Rechtbank Rotterdam
Team strafrecht
VI-zaaknummer: 89-000080-40
Parketnummers: 10-321370-24, 10-156667-24, 10-153091-23
Datum uitspraak: 21 augustus 2026
Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam in de zaak betreffende de veroordeelde
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [postcode] [woonplaats] ,raadsman mr. L.A.R. Newoor.
1. Procesverloop
Veroordeling
Bij vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam van
27 januari 2025 is aan de veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd van 26 maanden met aftrek van de tijd die door de veroordeelde in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht.
Voorwaardelijke invrijheidstelling
Op 6 september 2025 is de veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Aan deze voorwaardelijke invrijheidstelling is – onder andere – de bijzondere voorwaarde verbonden dat de veroordeelde zich laat behandelen door een deskundige of zorginstelling.
De proeftijd bij de voorwaardelijke invrijheidstelling bedraagt 365 dagen. De proeftijd zal aflopen op 6 september 2026.
Vordering
Op 23 juli 2026 heeft de officier van justitie een vordering ingediend tot verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling met een periode van 365 dagen.
Ter onderbouwing van de vordering heeft de officier van justitie verwezen naar het rapport van Reclassering Nederland van 23 juni 2026. In dat rapport concludeert de reclassering dat de veroordeelde het toezicht in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling positief doorloopt. De veroordeelde komt zijn afspraken na en dankzij zijn volledige medewerking zijn de praktische zaken inmiddels op orde. Wel ziet de reclassering risicofactoren op het gebied van het sociale netwerk van de veroordeelde en zijn psychosociaal functioneren. Daarbij vormt de relatie met zijn ex-partner de grootste zorg. De reclassering wijst erop dat zich tussen hen gedurende het vi-toezicht incidenten hebben voorgedaan. Zij acht het daarom van belang dat de behandeling die de veroordeelde op 7 mei 2026 is gestart wordt afgerond. Deze behandeling duurt gemiddeld een jaar en zal naar verwachting dus nog niet zijn afgerond op het moment dat de voorwaardelijke invrijheidstelling eindigt.
Onderzoek op de terechtzitting
De vordering is door de rechtbank mondeling behandeld tijdens de terechtzitting van 21 augustus 2026. De officier van justitie en de veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman zijn gehoord. Verder zijn als deskundigen gehoord de heer [persoon A] (unitmanager) verbonden aan Reclassering Nederland, en mevrouw [persoon B] , leidinggevende bij Humane Zorg, de instelling voor begeleid wonen waar de veroordeelde momenteel verblijft.
De officier van justitie heeft naar aanleiding van de mondelinge toelichting van de reclasseringswerker ter zitting zijn vordering aangepast en gerekwireerd tot verlenging van de proeftijd met een periode van 180 dagen.
De veroordeelde heeft zich op de zitting verzet tegen een verlenging van de proeftijd bij zijn voorwaardelijke invrijheidstelling en heeft verklaard dat het goed met hem gaat en dat hij binnenkort zal verhuizen naar een eigen woning. De veroordeelde vindt dat hij baat heeft bij de behandeling, maar wil deze graag in een vrijwillig kader afronden. Een verlenging van de proeftijd ervaart hij als extra straf en doet onnodig afbreuk aan de positieve ontwikkeling die hij sinds zijn invrijheidstelling juist heeft doorgemaakt.
De raadsman heeft betoogd dat de vordering tot verlenging van de proeftijd moet worden afgewezen. Daarbij heeft hij erop gewezen dat de positieve ontwikkeling die de veroordeelde heeft doorgemaakt, al was ingezet voor de start van de verplichte behandeling. Sinds die behandeling gaat het nog beter. Er bestaat dan ook geen noodzaak tot het verlengen van de proeftijd en de veroordeelde verdient de kans om zijn leven verder op orde te brengen zonder het justitieel kader.
De raadsman heeft kort voor de zitting een brief overgelegd van de persoonlijk begeleidster van de veroordeelde bij Humane Zorg, waarin zij zich op het standpunt stelt dat een verlenging van de proeftijd niet noodzakelijk is. Zij ziet dat de zorgen en risicofactoren die eerder aanwezig waren in belangrijke mate zijn verminderd of weggenomen. Ook ziet zij dat de veroordeelde zich positief ontwikkelt op het gebied van emotieregulatie, dat hij gemotiveerd is en actief gebruik maakt van de begeleiding die hem wordt geboden. De zorg, ondersteuning en aandacht die de veroordeelde krijgt zal hij blijven ontvangen, ook als de proeftijd niet wordt verlengd. Op de zitting heeft de deskundige [persoon B] dit standpunt toegelicht en bevestigd.
2. Beoordeling
Inhoudelijke beoordeling
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat alle betrokken partijen het erover eens zijn dat de veroordeelde sinds zijn voorwaardelijke invrijheidstelling een positieve ontwikkeling heeft laten zien en dat hij baat heeft bij de behandeling die hij is gestart in mei 2026. De rechtbank acht het van belang dat de veroordeelde die behandeling afrondt. De veroordeelde heeft hierover verklaard de behandeling graag vrijwillig te willen afmaken en uit de brief en de toelichting van Humane Zorg volgt dat deze instelling daartoe mogelijkheden ziet. De reclasseringsmedewerker heeft ter zitting verklaard dat voortzetting van de behandeling in een vrijwillig kader in beginsel mogelijk is. Voorts heeft de veroordeelde zelf een toelichting gegeven bij het incident met zijn ex, waar in het reclasseringsrapport naar wordt verwezen en waarbij hij zich juist zou hebben teruggetrokken uit deze conflictsituatie om escalatie te voorkomen.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat er geen noodzaak bestaat tot een verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling en heeft er vertrouwen in dat de veroordeelde de ingezette positieve ontwikkeling – met de daarbij eventueel nog benodigde ondersteuning – op eigen kracht zal weten vast te houden. De vordering van de officier van justitie zal daarom worden afgewezen.
3. Beslissing
De rechtbank
wijst af de vordering tot verlenging van de voorwaardelijke invrijheidstelling.
Deze beslissing is genomen door mr. J.M.L. van Mulbregt, voorzitter,
en mrs. S.W.H. Bootsma en M.E. Vos, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.B. Sahin, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting.
De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.