Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-395061-24
Datum uitspraak: 16 september 2026
Datum zitting: 2 september 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] [plaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. Y. Ameziane
Officier van justitie: mr. X.C. van Balen
Kern van het vonnis
De verdachte wordt vrijgesproken van opzetverkrachting. Niet bewezen is dat bij aangeefster de wil tot seks ontbrak. De verdachte wordt veroordeeld voor bedreiging en mishandeling van zijn levensgezel. Aan de verdachte wordt een taakstraf van 120 uur opgelegd.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – aangeefster [aangeefster] heeft verkracht, bedreigd en geprobeerd heeft haar zwaar te mishandelen, subsidiair haar heeft mishandeld, terwijl zij zijn levensgezel was.
De volledige tenlastelegging (hierna: beschuldiging) houdt in dat
1.
hij op of omstreeks 10 december 2024 te Rotterdam met een persoon, te weten [aangeefster] ,
een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het
- brengen/houden van een vibrator in haar vagina en/of
- brengen/houden van zijn penis in haar vagina en/of anus en/of mond,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door
- tegen die [aangeefster] te zeggen:
o “Dat (pijn) interesseert me niet, want jij hebt mij jarenlang pijn gedaan!” en/of
o “Begin maar je kleding uit te trekken!” en/of
o “Ga liggen!” en/of
o “Niet gillen anders ga ik nog verder naar binnen, tot aan mijn ballen!” en/of
o Dat zij hem moest pijpen, terwijl haar ontlasting zich op zijn penis bevond en/of
o “Ik ga je vermoorden, ik ga je slaan met mijn vuist” en/of
o Hoe zij zich moest positioneren,
althans woorden van gelijke (dreigende/intimiderende) aard/strekking, en/of
- zich te ontkleden en/of
- haar anus met verdovingsspray in te spuiten en/of haar haar anus in te laten spuiten met verdovingsspray en/of
- haar be(e)n(en) vast te pakken/houden en/of haar naar zich toe te trekken en/of
- op haar bil(len) te slaan en/of
- haar hand(en) vast te pakken/houden en/of
- haar aan haar haren te trekken en/of
- haar met twee handen bij haar nek te pakken om haar te wurgen;
2.
hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 31 juli 2024 te [plaats]
[aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware
mishandeling, door aan haar een mes te tonen en/of (vervolgens) met dat/een mes achter haar aan te rennen en/of daarbij te zeggen: “Je hebt het gedaan (vreemdgaan)!”, althans woorden van gelijke strekking/aard;
3 primair.
hij in of omstreeks de periode van 2 december 2024 tot en met 8 december 2024 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangeefster] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, haar een kopstoot heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3 subsidiair.
hij in of omstreeks de periode van 2 december 2024 tot en met 8 december 2024 te [plaats] zijn levensgezel, [aangeefster] , heeft mishandeld door haar een kopstoot te geven.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt vrijgesproken van het onder feit 3 primair ten laste gelegde (poging zware mishandeling) en dat hij wordt veroordeeld voor de feiten 1, 2 en 3 subsidiair. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor alle feiten.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak feit 1
In de onderhavige zaak staat niet ter discussie dat de verdachte en zijn levenspartner [aangeefster] in de nacht van 9 op 10 december 2024 seks met elkaar hebben gehad. Wel staat ter discussie of voor deze seks de wil van [aangeefster] ontbrak, of de verdachte dit wist of ernstige redenen had dit te vermoeden en of, als verkrachting wordt aangenomen, deze verkrachting werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd werd door dwang, geweld en/of bedreiging.
Juridisch kader
Deze zaak betreft een zedenzaak. Zedenzaken kenmerken zich doorgaans door het gegeven dat slechts twee personen aanwezig waren bij de tenlastegelegde seksuele handelingen (als die hebben plaatsgevonden). Bij een ontkennende verdachte kan dat de beantwoording van de bewijsvraag ingewikkeld maken. Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige (aangeefster), zelfs niet als de rechtbank deze verklaring betrouwbaar acht. Om tot een bewezenverklaring te komen is dus bijkomend bewijs (steunbewijs) nodig uit een van de getuige (aangeefster) onafhankelijke bron.
Het feit dat de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar wordt geacht, kan niet op zichzelf als voldoende steunbewijs dienen. Een gebrek aan voldoende steunbewijs voor de verklaring van het slachtoffer kan dus niet worden gecompenseerd door een gemotiveerd oordeel dat die verklaring betrouwbaar is. Andersom kan wel. De omstandigheid dat de verklaring van het slachtoffer in ander bewijsmateriaal steun vindt, kan bijdragen aan het oordeel dat die verklaring betrouwbaar is.
In de onderhavige zaak staat, als gezegd, niet het plaatsvinden van seks in de nacht van 9 op 10 december 2024 ter discussie, maar of hiervoor de wil bij aangeefster [aangeefster] ontbrak en of de verdachte dit wist of kon vermoeden. Dit betekent dat de hiervoor beschreven bewijsbeoordeling zich toespitst op dit punt; met andere woorden, is bewezen dat [aangeefster] de seks die nacht niet wilde en dat de verdachte dit wist of kon weten?
Bewijsbeoordeling
[aangeefster] heeft gedurende het opsporingsonderzoek bij de politie en als getuige bij zowel de rechter-commissaris als op de terechtzitting meerdere verklaringen afgelegd over de betreffende nacht. De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van [aangeefster] , met name op het punt van (het ontbreken van) de wil tot seks, tegenstrijdig en inconsistent zijn. Dit maakt dat de rechtbank met (de betrouwbaarheid, of anders gezegd, de bewijswaarde van) de verklaringen van [aangeefster] behoedzaam moet omgaan. De rechtbank wijst in dit verband op het volgende.
Op 10 december 2024 deed [aangeefster] aangifte bij de politie van mishandeling en bedreiging door de verdachte. Tijdens deze aangifte heeft ze ook verklaard dat de verdachte in de nacht van 9 op 10 december 2024 in hun gezamenlijke woning seks met haar had gehad terwijl zij dat absoluut niet wilde, dat ze had gegild en dat het pijn had gedaan en dat ze ook tegen hem had gezegd dat het pijn deed.
Tijdens het informatief gesprek zeden diezelfde dag verklaarde [aangeefster] meer gedetailleerd over wat er was gebeurd. Zo verklaarde zij dat zij van de verdachte een verdovingsspray op haar anus moest spuiten, dat hij haar vastpakte en vervolgens hardhandig met zijn penis eerst haar vagina en vervolgens haar anus binnendrong.
Op 12 december 2024 deed [aangeefster] aangifte van verkrachting. Tijdens dat verhoor verklaarde [aangeefster] over de manier waarop en de omstandigheden waaronder de verdachte haar zou hebben verkracht.
Omstreeks 21 december 2024 schreef [aangeefster] een brief aan de advocaat van de verdachte, inhoudende dat zij de verkrachting door de verdachte had verzonnen uit boosheid en om wraak te nemen, omdat hij hun relatie wilde beëindigen.
Op 8 januari 2025 bracht de politie een bezoek aan [aangeefster] . Bij die gelegenheid verklaarde [aangeefster] dat zij de brief aan de advocaat op aandringen van haar schoonmoeder had geschreven, dat zij dit had gedaan om van het gezeur af te zijn en dat zij dacht dat de politie de inhoud van die brief toch niet zou geloven.
Op 27 januari 2026 werd [aangeefster] door de rechter-commissaris onder ede als getuige gehoord. Tijdens dit verhoor is haar voorgehouden wat zij op 10 en 12 december 2024 heeft verklaard tegenover de politie over de onvrijwilligheid van de seks met de verdachte. [aangeefster] verklaarde in reactie hierop dat zij op die data niet de waarheid had gesproken, dat zij op de dag van de aangifte boos was en daarom een valse aangifte van verkrachting had gedaan. Zij was gefrustreerd omdat de verdachte, haar partner, een ander meisje had. Daarnaar gevraagd, verklaarde [aangeefster] dat zij niet onder druk was gezet om nu te verklaren zoals zij deed. Zij verklaarde dat zij geen seks tegen haar wil had gehad die bewuste nacht. De brief aan de advocaat van de verdachte waarin ze haar beschuldiging terugnam had ze op eigen initiatief geschreven.
Tijdens haar verhoor bij de politie op 2 februari 2026 verklaarde [aangeefster] dat zij tijdens haar verhoor bij de rechter-commissaris had gelogen, en dat de verdachte haar had verteld wat ze moest zeggen. Zij had haar aangifte tegen de verdachte aanvankelijk ingetrokken omdat zij niet wilde dat hij gestraft zou worden.
Gehoord onder ede als getuige op de terechtzitting van 2 september 2026 verklaarde [aangeefster] niet eenduidig in antwoord op de aan haar gestelde vragen. Enerzijds bevestigde zij hetgeen zij eerder tegenover de politie had verklaard op 10 en 12 december 2024, anderzijds verklaarde zij dat als de verdachte haar eerder had verteld dat hij op zoek was naar een andere woning, zij geen aangifte zou hebben gedaan. Zij had haar aangifte gedaan omdat het ‘incident’, zoals zij het noemde, was gebeurd en omdat zij rust in huis zou krijgen als hij werd opgepakt.
Zoals uit het voorgaande blijkt, heeft [aangeefster] in de periode van het politieonderzoek en het onderzoek op de zitting, al dan niet onder ede, wisselende verklaringen afgelegd. Het gaat daarbij niet om verschillen op detailniveau, maar om verschillen omtrent de essentiële vraag of zij die nacht de seks die zij met de verdachte heeft gehad ook zelf wilde. De rechtbank heeft geen begrijpelijke verklaring voor deze tegenstrijdige verklaringen uit het dossier kunnen afleiden. Opvallend is dat [aangeefster] zelf steeds (ook) wisselend verklaart over de reden van aangifte doen of het juist weer intrekken daarvan. Dat [aangeefster] haar aangifte introk en loog bij de rechter-commissaris uit angst voor, dan wel onder druk of invloed van, de verdachte en/of zijn moeder, zoals de officier van justitie naar voren heeft gebracht, blijkt niet, of althans volstrekt onvoldoende, uit het dossier.
Gelet op het vorenstaande twijfelt de rechtbank aan de betrouwbaarheid van de belastende verklaringen van de verdachte.
De rechtbank heeft vervolgens onderzocht of er zich in het dossier ander bewijsmateriaal bevindt dat de belastende verklaringen van [aangeefster] ondersteunt, dat afkomstig is uit een andere bron en dat zou kunnen bijdragen aan het oordeel dat die verklaring betrouwbaar is.
De officier van justitie heeft in dit verband op een aantal bevindingen uit het dossier gewezen. Het dossier bevat een proces-verbaal van bevindingen omtrent de aanhouding van de verdachte op 10 december 2024, bij welke gelegenheid hij blijkens het proces-verbaal onder meer verklaarde: “Een paar dagen geleden heb ik [aangeefster] ontmaagd op een manier die zij niet wilde. Maar dit verdiende ze. Ik heb anale seks gehad met mijn penis in haar kont.” Tijdens zijn verhoor bij de politie op 12 december 2024 verklaarde de verdachte dat hij en [aangeefster] met wederzijdse instemming anale seks hadden gehad en ontkende hij de bewoordingen ‘dat zij dat verdiende’, te hebben gebruikt. Wat daar ook van zij, deze uitlating kan niet dienen als steunbewijs voor de aangifte van [aangeefster] , nu de verdachte kennelijk doelde op seks die een paar dagen voor 10 december 2024 had plaatsgevonden, en niet in de betreffende nacht van 9 op 10 december 2024. Hier komt bij dat [aangeefster] ter zitting heeft verklaard dat zij en de verdachte eerder dan in de nacht van 9 op 10 december 2024 pogingen tot anale seks hadden gedaan.
Het dossier bevat daarnaast verschillende belastende audiofragmenten die afkomstig zouden zijn uit de telefoon van de verdachte. Het betreft spraakberichten gericht aan [aangeefster] , waarmee de verdachte tijdens zijn verhoren bij de politie op 10 en 12 december 2024 is geconfronteerd. Van (het veiligstellen van) deze audiofragmenten bevindt zich geen proces-verbaal is in het dossier. Bij ontbreken hiervan en nu uit de verhoren van de verdachte hierover ook geen concrete data van inspreken en verzenden blijken, kunnen deze spraakberichten evenmin dienen ter ondersteuning van de aangifte nu ze niet zijn te herleiden tot het tenlastegelegde feit.
Tot slot bevat het dossier de informatie die is veiliggesteld van de deurbelcamera. Hoewel dat nergens staat vermeld, gaat de rechtbank ervan uit dat dit wel beelden en teksten van de betreffende dag zijn. De teksten de je hoort zijn echter met name van [aangeefster] zelf afkomstig en daarmee uit dezelfde bron als haar verklaring.
Ook overigens heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat de belastende verklaringen van [aangeefster] steun vinden in ander (uit een onafhankelijke bron afkomstig) bewijsmateriaal. Daar staat tegenover dat er een verklaring van getuige [getuige] , [kennis] van [aangeefster] , in het dossier zit die juist steun biedt aan de verklaringen van [aangeefster] die ontlastend voor de verdachte zijn. Deze getuige heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat [aangeefster] in de kerstvakantie van 2024 tegen haar had gezegd dat zij en de verdachte niet meer samen zijn omdat de verdachte was vreemdgegaan, en dat zij tegen de politie had gelogen over het feit dat hij haar had verkracht. Hij wilde het huis niet uit en daarom had zij de politie gebeld om hem uit huis te halen, aldus [getuige] .
Conclusie
Het bewijs dat bij [aangeefster] de wil voor seks ontbrak, kan alleen worden ontleend aan haar eigen belastende verklaringen. Naast deze belastende verklaringen heeft [aangeefster] in de afgelopen anderhalf jaar echter ook een brief gestuurd en onder ede een verklaring afgelegd waarin zij expliciet heeft aangegeven dat de seks vrijwillig was en dat zij een valse verklaring heeft afgelegd. Voor deze wisselende verklaringen heeft zij geen aanvaardbare verklaring gegeven. Bewijs uit een onafhankelijke bron dat haar belastende verklaringen in zodanige mate ondersteunt dat aan de contra-indicaties voor het aannemen van de betrouwbaarheid van haar belastende verklaringen voorbijgegaan kan worden, ontbreekt. Tegen deze achtergrond en gegeven het feit dat de verdachte van aanvang af met klem heeft ontkend dat bij [aangeefster] de wil voor seks ontbrak, kan de rechtbank niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat sprake is geweest van de tenlastegelegd opzetverkrachting. De rechtbank acht daarom het aan de verdachte ten laste gelegde feit 1 niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken.
Vrijspraak feit 3 primair
De onder feit 3 primair aan de verdachte ten laste gelegde poging tot zware mishandeling is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte ook daarvan wordt vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen feit 2 en feit 3 subsidiair
Bewezen is dat:
Feit 2.
hij in de periode van 1 juli 2024 tot en met 31 juli 2024 te [plaats]
[aangeefster] heeft bedreigd met zware mishandeling, door aan haar een mes te tonen en vervolgens met dat mes achter haar aan te rennen en daarbij te zeggen: “Je hebt het gedaan (vreemdgaan)!”, althans woorden van gelijke strekking/aard;
Feit 3 subsidiair.
hij in de periode van 2 december 2024 tot en met 8 december 2024 te [plaats] zijn levensgezel, [aangeefster] , heeft mishandeld door haar een kopstoot te geven.
De bewezenverklaring van de feiten 2 en 3 (subsidiair) is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen.
1. Verklaring van de verdachte
Het was gewoon een keukenmes. Wij hadden een discussie en zij ging weg. Ik heb dat mes gepakt. Het was in een opwelling. Ik denk dat ik het oppakte om haar een beetje bang te maken.
[aangeefster] en ik hadden een discussie, wij stonden kop tegen kop. Door mijn lichaamshouding raakte ik met mijn voorhoofd haar voorhoofd.
2. Proces-verbaal van de politie, aangifte [aangeefster] op 10 december 2024Degene die mij heeft mishandeld en bedreigd is mijn partner [verdachte] .
Ongeveer vijf maanden geleden heeft [verdachte] een mes gepakt en is hij achter mij aangelopen. Dat was in huis. Ik zag dat [verdachte] een mes pakte in de keuken. Ik rende toen weg en ik zag dat hij achter mij aanrende. Ik rende naar buiten. Ik zag dat [verdachte] nog steeds dat mes vasthad. Ik hoorde dat [verdachte] zei: “Je hebt het gedaan, je hebt het
gedaan.” [verdachte] beschuldigde mij van vreemdgaan.
Vorige week heeft [verdachte] (de rechtbank leest vervolgens: mij) twee keer bij mijn keel gepakt. Dit speelde zich af in de woonkamer van mijn woning. [verdachte] kwam dicht bij mij staan en ik zag dat hij zijn hoofd richting mijn hoofd bewoog. Ik zag dat hij dit met een snelle beweging deed. Ik voelde dat zijn voorhoofd mijn neus raakte. Ik voelde direct een hevige pijn in mijn hoofd en neus. Ik heb bijna vijf dagen pijn gehad van de kopstoot.
3. Proces-verbaal van de politie, verhoor verdachte
V: U zou in het verleden ook met een mes achter [aangeefster] zijn aangegaan, wat kunt hierover verklaren?A: Ja, nee dat is wel gebeurd. Alleen gerend. Ik zei: Ik wil gewoon een antwoord.V: Wat is de reden dat je een mes meeneemt dan?A: Ik weet niet, was een opwelling gewoon.
V: U heeft uw partner toen ook een kopstoot gegeven, klopt dat?
A: Nee dat was niet toen, dat was een andere dag.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 2.
bedreiging met zware mishandeling;
Feit 3 subsidiair.
mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten 1, 2 en 3 subsidiair worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van twee jaar met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd en de dadelijke uitvoerbaarheid van die voorwaarden.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van [aangeefster] met een mes en aan mishandeling van [aangeefster] .
Met zijn handelen heeft de verdachte niet alleen de reële vrees doen ontstaan voor een ernstige inbreuk op de persoonlijke veiligheid van [aangeefster] maar heeft hij ook inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. Bovendien heeft [aangeefster] door de kopstoot pijn gehad. De rechtbank rekent dit de verdachte aan, te meer nu hij beide feiten heeft gepleegd jegens zijn vriendin met wie hij een zoon heeft en samenwoonde. [aangeefster] zou zich bij uitstek bij de verdachte in haar eigen woning veilig moeten voelen. De verdachte heeft dit gevoel van veiligheid aangetast.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 29 juli 2026 blijkt dat de verdachte niet recentelijk onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.
Rapport van de reclassering
Op 24 juni 2026 heeft Reclassering Nederland een adviesrapport over de verdachte uitgebracht. De rechtbank heeft van de inhoud van dit rapport kennisgenomen.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarom wordt een taakstraf van 120 uur opgelegd.
5. Voorlopige hechtenis
De rechter-commissaris heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van
13 december 2024 geschorst. De rechtbank heft dit geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.
7. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1 en 3 primair ten laste gelegde feiten heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 2 en 3 subsidiair, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 120 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat 114 uur taakstraf moet worden verricht;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 57 dagen;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.
8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.F. Koekebakker, voorzitter,
en mrs. M. Timmerman en L. den Teuling, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Meulendijk griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 16 september 2026.