerende zaak in de zin van artikel 3, aanhef en onder c, van de Verordening en het gebruik van de WOZ-waarde als heffingsmaatstaf heeft de heffingsambtenaar geen beleidsruimte. Een hoorzitting zou dus niet tot een andere uitkomst kunnen hebben geleid.

Kwijtschelding

5. Eiser betoogt dat de heffingsambtenaar ten onrechte niet heeft beslist op zijn verzoek om kwijtschelding dat hij in zijn bezwaarschrift had opgenomen. De rechtbank oordeelt anders. De heffingsambtenaar was niet gehouden om met de uitspraak op bezwaar ook te beslissen op het kwijtscheldingsverzoek. In deze procedure is slechts de aanslag waterschapsbelastingen en niet het kwijtscheldingsverzoek aan de orde. De beroepsgrond slaagt niet.

Immateriële schadevergoeding

6. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade als gevolg van het overschrijden van de redelijke termijn voor de behandeling van geschillen.

Belastingzaken moeten binnen een redelijke termijn worden berecht. Als uitgangspunt is de redelijke termijn twee jaar, gerekend vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door de heffingsambtenaar tot de uitspraak van de rechtbank. Bij overschrijding van de redelijke termijn wordt verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie, tenzij het financiële belang bij de procedure zeer gering is.

Het bezwaarschrift is ontvangen op 9 mei 2024. Op de datum van de uitspraak is de redelijke termijn afgerond met vier maanden overschreden.

Eiser heeft niet gesteld dat het financiële belang bij de procedure meer dan€ 1.000,- bedraagt. De rechtbank volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Eiser heeft geen recht op een schadevergoeding.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag waterschapsbelastingen in stand blijft.

8. Gelet op de toepassing van artikel 6:22 van de Awb, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft verzocht om een proceskostenvergoeding, maar niet gespecificeerd welke kosten hij heeft gemaakt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van mr.J.I. Kamp, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2026.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Den Haag vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand