Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-178494-25
Datum uitspraak: 16 september 2026
Datum zitting: 2 september 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] )
ingeschreven op het adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. R. Shahbazi
Officier van justitie: mr. D.D.B. Reuter
Benadeelde partijen: [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5]
Advocaat van de benadeelde partijen: mr. S. Aksu-Ari
Advocaat van het slachtoffer [slachtoffer 1] : mr. P. Nobel
Kern van het vonnis
De verdachte heeft aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden en heeft daarmee een verkeersongeval veroorzaakt dat aan haar schuld te wijten is. Zij heeft met haar auto met een te lage snelheid en met onvoldoende aandacht voor het overige verkeer een afrit genomen en heeft dit gedaan over een doorgetrokken lijn via het tussenliggende gedeelte tussen de hoofdrijbaan en de gecombineerde in- en uitvoegstrook. Als gevolg hiervan is op deze in-/uitvoegstrook een andere weggebruiker tegen de achterzijde van de auto van de verdachte gebotst, waarbij één slachtoffer (dat rechts achterin de auto van de verdachte zat) is overleden en twee slachtoffers zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen. De verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor 240 uren en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar, met een proeftijd van één jaar. Daarnaast moet de verdachte een vergoeding voor affectieschade betalen aan de echtgenote, dochter en moeder van het overleden slachtoffer. De zus en broer van het overleden slachtoffer worden niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen, omdat onvoldoende is onderbouwd dat is voldaan aan het vereiste van artikel 6:108, vierde lid, sub g BW.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij - samengevat - door haar schuld een verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij één slachtoffer is komen te overlijden en twee slachtoffers zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen, dan wel dat zij gevaar of hinder op de weg heeft veroorzaakt.
De volledige tenlastelegging houdt in dat:
primair
zij, op of omstreeks 29 december 2024 te Barendrecht, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat voertuig roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de A15, welk rijgedrag hierin heeft bestaan dat zij, verdachte toen daar,
- over een doorgetrokken lijn van de hoofdrijbaan overgestoken/afgeslagen is naar een
gecombineerde uitvoegstrook/invoegstrook en/of over het tussenliggende verzonken
(ongeasfalteerde) gedeelte tussen de hoofdrijbaan en de gecombineerde
uitvoegstrook/invoegstrook en/of het aldaar gelegen puntstuk reed en/of (vervolgens)
- de snelheid van de door haar bestuurde voertuig verloor en/of tot stilstand kwam op dat
puntstuk en/of (vervolgens)
- met een te lage snelheid over een doorgetrokken lijn de gecombineerde
uitvoegstrook/invoegstrook is opgereden, in ieder geval mede gelet op de omstandigheden
(veel) te lage snelheid, heeft gereden en/of (vervolgens)
- niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en/of onvoldoende aandacht heeft
gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse, althans onvoldoende heeft gelet
op de weg en/of mogelijke weggebruikers rijdend op de uitvoegstrook/invoegstrook en/of
ten gevolge waarvan een verkeersdeelnemer rijdend op die gecombineerde
uitvoegstrook/invoegstrook, te weten de door [slachtoffer 2] bestuurde personenauto, zonder te
remmen tegen de achterzijde van het door verdachte bestuurde voertuig is gebotst en/of
gereden waardoor [slachtoffer 3] werd gedood en/of [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel, te weten gebroken sleutelbeen en/of gebroken pols en/of gebroken enkels en/of gebroken heiligbeen en/of kneuzingen aan de heup en/of linker enkel en/of een verbrijzeld spaakbeen, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en/of [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten gebroken ribben en/of gescheurde milt en/of dikke darm en/of zenuwkneuzing rechteronderbeen/voet, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair
zij op of omstreeks 29 december 2024 te Barendrecht, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op voor het openbaar verkeer openstaande weg, de A15, althans op een weg/wegen, zich zodanig heeft gedragen
dat gevaar en/of hinder op die weg werd veroorzaakt, welk rijgedrag hierin heeft bestaan dat zij, verdachte toen daar,
- over een doorgetrokken lijn van de hoofdrijbaan overgestoken/afgeslagen is naar een
gecombineerde uitvoegstrook/invoegstrook en/of over het tussenliggende verzonken
(ongeasfalteerde) gedeelte tussen de hoofdrijbaan en de gecombineerde
uitvoegstrook/invoegstrook en/of het aldaar gelegen puntstuk reed en/of (vervolgens)
- de snelheid van de door haar bestuurde voertuig verloor en/of tot stilstand kwam op dat
puntstuk en/of (vervolgens)
- met een te lage snelheid over een doorgetrokken lijn de gecombineerde
uitvoegstrook/invoegstrook is opgereden, in ieder geval mede gelet op de omstandigheden
(veel) te lage snelheid, heeft gereden en/of (vervolgens)
- niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en/of onvoldoende aandacht heeft
gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse, althans onvoldoende heeft gelet
op de weg en/of mogelijke weggebruikers rijdend op de uitvoegstrook/invoegstrook en/of
ten gevolge waarvan een verkeersdeelnemer rijdend op die gecombineerde
uitvoegstrook/invoegstrook, te weten de door [slachtoffer 2] bestuurde personenauto, zonder te remmen tegen de achterzijde van het door verdachte bestuurde voertuig is gebotst en/of gereden, ten gevolge waarvan [slachtoffer 3] werd gedood en/of [slachtoffer 2] letsel, te weten gebroken sleutelbeen en/of gebroken pols en/of gebroken enkels en/of gebroken heiligbeen en/of kneuzingen aan de heup en/of linker enkel en/of een verbrijzeld spaakbeen is ontstaan en/of [slachtoffer 1] letsel, te weten gebroken ribben en/of gescheurde milt en/of dikke darm en/of zenuwkneuzing rechteronderbeen/voet is ontstaan.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het primair ten laste gelegde feit.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het primair ten laste gelegde feit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring primaire feit en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte door haar schuld een verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij één slachtoffer is overleden en twee slachtoffers zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen.
De bewezenverklaring van het primaire feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Verklaring van de verdachte
Het klopt dat ik op 29 december 2024 in een Ford Ka op de A15 in Barendrecht reed. Ik reed op de meest rechter rijbaan van de hoofdrijbaan. Ik heb naar rechts gestuurd om de afslag te nemen.
2. Proces-verbaal van de politie
Op 29 december 2024 heeft er een aanrijding tussen twee personenauto’s plaatsgevonden op de A15 in Barendrecht. Beide voertuigen, een Hyundai i10 en een Ford Ka, hebben gereden op de rijbaan van de A15 ter hoogte van hectometer 58.3, komende uit de richting van het knooppunt Benelux en gaande in de richting van het knooppunt Vaanplein te Rotterdam. De hoofdrijbaan bestond uit vijf rijstroken en een vluchtstrook, waarbij rijstrook vijf was ingericht als een gecombineerde uitvoegstrook/invoegstrook, die aansloot op de secundaire rijbaan. De gecombineerde uitvoegstrook/invoegstrook was van de hoofdrijbaan afgescheiden door middel van blokmarkering en op het wegdek waren wit gekleurde, naar rechts gerichte, pijlen aangebracht. Ongeveer 30 meter voor hectometer A15 58.2 Re, was op de hoofdrijbaan een wit gekleurd puntstuk aangebracht (divergentiepunt). Het verlengde van dit puntstuk ging over in een rijbaanscheiding, die verdiept lag ten opzichte van de rijbaan van de A15. De aanrijding heeft plaatsgevonden ter hoogte van hectometer 58.3 op de gecombineerde uitvoerstrook/invoegstrook. De Hyundai is hier met de linker voorzijde tegen de rechter achterzijde van de Ford gebotst. Ter plaatse gold een maximumsnelheid van 100 km/u voor motorvoertuigen. Er zijn geen aanwijzingen dat één van de betrokken voertuigen met een hogere snelheid heeft gereden dan ter plaatse was toegestaan. Gezien de zware schade, die door de botsing was ontstaan, was er een aanzienlijk onderling snelheidsverschil tussen de Ford en de Hyundai. Gezien de uitloop van de voertuigen bleek ons dat de Ford een aanzienlijk lagere snelheid moet hebben gehad dan de Hyundai op het moment dat de botsing plaatsvond.
3. Proces-verbaal van de politie
In de Hyundai i10 zat één inzittende: [slachtoffer 2] .
In de Ford Ka zaten vier inzittenden:
De bestuurster: [verdachte]
De passagier naast de bestuurster: [slachtoffer 1]
De passagier links achterin: [slachtoffer 4]
De passagier rechts achterin: [slachtoffer 3]
4. Proces-verbaal van de politie, verklaring [getuige]
V: U was getuige van een verkeersongeval met letsel. Dit was op 29 december 2024
op de rijksweg A15 rechts ter hoogte van hectometerpaal 58.3M te Barendrecht.
A: Ik zag dat een Ford plots een aantal keren hard remde. Het volgende moment zag ik dat
de Ford in een keer door de berm de afrit nam. Hierna kwam de Ford op de rijbaan van de
uitvoegstrook tot stilstand.
5. Proces-verbaal van de politie
Op woensdag 15 januari is [slachtoffer 3] naar aanleiding van een verkeersongeval welke heeft plaatsgevonden op de A15 komen te overlijden aan zijn verwondingen. FARR-arts [persoon A] heeft geconstateerd dat er een causaal verband is tussen het overlijden en het verkeersongeval.
6. Schriftelijk stuk, FARR-verklaring betreffende [slachtoffer 1]
Objectieve bevindingen:
- scheur van de milt;
- scheur van de dikke darm;
- beiderzijds breuk 8e rib;
- zenuwkneuzing rechteronderbeen/voet.
Operatieve behandeling van het buikletsel.
Geschatte genezingsduur bij ongecompliceerd beloop is 8 weken.
7. Schriftelijk stuk, FARR-verklaring betreffende [slachtoffer 2]
Objectieve bevindingen:
- verbrijzeld spaakbeen van onbekende zijde met verplaatsing van het botvormig uitsteeksel van het spaakbeen aan de duimzijde;
- kneuzing van de linker enkel.
Het spaakbeen werd geopereerd op 9 januari 2025.
Tijdens vervaardiging van een CT-scan van het bekken vanwege een andere reden, werd op
04-04-2025 een grotendeels genezen botbreuk van het heiligbeen gezien.
Bij de meest recente controle bij de chirurg was er nog steeds sprake van een continuerend
herstelproces.
8. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 2] en zijn dochter
Dochter: [slachtoffer 2] heeft één dag in het Maasstad ziekenhuis gelegen en daarna is hij over gegaan naar Aafje Maasstad. Daar heeft hij gelegen tot 14 januari 2025 en daarna is hij overgebracht naar Aafje Smeedland. Daar heeft hij gelegen tot 9 maart 2025. Hij had een gebroken sleutelbeen links, hij is geopereerd aan zijn linker pols, deze was gebroken. Er zit een plaatje in. Er waren kneuzingen in zijn heupen en beide enkels en zijn heiligbeen was gebroken.
Bewijsmotivering
Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. De verdachte reed op 29 december 2024 in een Ford op de meest rechter rijbaan van de hoofdrijbaan A15 te Barendrecht. Zij heeft daar rechts de afslag genomen naar de gecombineerde in/uitvoegstrook. Dit heeft zij gedaan over een doorgetrokken lijn en via het tussenliggende gedeelte (dat 30 meter voor hectometerpaal 58.2 Re begon) tussen de hoofdrijbaan en de in/uitvoegstrook. Zij heeft tijdens deze manoeuvre - op de snelweg - met een, gelet op de omstandigheden, te lage snelheid gereden en onvoldoende aandacht gehad voor het overige verkeer. Op de in-/uitvoegstrook ter hoogte van hectometerpaal 58.3 is zij in botsing gekomen met de op die in-/uitvoegstrook rijdende Hyundai, die bestuurd werd door [slachtoffer 2] . Als gevolg van deze botsing is [slachtoffer 3] , passagier in het voertuig van de verdachte, overleden. [slachtoffer 1] , eveneens passagier in het voertuig van de verdachte, en [slachtoffer 2] hebben zwaar lichamelijk letsel opgelopen.
De verklaring van de verdachte dat zij tijdens de manoeuvre als gevolg van een onvoorzien mechanisch probleem aan haar voertuig is gestopt op het puntstuk en daar vervolgens is aangereden door de heer [slachtoffer 2] , vindt onvoldoende steun in het dossier. Deze verklaring wordt juist weersproken door de overige bevindingen van het onderzoek, zoals de in de verkeersongevallenanalyse bepaalde plaats van het ongeval. Deze verklaring wordt daarnaast weersproken door de verklaring van de verdachte afgelegd bij de politie direct na het ongeval, die aansluit bij wat de rechtbank zojuist heeft overwogen. Het verweer van de verdediging wordt daarom verworpen.
Door met onvoldoende snelheid op een snelweg een afslag te nemen waar dat niet is toegestaan, namelijk over een doorgetrokken lijn via het tussenliggende gedeelte tussen de hoofdrijbaan en de in-/uitvoegstrook en daarbij bovendien onvoldoende aandacht te hebben voor het overige verkeer, heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden. Het verkeersongeval is daarmee aan de schuld van de verdachte te wijten.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
primair
zij, op 29 december 2024 te Barendrecht als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat voertuig aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de A15, welk rijgedrag hierin heeft bestaan dat zij, verdachte toen daar,
- over een doorgetrokken lijn van de hoofdrijbaan overgestoken/afgeslagen is naar een
gecombineerde uitvoegstrook/invoegstrook en over het tussenliggende
gedeelte tussen de hoofdrijbaan en de gecombineerde
uitvoegstrook/invoegstrook reed en (vervolgens)
- met een te lage snelheid, in ieder geval mede gelet op de omstandigheden (veel) te lage snelheid, heeft gereden en (vervolgens)
- niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en onvoldoende aandacht heeft
gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse, ten gevolge waarvan een verkeersdeelnemer rijdend op die gecombineerde uitvoegstrook/invoegstrook, te weten de door [slachtoffer 2] bestuurde personenauto tegen de achterzijde van het door verdachte bestuurde voertuig is gebotst waardoor [slachtoffer 3] werd gedood en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel, te weten gebroken sleutelbeen en gebroken pols en gebroken heiligbeen en kneuzingen aan de heup en linker enkel en een verbrijzeld spaakbeen werd toegebracht en [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten gebroken ribben en gescheurde milt en dikke darm en zenuwkneuzing rechteronderbeen/voet werd toegebracht.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en anderen lichamelijk letsel wordt toegebracht.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straffen
Eis van de officier van justitie
De verdachte dient voor het primaire feit te worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 240 uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met een proeftijd van twee jaar, alsmede een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar.
Standpunt van de verdediging
Bij een strafoplegging dient rekening te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft op de A15 in Barendrecht een ongeval veroorzaakt. Zij heeft met de auto met een te lage snelheid en met onvoldoende aandacht voor het overige verkeer een afslag genomen over een doorgetrokken lijn via het gedeelte tussen de hoofdrijbaan en de in/uitvoegstrook, waardoor zij op de in/uitvoegstrook in botsing is gekomen met een Hyundai. Als gevolg hiervan is een slachtoffer, die als passagier in het voertuig van de verdachte zat, overleden. Namens de echtgenote en de zus van dit slachtoffer zijn slachtofferverklaringen op de zitting voorgelezen. Daarin is op invoelbare wijze naar voren gebracht wat voor gevolgen het ongeval voor de nabestaanden teweeg heeft gebracht. Daarnaast hebben een tweede passagier uit het voertuig van de verdachte en de bestuurder van de Hyundai zwaar lichamelijk letsel opgelopen.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 26 augustus 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Overige persoonlijke omstandigheden
De verdachte woont samen met haar vriend en heeft een baan als orderpicker bij Picnic. De verdachte heeft het moeilijk met het verlies van [slachtoffer 3] , met wie zij bevriend was. Zij is als gevolg van het ongeval onder behandeling bij een psycholoog.
Oplegging straffen
Bij het bepalen van de strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Gelet op de ernst van het feit zal een taakstraf en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen worden opgelegd. Voor het veroorzaken van een verkeersongeval met een dodelijke afloop en waarbij een aanmerkelijke mate van schuld is vastgesteld, heeft het LOVS als oriëntatiepunt een taakstraf van 240 uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar voorgesteld. De rechtbank ziet geen aanleiding om van deze strafsoort en -maat af te wijken. De rechtbank zal de ontzegging wel voorwaardelijk opleggen. Daarbij weegt de rechtbank het tijdsverloop van de zaak en de gevolgen die de zaak voor de verdachte heeft gehad mee. De verdachte zal moeten leven met de psychische gevolgen van het ongeval en met het besef dat daarbij een vriend van haar om het leven is gekomen. Gelet op het tijdsverloop beperkt de rechtbank de duur van de proeftijd ook tot één jaar. De voorwaardelijke straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt. Concluderend zal de rechtbank een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 240 uren opleggen, alsmede een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar met een proeftijd van één jaar.
5. Vordering van de benadeelde partijen
Vorderingen
[benadeelde 1] (echtgenote van [slachtoffer 3] ) heeft als benadeelde partij als vergoeding voor immateriële schade € 2.500,- aan nog niet uitgekeerde affectieschade voor haarzelf en € 2.500,- voor haar minderjarige dochter [benadeelde 2] gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[benadeelde 3] (moeder van [slachtoffer 3] ) heeft als benadeelde partij als vergoeding voor immateriële schade € 2.500,- aan nog niet uitgekeerde affectieschade gevorderd.
[benadeelde 6] (zus van [slachtoffer 3] ) heeft als benadeelde partij als vergoeding voor immateriële schade € 17.500,- aan affectieschade gevorderd. Zij doet een beroep op de hardheidsclausule van artikel 6:108, vierde lid, sub g BW.
[benadeelde 5] (broer van [slachtoffer 3] ) heeft als benadeelde partij als vergoeding voor immateriële schade € 17.500,- aan affectieschade gevorderd. Hij doet een beroep op de hardheidsclausule van artikel 6:108, vierde lid, sub g BW.
Standpunt van de officier van justitie
De vorderingen van de benadeelde partijen kunnen allen worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De vorderingen van [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] zijn niet betwist. De vorderingen van [benadeelde 6] en [benadeelde 5] dienen te worden afgewezen, omdat niet voldaan is aan het vereiste genoemd in artikel 6:108 BW lid 4 sub g.
Oordeel van de rechtbank
Vorderingen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3]
De benadeelde partijen hebben als gevolg van het feit rechtstreeks immateriële schade geleden. Zij hebben als echtgenote, dochter en moeder van het overleden slachtoffer recht op vergoeding van ieder € 17.500,- aan affectieschade. Voor hen is door de verzekering reeds € 15.000,- per persoon uitgekeerd. De rechtbank zal daarom het gevorderde verschil van € 2.500,- voor een ieder toewijzen. Dit betekent dat de vordering van [benadeelde 1] , inclusief de vordering van haar minderjarige dochter [benadeelde 2] wordt toegewezen voor een bedrag van € 5.000,-. De vordering van [benadeelde 3] wordt toegewezen voor € 2.500,-.
De benadeelde partijen hebben gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 29 december 2024.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zullen maken, omdat de vorderingen van de benadeelde partijen worden toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
De rechtbank legt bij elk van de vorderingen de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat de bedragen uitkeert aan de benadeelde partijen. Als dwangmiddel kan voor de vordering van [benadeelde 1] (en haar dochter) gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 50 dagen. Als dwangmiddel kan voor de vordering van [benadeelde 3] gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 25 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Vorderingen [benadeelde 6] en [benadeelde 5]
Mevrouw en de heer [naam] wensen aanspraak te maken op vergoeding van affectieschade als zus respectievelijk broer van het overleden slachtoffer (op grond van artikel 6:108 vierde lid sub g BW). Broers en zussen zijn niet opgenomen in de opsomming van artikel 6:108, vierde lid, sub a tot en met f, BW. Zij kunnen in bijzondere gevallen een beroep doen op de hardheidsclausule van artikel 6:108, vierde lid, sub g, BW. De hardheidsclause is bedoeld voor personen die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe relatie tot de overledene staan, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij als naasten kunnen worden aangemerkt. Voor het aannemen van affectieschade buiten de kring van personen die op grond van de wet daarvoor in aanmerking komen, moet sprake zijn van een uitzonderlijke situatie. Daarom mag van de benadeelde partijen worden verlangd dat zij, zeker nu de vorderingen gemotiveerd zijn betwist, de omstandigheden die een dergelijke uitzonderlijke situatie zouden kunnen rechtvaardigen, voldoende concreet onderbouwen. Hoewel namens de benadeelde partijen naar voren is gebracht dat in het onderhavige geval sprake was van een hechte familieband, is onvoldoende onderbouwd dat sprake was van een situatie die als uitzonderlijk kan worden aangemerkt. De rechtbank zal daarom de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen en bepalen dat zij de vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.
De rechtbank veroordeelt de benadeelde partijen in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vorderingen, omdat de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard. Deze kosten worden tot vandaag begroot op
€ 0,-.
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 36f van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
7. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het primaire feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;
Ontzegging van de rijbevoegdheid
ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 (één) jaar;
bepaalt dat de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 1 (één) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
Vordering benadeeld partij [benadeelde 1] (inclusief de vordering van haar minderjarige dochter [benadeelde 2] )
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 1] , te betalen een bedrag van € 5000,- (vijfduizend euro), bestaande uit vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 29 december 2024 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] aan de staat € 5000,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 29 december 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 50 (vijftig) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed;
Vordering benadeelde partij [benadeelde 3]
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 3] , te betalen een bedrag van € 2.500,- (vijfentwintighonderd euro), bestaande uit vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 29 december 2024 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 3] aan de staat € 2.500,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 29 december 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 25 (vijfentwintig) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed;
Vordering [benadeelde 6] (zus)
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 6] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0,-;
Vordering [benadeelde 5] (broer)
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 5] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0,-.
8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. P.C. Tuinenburg, voorzitter,
en mrs. M.J.M. van Beckhoven en P. Uijtdewillegen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.S. Brouwer, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 16 september 2026.
Mrs. M.J.M. van Beckhoven en P. Uijtdewillegen zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.