RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer: 12014930 \ MB VERZ 25-9252
cjib-nummer: [kenmerk 1]
registratienummer: [kenmerk 2]
uitspraak: 18 mei 2026
uitspraak van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,
in de zaak van:
betrokkene: [betrokkene]
woonplaats: [vestigingsplaats]
gemachtigde: mr. M. Lagas
1. Het verloop van de procedure
Bij inleidende beschikking van 6 november 2024 is aan betrokkene een sanctie opgelegd van € 120,00, vermeerderd met € 9,00 administratiekosten. De beschikking is opgelegd voor “handelen in strijd met een gesloten verklaring in beide richtingen (bord c1)”, begaan op donderdag 17 oktober 2024 om 16:04 uur te Rotterdam aan de [locatie 1] (feitcode [kenmerk 3] ).
Tegen deze beschikking is betrokkene op 3 december 2024 bij de officier van justitie in beroep gekomen.
De officier van justitie heeft het beroep van betrokkene ongegrond verklaard. Deze beslissing is op 22 september 2025 aan betrokkene verzonden.
Tegen de beslissing van de officier van justitie heeft betrokkene op 3 november 2025 beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de openbare zitting van 20 april 2026, waar namens de officier van justitie een vertegenwoordiger van de CVOM is verschenen. De gemachtigde van betrokkene is, met bericht, niet verschenen.
2. De beoordeling
De termijnen en formaliteiten voor de procedure bij de kantonrechter zijn in acht genomen.
Betrokkene betwist de gedraging. De gemachtigde van betrokkene heeft aangevoerd dat:- het betrokken voertuig van het C1-verbod (geslotenverklaring) was ontheven ten tijde van de gedraging; - de officier van justitie aan betrokkene een dwangsom is verschuldigd wegens het niet tijdig beslissen op het beroep. Ook verzoekt betrokkene om een proceskostenvergoeding en te bepalen dat deze rechtstreeks aan de gemachtigde wordt uitbetaald.
Op de zitting heeft de vertegenwoordiger van de CVOM verzocht om het beroep ongegrond te verklaren.
Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat onder meer de volgende gegevens:
“De overtreding is geautomatiseerd geconstateerd en op een digitale foto vastgelegd door een camera die na het bord C1 is geplaatst. Onder het bord is een onderbord geplaatst met de tekst: ‘Uitgezonderd lijnbussen en nul-emissie taxi’s’. De camera heeft vastgelegd dat het voornoemde voertuig kwam uit oostzuidoostelijke richting van de [locatie 2] en reed in westnoordwestelijke richting naar de [locatie 3] .
De camera heeft vastgelegd dat het betrokken voertuig het voor hem bedoelde C1-bord negeerde en over de doorgetrokken streep reed en de geslotenverklaring in reed. (…) Voor dit voertuig was ten tijde van de overtreding geen ontheffing afgegeven.”
Het dossier bevat bovendien twee schouwrapporten (van 26 september 2024 en van 31 oktober 2024) en een foto van de gedraging. Op de foto is te zien dat het betrokken voertuig met kenteken [kenteken] over de rijstrook met de geslotenverklaring heenrijdt. De gemachtigde van betrokkene heeft een foto van een ontheffing overgelegd. De ontheffing geldt voor het betrokken voertuig en was verleend voor de periode van 12 mei 2022 tot en met 31 december 2027.
Niet ter discussie staat of betrokkene over een ontheffing beschikte ten tijde van de gedraging. Wel is de vraag of het op dat moment noodzakelijk was van die ontheffing gebruik te maken. Geoordeeld wordt dat die noodzaak niet aannemelijk is gemaakt. Dit betekent dat niet kan worden gezegd dat terecht gebruik is gemaakt van de ontheffing. De gedraging staat dan ook voldoende vast.
De officier van justitie heeft in zijn beslissing aangevoerd dat geen dwangsom is verbeurd omdat het Openbaar Ministerie in de periode van 18 juli 2025 tot en met 10 september 2025 niet in staat was te beslissen omdat de interne systemen van het Openbaar Ministerie niet of beperkt beschikbaar waren. Hij heeft voor dit beroep op overmacht onder andere verwezen naar de uitspraak van de Raad van State van 16 december 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2949).
Naar het oordeel van de kantonrechter ligt de onmogelijkheid van het nemen van een (tijdige) beslissing gedurende de hiervoor aangegeven periode in abnormale en onvoorziene omstandigheden waardoor het beroep op overmacht slaagt (uitspraak Raad van State, 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2949).
Het beroep is dan ook ongegrond.
Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, bestaat er geen aanleiding tot het toekennen van een proceskostenvergoeding.
3. De beslissing
De kantonrechter:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af;
wijst de gevorderde dwangsom af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F. Milders en uitgesproken ter openbare zitting.
67223
Wanneer de bij deze beslissing opgelegde sanctie meer bedraagt dan € 110,00 of uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard op grond van het niet tijdig stellen van zekerheid, staat ingevolge artikel 14 Wahv tegen deze uitspraak hoger beroep open binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het beroepschrift dient ingezonden te worden bij de kantonrechter (Postbus 7003, 3300 GC Dordrecht). Het is niet mogelijk om hoger beroep in te stellen per e-mail.
Datum toezending: