ECLI:NL:RBROT:2026:12105

ECLI:NL:RBROT:2026:12105

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 11-09-2026
Datum publicatie 16-09-2026
Zaaknummer 11953983 CV EXPL 25-23903
Rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Uitbetaling niet-genoten vakantiedagen na einde dienstverband

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 11953983 CV EXPL 25-23903

datum uitspraak: 11 september 2026

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van

[eiseres] ,

woonplaats: [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. M.J. Schroevers,

tegen

[bedrijf] ,

vestigingsplaats: [vestigingsplaats],

gedaagde,

gemachtigde: mr. M.A.C. Backx.

De partijen worden hierna ‘[eiseres]’ en ‘[bedrijf]’ genoemd.

1. De procedure

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

het tussenvonnis van 22 mei 2026 en de daarin genoemde stukken;

de akte van [eiseres];

de akte van [bedrijf], met bijlagen;

de antwoordakte van [eiseres];

de antwoordakte van [bedrijf].

2. De verdere beoordeling

[eiseres] werkte sinds 1989 bij [bedrijf]. Omdat [eiseres] op 10 december 2024 twee jaar ziek was is op dat moment de loondoorbetalingsverplichting van [bedrijf] geëindigd. Het dienstverband van [eiseres] bij [bedrijf] is uiteindelijk per 1 mei 2025 met wederzijds goedvinden beëindigd door middel van een vaststellingsovereenkomst. Volgens [eiseres] moet [bedrijf] op basis van de vaststellingsovereenkomst het aan het einde van zijn dienstverband resterende verlofsaldo (niet -genoten vakantiedagen en ATV-dagen) uitbetalen.

In het tussenvonnis heeft de kantonrechter al geoordeeld dat, anders dan [bedrijf] aangevoerd heeft, er geen finale kwijting is verleend voor het resterende verloftegoed en [eiseres] ook geen afstand heeft gedaan van zijn vakantierechten. In het tussenvonnis is verder al per jaar afzonderlijk beoordeeld of er sprake is van een resterend verloftegoed. Partijen zijn vervolgens op een drietal punten nog in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk uit te laten. Daarop zal hierna eerst verder worden ingegaan.

[eiseres] heeft 7 weken verlof opgenomen in de zomer van 2022

[bedrijf] is in de gelegenheid gesteld haar stelling dat [eiseres] in de zomer van 2022 niet 6, maar 7 weken vakantie heeft opgenomen, nader te onderbouwen. Zij heeft in dat verband loonstroken over de periodes 7, 8 en 9 van 2022, ploegenschema’s van de maanden juli en augustus 2022 en de ingevulde verlofkaart van [eiseres] over 2022 in het geding gebracht. Met name uit de ploegenschema’s en de daarop aansluitende verlofkaart leidt de kantonrechter af dat [eiseres] in de maand juli 2022 4 weken vakantie heeft opgenomen en in de maand augustus 2022 3 weken, oftewel in totaal 7 weken. [eiseres] heeft, ondanks dat hij daartoe de mogelijkheid heeft gekregen, niet inhoudelijk op de overgelegde stukken en de toelichting van [bedrijf] daarop gereageerd. Naar het oordeel van de kantonrechter is daarmee komen vast te staan dat [eiseres] geen 6, maar 7 weken vakantie heeft opgenomen in de zomer van 2022. Dat komt neer op 35 dagen verlof.

[bedrijf] heeft in december 2024 al 3 verlofdagen aan [eiseres] uitbetaald

[eiseres] heeft betwist dat [bedrijf] eind december 2024 al 3 verlofdagen aan hem heeft uitbetaald. Volgens [eiseres] blijkt dat namelijk niet uit de loonstrook van december 2024. [bedrijf] heeft nader uitgelegd dat de loonstrook betrekking heeft op de periode van 2 tot en met 10 december 2026 – de datum waarop de loondoorbetalingsverplichting eindigde – en dat in die periode sprake was van 7 werkbare dagen. Uit de loonstrook volgt echter dat er niet 7, maar 10 dagen aan [eiseres] zijn uitbetaald. Gelet op de inhoud van de loonstrook en de toelichting daarop van [bedrijf] kan de kantonrechter niet anders concluderen dat er 3 dagen méér zijn uitbetaald dan waartoe [bedrijf] op basis van de door [eiseres] in die periode gewerkte dagen verplicht was. Van concrete aanwijzingen dat deze 3 dagen zien op iets anders dan verlofdagen is niet gebleken, zodat voldoende vast is komen te staan dat [bedrijf] in december 2024 al 3 verlofdagen aan [eiseres] heeft uitbetaald. Dat de betreffende 3 verlofdagen niet als afzonderlijke post op de eindafrekening staan vermeld maakt dat oordeel niet anders.

De post ‘Betaald verlof -480’ heeft geen invloed op het verlofsaldo

[bedrijf] heeft uitgelegd dat de post ‘Betaald verlof -480’ op de loonstrook van december 2024 slechts een ‘teller’ is waarmee bijgehouden wordt hoeveel verlofuren zijn opgenomen sinds de installatie van de laatste versie van het loonprogramma. [bedrijf] heeft verder uitgelegd dat zij de verlofuren van werknemers niet bijhoudt in dat loonprogramma, maar op verlofkaarten. [eiseres] heeft deze uitleg van [bedrijf] niet betwist, zodat de kantonrechter uit gaat van de juistheid daarvan. Uit de uitleg van [bedrijf] kan worden afgeleid dat de post ‘Betaald verlof -480’ geen praktische relevantie heeft voor de berekening van de verlofdagen. Daarmee is voldoende komen vast te staan dat deze post ook geen invloed heeft op het resterende verlofsaldo.

[eiseres] heeft na 10 december 2024 geen verlofdagen opgebouwd

In het tussenvonnis is al overwogen dat er in de periode van 10 december 2024 tot 1 mei 2025 (de einddatum van de arbeidsovereenkomst van [eiseres]) sprake was van een slapend dienstverband en dat door middel van een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad verzocht is duidelijkheid te geven over de vraag of een werknemer tijdens een slapend dienstverband verlofdagen opbouwt. De Hoge Raad heeft die prejudiciële vraag op dit nog niet beantwoord. Omdat er op dit moment ook geen aanwijzingen zijn dat de Hoge Raad op korte termijn tot beantwoording zal overgaan, zal de kantonrechter – ter voorkoming van een verdere (onredelijke) vertraging van de procedure – ten aanzien van de opbouw van verlofdagen na 10 december 2024 in dit vonnis een eindbeslissing geven.

De kantonrechter oordeelt dat [eiseres] geen aanspraak kan maken op uitbetaling van de verlofdagen over de periode vanaf 10 december 2024 tot en met 1 mei 2025. Dat wordt hierna uitgelegd.

In artikel 7:634 lid 1 BW is bepaald dat alleen vakantie wordt opgebouwd over de periode waarin de werknemer recht heeft op loon. Dat was voor [eiseres] dus tot en met 10 december 2025. Daarna was immers sprake van een slapend dienstverband. Op basis van Europese regelgeving heeft iedere werknemer recht op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon (artikel 31 lid 2 EU-Handvest). De nationale rechter moet een nationale regeling buiten beschouwing laten als deze daarmee in strijd is. Uit de uitspraak van 15 juli 2025 van het HvJ EU volgt dat er specifieke omstandigheden kunnen zijn die een afwijking van het fundamentele recht op (jaarlijks betaald) verlof rechtvaardigen. De kantonrechter is van oordeel dat van zulke omstandigheden sprake is in geval van een slapend dienstverband naar Nederlands recht, om de volgende redenen.

Kenmerkend voor een slapend dienstverband is dat de kernverbintenissen van de arbeidsovereenkomst, namelijk het verrichten van arbeid en het betalen van loon, niet meer kunnen en hoeven te worden nageleefd. De wetgever heeft er echter niet voor gekozen om de overeenkomst in zo’n geval van rechtswege te beëindigen, ondanks dat de overeenkomst feitelijk inhoudsloos is geworden. Na afloop van de 104 weken waarin loon is doorbetaald en de werknemer volledige vakantiedagen heeft opgebouwd, heeft de werknemer geen re-integratieverplichtingen meer. Daarmee verliest de recuperatiefunctie van de jaarlijkse vakantie zijn doel. Vakantiedagen zijn immers bedoeld om werknemers in staat te stellen om uit te rusten en te herstellen van werk en weer op krachten te komen. De werknemer met een slapend dienstverband heeft geen werk om van te herstellen. De door het HvJ EU geformuleerde doelen (bijkomen door rust, ontspanning en vrije tijd) kunnen dus niet meer worden behaald.

Dat het vakantieloon bedoeld is om werknemers tijdens hun vakantie in een economisch vergelijkbare positie te brengen, zoals het HvJ EU herhaaldelijk heeft geoordeeld, speelt evenmin bij een slapend dienstverband. Een zieke werknemer die niet in staat is te werken zal na 104 weken in de regel recht hebben op een uitkering. Als de werknemer een WIA- of WW-uitkering ontvangt, dan mag hij met behoud van uitkering ook vakantie genieten. Tijdens vakanties loopt die uitkering immers door. Er is in onze nationale regelgeving dus al een andere voorziening die ook voorziet in betaalde vakantie voor de werknemer met een slapend dienstverband. Als de werknemer in dezelfde periode ook nog betaalde vakantiedagen zou opbouwen, dan is dat dus dubbelop.

Op grond van het bovenstaande is de kantonrechter van oordeel dat artikel 7:634 lid 1 BW niet in strijd is met artikel 31 lid 2 EU-Handvest. Dat betekent dat [eiseres] na 10 december 2025 geen verlofdagen meer heeft opgebouwd, zodat hij ook geen recht heeft op uitbetaling.

Conclusie: [eiseres] heeft nog recht op uitbetaling van 14 vakantiedagen en 10 ATV-dagen

Het voorgaande in combinatie met hetgeen al in het tussenvonnis is overwogen leidt er toe dat het saldo met betrekking tot de vakantiedagen over de jaren 2022 tot en met 2024 op de hierna genoemde wijze moet worden vastgesteld:

Resterend uit 2021: 20 vakantiedagen

Opgebouwd in 2022: 25 vakantiedagen Opgenomen in 2022: 48 dagen

Opgebouwd in 2023: 25 vakantiedagen Opgenomen in 2023: -

Opgebouwd in 2024: 25 vakantiedagen Opgenomen in 2024: 30 dagen

--------------------- ------------

95 vakantiedagen 78 dagen

Resterend saldo: 17 vakantiedagen (95 -/- 78)

Van de 17 resterende vakantiedagen zijn, zoals bij r.o. 2.4. is geoordeeld, eind december 2024 al 3 dagen uitbetaald. Dat betekent dat [eiseres] in totaal nog aanspraak kan maken op uitbetaling van 14 vakantiedagen. Uitgaande van het in de loonstrook van december 2024 genoemde uurloon van € 22,72 bruto en 8% vakantietoeslag moet [eiseres] daarom nog € 2.576,45 bruto (14 vakantiedagen x 7,5 uur x (€ 22,72 + 8%)) aan loon over deze vakantiedagen betalen.

Naast de resterende vakantiedagen heeft [eiseres] recht op uitbetaling van de in het tussenvonnis genoemde 10 ATV dagen, die zijn opgebouwd in 2022. Dat komt neer op een bedrag van € 1.840,32 bruto (10 ATV-dagen x 7,5 uur x (€ 22,72 + 8%)) aan loon over de ATV-dagen.

[bedrijf] wordt veroordeeld de hiervoor genoemde bedragen aan [eiseres] te betalen. [eiseres] eist ook dat voor recht wordt verklaard dat [bedrijf] gehouden is de vaststellingsovereenkomst onverkort na te komen. Omdat [bedrijf] al veroordeeld wordt het resterende verloftegoed aan [eiseres] uit te betalen – zoals in de vaststellingsovereenkomst was afgesproken – ziet de kantonrechter echter niet in welk belang [eiseres] nog heeft bij die verklaring voor recht. [eiseres] heeft dat belang ook op geen enkele wijze toegelicht. Dat deel van de vordering van [eiseres] wordt dan ook afgewezen.

[bedrijf] moet de wettelijke verhoging en wettelijke rente betalen

Vast is komen te staan dat [bedrijf] het loon over de resterende vakantie- en ATV-dagen niet op tijd aan [eiseres] heeft betaald. [bedrijf] had dat loon immers, zoals vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst, binnen één maand na de einddatum van het dienstverband van [eiseres] moeten betalen. [eiseres] maakt daarom terecht aanspraak op de wettelijke verhoging (artikel 7:625 BW). In de omstandigheden van het geval ziet de kantonrechter wel aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot 10%. Daarbij is meegewogen dat [bedrijf] naar het oordeel van de kantonrechter geen kwaadwilligheid of opzettelijk onjuist handelen valt te verwijten.

De gevorderde wettelijke rente (artikel 6:119 BW) over het achterstallige loon en de wettelijke verhoging wordt ook toegewezen, op de wijze zoals hierna bij de beslissing vermeld.

[bedrijf] moet een deugdelijke betalingsspecificatie aan [eiseres] verstrekken

De eis van [eiseres] om [bedrijf] te veroordelen een deugdelijke betalingsspecificatie van de hiervoor genoemde bedragen aan loon, wettelijke verhoging en wettelijke rente aan [eiseres] te verstrekken is door [bedrijf] niet betwist en wordt daarom toegewezen.

[bedrijf] hoeft geen incassokosten te betalen

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. Vast staat dat [eiseres] voor rechtsbijstand is verzekerd. [bedrijf] heeft aangevoerd dat [eiseres] geen eigen kosten heeft gemaakt die op basis van artikel 6:96 lid 2 sub c BW voor vergoeding in aanmerking komen. [eiseres] heeft daartegen weliswaar aangevoerd dat het hebben van een rechtsbijstandverzekeraar de toewijzing van buitengerechtelijke incassokosten niet in de weg staat, maar dat betoog miskent het punt waar het hier om gaat. Het gaat in dit geval niet om kosten die [eiseres] heeft gemaakt ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Ongetwijfeld hebben de werkzaamheden als gemachtigde kosten met zich meegebracht voor de rechtsbijstandsverzekeraar, maar uit niets blijkt dat [eiseres] die kosten geheel of gedeeltelijk moet vergoeden. Die kosten vormen dan ook geen schade voor [eiseres] die voor vergoeding in aanmerking komt.

[bedrijf] moet de proceskosten betalen

De proceskosten komen voor rekening van [bedrijf], omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [bedrijf] aan [eiseres] moet betalen op € 148,04 aan dagvaardingskosten, € 257,- aan griffierecht, € 1.080,- aan salaris voor de gemachtigde (2,5 punten x € 432,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.629,04. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.

Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad

Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [bedrijf] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [bedrijf] om aan [eiseres] te betalen € 2.576,45 bruto aan loon inclusief vakantiegeld over 14 vakantiedagen;

veroordeelt [bedrijf] om aan [eiseres] te betalen € 1.840,32 bruto aan loon inclusief vakantiegeld over 10 ATV-dagen;

veroordeelt [bedrijf] om aan [eiseres] te betalen de wettelijke verhoging in de zin van artikel 7:625 BW over de bij 3.1. en 3.2. toegewezen bedragen aan loon ter hoogte van 10%;

veroordeelt [bedrijf] om aan [eiseres] te betalen de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over de bij 3.1. tot en met 3.3. toegewezen bedragen vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van die bedragen tot de dag dat volledig is betaald;

veroordeelt [bedrijf] om een deugdelijke betalingsspecificatie van de bij 3.1. tot en met 3.4. toegewezen bedragen aan [eiseres] te verstrekken;

veroordeelt [bedrijf] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.629,04;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst al het andere af.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.

44487

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand