ECLI:NL:RBROT:2026:12231

ECLI:NL:RBROT:2026:12231

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 16-09-2026
Datum publicatie 18-09-2026
Zaaknummer 10-151173-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

De verdachte heeft geprobeerd meerdere mensen te doden door met een vuurwapen te schieten in de richting van een groep personen op een terras, waarbij één van die personen ook daadwerkelijk is geraakt en ernstig is verwond. Op de zitting stond niet ter discussie dat de verdachte heeft geschoten. Centraal stond de vraag of er sprake was van zelfverdediging. De rechtbank oordeelt van niet. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-151173-26

Datum uitspraak: 16 september 2026

Datum zitting: 2 september 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats] ,

gedetineerd in [verblijfsplaats] .

Advocaat van de verdachte: mr. W.J. Morra

Officier van justitie: mr. M. van Eck

Benadeelde partij: [benadeelde]

Advocaat van de benadeelde partij: mr. F.J.M. Hamers

1. Kern van het vonnis

De verdachte heeft geprobeerd meerdere mensen te doden door met een vuurwapen te schieten in de richting van een groep personen op een terras, waarbij één van die personen ook daadwerkelijk is geraakt en ernstig is verwond. Op de zitting stond niet ter discussie dat de verdachte heeft geschoten. Centraal stond de vraag of er sprake was van zelfverdediging. De rechtbank oordeelt van niet. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar.

2. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte – samengevat – van een meervoudige poging tot moord dan wel doodslag, door met een vuurwapen te schieten in de richting van een groep personen, waarbij één van die personen ook daadwerkelijk is geraakt.

De volledige tenlastelegging houdt in dat

hij op of omstreeks 26 mei 2026 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk,

(een) ander(en), te weten [benadeelde] en/of [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4] en/of één of meer (tot op heden) onbekend gebleven personen met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, van het leven te beroven, met een vuurwapen, meermalen, althans eenmaal, één of meer kogels naar en/of in de richting van [benadeelde] en/of [naam 1] en/of die [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4] en/of één of meer (tot op heden) onbekend gebleven personen heeft afgeschoten en/of afgevuurd, waarbij die [benadeelde] door een of meer kogels in/aan het hoofd is geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3. Bewijs

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de ten laste gelegde poging tot doodslag, meermalen gepleegd. De officier van justitie ziet onvoldoende bewijs voor een veroordeling voor poging tot moord.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de (impliciet primair) ten laste gelegde moord. De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd tegen de (impliciet subsidiair) ten laste gelegde poging doodslag en zich voor wat betreft de bewezenverklaring van dat feit aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

Oordeel van de rechtbank

Partiële vrijspraak

De impliciet primair aan de verdachte ten laste gelegde poging tot moord is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte van dit deel van de tenlastelegging wordt vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat

hij op 26 mei 2026 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde] en [naam 1] en [naam 2] en [naam 3] en

[naam 4] en onbekend gebleven personen met dat opzet van het leven te beroven, met een vuurwapen, meermalen, kogels in de richting van [benadeelde] en [naam 1] en die [naam 2] en [naam 3] en [naam 4] en onbekend gebleven personen heeft afgevuurd, waarbij die [benadeelde] door een kogel aan het hoofd is geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.

1. Verklaring van de verdachte

2. Proces-verbaal van de politie, aangifte [aangever 1]

3. Proces-verbaal van de politie, verhoor aangever [aangever 1]

4. Medische informatie betreffende [aangever 1]

5. Proces-verbaal van de politie, verhoor getuige [getuige 1]

6. Proces-verbaal van de politie, aangifte [aangever 2]

7. Proces-verbaal van de politie, aangifte [aangever 3]

8. Proces-verbaal van de politie, verhoor getuige [getuige 2]

9. Proces-verbaal van de politie

Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van het feit en van de verdachte

Beroep op (putatief) noodweer(exces)

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem een geslaagd beroep op (putatief) noodweer(exces) toekomt. De verdediging heeft dit als volgt gemotiveerd.

De verdachte dacht dat een van de personen die zich op het genoemde terras bevonden, door de verdediging aangeduid als ‘ [alias] ’, op het punt stond om op hem te schieten. Daarmee was voor de verdachte sprake van een ogenblikkelijke dreigende aanranding, waartegen hij zich had te verdedigen met het vuurwapen dat hij bij zich droeg.

De verdachte droeg dit vuurwapen bij zich omdat hij zelf ooit slachtoffer is geweest van vuurwapengeweld. Hij had en heeft daar nog regelmatig herbelevingen van en voelt zich daardoor onveilig op straat en in het openbaar. Na een discussie met ‘ [alias] ’ liep de verdachte weg, maar hij zag ondertussen dat ‘ [alias] ’ een zwart voorwerp uit zijn rechter broekzak haalde en zijn hand vervolgens ter hoogte van zijn rechter jaszak hield, en dat een vriend van ‘ [alias] ’ (in de woorden van de verdachte) ‘op hem af kwam sluipen’. De verdachte kon op dat moment niet meer helder denken, verwachtte te worden neergeschoten en schoot vervolgens zelf in de richting van ‘ [alias] ’. Dat er ook andere mensen in de omgeving waren, was op dat moment totaal uit zijn gedachten verdwenen.

Er was aldus sprake van een noodweersituatie. Indien de verdachte daarbij de grenzen van noodzakelijke verdediging heeft overschreden, komt aan de verdachte een geslaagd beroep op noodweerexces toe; hij handelde zoals hij deed als gevolg van een traumatisch verleden. Indien de dreiging die van ‘ [alias] ’ uitging niet voldoende onmiddellijk (dreigend) was, dan mocht de verdachte dat wel denken en komt hem, door zijn voorgeschiedenis en de omstandigheden van de situatie waarvoor hij zich gesteld zag, een geslaagd beroep op putatief noodweer(exces) toe; de verdachte had zich het dreigende gevaar dat van ‘ [alias] ’ uitging verontschuldigbaar ingebeeld.

Oordeel van de rechtbank

Voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) moet allereerst komen vast te staan dat er sprake is geweest van een noodweersituatie: een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, of een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo’n aanranding, van, in dit geval, de verdachte, waartegen de verdachte zich moest verdedigen.

Uit de hiervoor opgesomde bewijsmiddelen blijkt het volgende. Kort voor het schietincident op 26 mei 2026 loopt de verdachte na een woordenwisseling met ‘ [alias] ’ weg van het terras waar deze ‘ [alias] ’, het slachtoffer [naam slachtoffer] en overige personen zich bevinden. Op het moment dat de verdachte zich op enige afstand van het terras bevindt, pakt hij uit een tasje, dat hij op zijn lichaam draagt, een vuurwapen. De verdachte laadt dit vuurwapen door en draait zich vervolgens om richting het terras, met in zijn rechterhand het vuurwapen dat hij richt op de zich op en nabij het terras bevindende personen. De verdachte loopt ondertussen verder achteruit en als hij zich op een afstand van zo’n veertig meter van het terras bevindt, schiet hij vier keer met het vuurwapen in de richting van het terras en de zich aldaar bevindende personen. Dan is het korte tijd stil, waarna er nog één schot door de verdachte wordt gelost. Het is in dit eerste vuursalvo dat het slachtoffer [naam slachtoffer] door een kogel in zijn achterhoofd wordt geraakt.

Wat er ook zij van de beweging die ‘ [alias] ’ maakte met een voorwerp dat hij uit zijn rechter broekzak pakte en vervolgens in zijn rechter jaszak stopte – uit de op de terechtzitting getoonde videobeelden lijkt het daarbij om het verplaatsen van een mobiele telefoon te

gaan – er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden waaruit kan worden afgeleid dat er sprake is geweest van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van de verdachte, waartegen hij zich moest verdedigen. Nu er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is geweest van een noodweersituatie, komt aan de verdachte ook geen beroep op noodweerexces toe. Het beroep op noodweer en noodweerexces wordt verworpen.

Vervolgens moet worden beoordeeld of de verdachte, kort voorafgaand aan het moment dat hij de schoten in de richting van ‘ [alias] ’ en de overige op en nabij het terras aanwezigen loste, abusievelijk in de veronderstelling heeft verkeerd en mocht verkeren zich te moeten verdedigen tegen een (dreigend) gevaar. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden waaruit volgt dat er sprake was van een dergelijke situatie. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat de verdachte op geruime afstand van het terras stond met een doorgeladen vuurwapen in zijn hand en in zoverre in verregaande mate zelf de controle had over de situatie. Daarnaast geldt dat ‘ [alias] ’ weliswaar een zwart voorwerp uit zijn zak haalt, maar dat ook meteen in een andere zak weer wegstopt en de verdachte niet schiet op het moment dat ‘ [alias] ’ iets uit zijn zak haalt maar pas een paar seconden nadat ‘ [alias] ’ het voorwerp in zijn zak heeft teruggestopt. Daar komt nog bij dat op het moment dat de verdachte schiet, er twee mensen tussen hem en ‘ [alias] ’ instaan, zodat de kans dat er onder die omstandigheden door ‘ [alias] ’ op de verdachte zou worden geschoten niet meteen voor de hand ligt. Deze omstandigheden bij elkaar genomen, maken dat een verontschuldigbare vergissing over een dreigend gevaar beschoten te worden niet aannemelijk is geworden.

Het beroep op putatief noodweer(exces) wordt verworpen.

Conclusie

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4. Straf

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar, met aftrek van voorarrest.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft met een vuurwapen vijf schoten gelost in de richting van een groep personen die zich op en nabij een terras van een horecagelegenheid bevond. De verdachte heeft hierdoor willens en wetens het risico genomen dat hij deze personen zou raken en dus ook dat hij hen zou doden. Eén van de personen op het terras werd ook daadwerkelijk aan het hoofd geraakt. Hiermee heeft de verdachte een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van dit slachtoffer. Het slachtoffer [naam slachtoffer] heeft een schedelbreuk en hersenletsel opgelopen waardoor het zicht in zijn rechteroog is verminderd. Daarnaast lijdt hij aan tinnitus en PTSS. De gelukkige omstandigheid dat [naam slachtoffer] dit heeft overleefd en dat er niet méér personen door kogels zijn geraakt, is geenszins aan het handelen van de verdachte te danken. Het slachtoffer en zijn familie zullen moeten leven met de ingrijpende en mogelijk deels blijvende fysieke en mentale gevolgen van het incident. [naam slachtoffer] heeft op zitting via zijn advocaat verteld wat dit alles met hem en zijn gezin heeft gedaan. Een strafbaar feit als dit schokt niet alleen alle personen die op dat moment op het terras aanwezig waren maar ook de samenleving en zorgt voor gevoelens van angst en onveiligheid.

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 29 juli 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Oplegging straf

Gelet op de ernst van het strafbare feit is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd, zoals dit ook volgt uit de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank neemt, anders dan de officier van justitie, bij het bepalen van de hoogte van de straf minder het aantal potentiële slachtoffers mee, nu het alles bij elkaar genomen toch met name om één situatie ging. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de relatief jonge leeftijd van de verdachte.

Aldus wordt aan de verdachte een gevangenisstraf opgelegd van kortere duur dan door de officier van justitie geëist, te weten van 7 jaar, met aftrek van voorarrest.

De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

5. Vordering van de benadeelde partij

Vordering

[benadeelde] heeft als benadeelde partij voor het feit een totaalbedrag van € 14.002,33 als vergoeding voor materiële schade, een totaalbedrag van € 62.500,- als vergoeding voor immateriële schade en een bedrag van € 2.500,- als vergoeding voor nader te onderbouwen schade gevorderd, het geheel te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat betreft de gevorderde vergoeding van materiële en immateriële schade, en meent dat de benadeelde partij in de gevorderde vergoeding voor nader te onderbouwen schade niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

Primair is, in lijn met het bepleite ontslag van alle rechtsvervolging van de verdachte, niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de gehele vordering bepleit. Subsidiair is aangevoerd dat er geen aanleiding is voor opzetverhoging omdat de verdachte geen opzet had om [benadeelde] iets aan te doen. Voorts geldt dat de benadeelde partij wat betreft de gevorderde materiële schadevergoeding, niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het gevorderde schadebedrag voor ‘verlies aan verdienvermogen’ bij gebrek aan voldoende onderbouwing.

De gevorderde immateriële schadevergoeding moet bij toewijzing daarvan worden gematigd, omdat deze per post apart is opgeteld, terwijl het per post al forfaitaire bedragen zijn, zodat er overlap in zit.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Het gevorderde materiële schadedrag is opgebouwd uit de volgende posten:

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De vordering wordt wat betreft de hiervoor onder a tot en met h genoemde schadeposten, dus voor een totaalbedrag van € 8.814,49, toegewezen, omdat deze voldoende zijn onderbouwd en de verdediging dit deel van de vordering niet of onvoldoende heeft weersproken.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering wat betreft de hiervoor onder i genoemde schadepost, omdat behandeling van dit deel van de vordering nog te veel vragen oproept en daarmee een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Immateriële schade

Het gevorderde immateriële schadedrag bestaat uit een (totaal)bedrag van € 50.000,- in verband met (onder meer) door de benadeelde partij bekomen hersenletsel, oogletsel, gehoorschade en PTSS, te verhogen met vijfentwintig procent vanwege verwijtbaar en opzettelijk handelen van de verdachte. Derhalve in totaal € 62.500,-.

De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen en is op andere wijze in zijn persoon aangetast. Als gevolg van het bewezen feit heeft de benadeelde partij PTSS, hersenletsel, oogletsel en gehoorschade bekomen.

De immateriële schade wordt op dit moment naar billijkheid begroot op € 20.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede de aard en ernst van het letsel. Daarnaast heeft bij de beoordeling van de omvang van het toe te wijzen schadebedrag een belangrijke rol gespeeld dat er een relatief korte periode is verstreken sinds de benadeelde partij slachtoffer is geworden van het bewezen feit, zodat er nu nog geen zicht is op de uiteindelijke duur van de herstelperiode, en dat de verschillende letselvormen met elkaar verband houden. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 20.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan daarom bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nader te onderbouwen schade

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering wat betreft de nader te onderbouwen schade, omdat behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Ook dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 26 mei 2026.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij grotendeels wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding van in totaal € 28.814,49 aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 154 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

6. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

7. Beslissingen

De rechtbank:

Partiele vrijspraak

verklaart niet bewezen dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 7 (zeven) jaar;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Vordering benadeelde partij

veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde] te betalen een bedrag van

€ 28.814,49, bestaande uit € 8.814,49 als vergoeding van materiële schade en € 20.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 26 mei 2026 tot de dag van volledige betaling.

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor het bewezen feit de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij

[benadeelde] aan de staat € 28.814,49 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 26 mei 2026 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 154 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

8. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.F. Koekebakker, voorzitter,

en mrs. M. Timmerman en L. den Teuling, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Meulendijk griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 16 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.F. Koekebakker

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand