ECLI:NL:RBROT:2026:12594

ECLI:NL:RBROT:2026:12594

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 10-09-2026
Datum publicatie 24-09-2026
Zaaknummer ROT 26/5965
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter. Afwijzing verzoek om voorlopende voorziening hangende bezwaar. Overtreding van de specifieke zorgplicht van artikel 3.5 in samenhang met de artikelen 3.8, 3.9 en 3.10 van het Bbl, gelet op de verslechterde staat van de loodsen. Het college was bevoegd handhavend op te treden. De gemachtigde van het college heeft namens de burgemeester toegezegd dat het college bereid is de aan maatregelen 4, 5 en 6 gekoppelde begunstigingstermijnen te verlengen tot 1 oktober 2026. Verzoekster krijgt hierdoor de gelegenheid om de sloop uiterlijk vóór die datum af te ronden, waarmee in zoverre feitelijk aan het doel van de last onder dwangsom zou zijn voldaan. De voorzieningenrechter hoeft daarom geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel over maatregelen 4, 5 en 6 te geven. De voorzieningenrechter acht het opleggen van maatregelen 1, 2, 3 en 7 redelijk, mede in het licht van de belangen van de omgeving en voorbijgangers om te worden beschermd tegen instortingsgevaar van de loodsen. Aan deze belangen mocht het college een doorslaggevend gewicht toekennen.

Uitspraak

Navtrans Invest B.V., uit 's-Gravenhage, verzoekster

(gemachtigde: mr. N.J.M. Beelaerts van Blokland)

enhet college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk

(gemachtigde: [naam 1]).

Inleiding

1. Met het bestreden besluit van 7 juli 2026 heeft het college aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd met betrekking tot drie loodsen op de locatie [adres 1] (locatie). Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 september 2026 op zitting behandeld. Verschenen zijn: de gemachtigde van verzoekster, vergezeld van [naam 2] en de gemachtigde van het college, vergezeld van [naam 3] (toezichthouder) en [naam 4] (teamleider juridische afdeling).

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader

2. Op grond van artikel 3.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) is degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het bouwwerk tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

Op grond van artikel 3.8, eerste lid, van het Bbl is een bouwwerk bestand tegen krachten die tijdens het beoogde gebruik op het bouwwerk worden uitgeoefend. Op grond van het tweede lid wordt, als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.8 regels zijn aangewezen, voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Op grond van artikel 3.9 van het Bbl bezwijkt een bouwconstructie niet gedurende de in NEN 8700 bedoelde restlevensduur bij de fundamentele belastingscombinaties, bedoeld in NEN 8700.

Op grond van artikel 3.10, eerste lid, van het Bbl wordt het niet-bezwijken, bedoeld in artikel 3.9, bepaald volgens NEN 8700. Op grond van het tweede lid kan bij een niet in een woongebouw of logiesgebouw gelegen woonfunctie of logiesfunctie bij het bepalen van het niet-bezwijken, bedoeld in artikel 3.9, rekening worden gehouden met de stabiliteitsvoorziening van een op een aangrenzend bouwwerkperceel gelegen gebruiksfunctie van dezelfde soort.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Op 11 maart 2026 heeft het college een verzoek om handhaving ontvangen met betrekking tot een gebouwencomplex bestaande uit drie loodsen op de locatie (de loodsen). Het verzoek om handhaving is ingediend vanwege de verslechterende staat van de loodsen en een incident waarbij onderdelen van de dakconstructie op het aangrenzende perceel zijn gevallen met persoonlijk letsel tot gevolg. Verzoekster is eigenaar van het perceel.

Op 11, 13 en 23 maart en 3 april 2026 zijn inspecties van de constructieve staat van de loodsen op de locatie uitgevoerd naar aanleiding van het verzoek om handhaving. Van deze inspecties heeft de toezichthouder een rapport van bevindingen van 16 april 2026 opgesteld. Van de inspectie van 3 april 2026 heeft de constructeur een constructie- en handhavingsrapport van 7 april 2026 opgesteld dat onderdeel uitmaakt van het rapport van bevindingen.

In het rapport van bevindingen staat dat een volledige instorting van de loodsen een kwestie van tijd is. De cumulatieve degradatie heeft een kritiek punt bereikt. De constructieve veiligheid op basis van NEN 8700 en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) is niet langer gewaarborgd. De progressieve verslechtering en een incident met vallende delen maken handhavend optreden noodzakelijk om de publieke veiligheid en de veiligheid van de aangrenzende percelen te waarborgen.

Met de brief van 13 mei 2026 heeft het college aan verzoekster het voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom kenbaar gemaakt. Daarop heeft verzoekster een zienswijze ingediend.

Met het bestreden besluit van 7 juli 2026 (verzonden op 10 juli 2026) heeft het college aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de specifieke zorgplicht van artikel 3.5 in samenhang met de artikelen 3.8, 3.9 en 3.10 van het Bbl.

Om deze overtredingen te beëindigen, dient verzoekster de volgende maatregelen te treffen.

1. Alle loshangende onderdelen (dakpannen, dakgoten, boeidelen, windveren, loszittende bakstenen, glasresten en metselwerkfragmenten) van de gebouwen 1, 2 en 3 dienen te worden verwijderd of deugdelijk te worden vastgezet;

2. Er dient, overeenkomstig de Landelijke richtlijn Bouw- en Sloopveiligheid, een toereikende veiligheidszone aan de buitenkant van de gevel (waterzijde) van gebouw 3 te worden gecreëerd en worden afgezet met bouwhekken;

3. De gebouwen 2 en 3 mogen niet meer worden betreden door personen, met uitzondering van (ter zake) deskundige personen in verband met de noodzakelijke stutwerkzaamheden (constructieve stabilisatie);

4. Er dient een door een constructeur goedgekeurd stutplan te worden uitgevoerd en te worden overlegd aan de gemeente. Hierbij moeten de dakspanten van gebouw 3, ter plaatse van de gevel aan de waterzijde, verticaal en diagonaal worden gestut door noodstempels op een deugdelijke ondergrond (niet op de bestaande rotte poeren), om de gefaalde gevel aan de waterzijde te ontlasten en verdere instorting te voorkomen;

5. Het metselwerk grenzend aan het perceel van de buren ([adres 2]) dient ter plaatse van de gebouwen deugdelijk gefixeerd of geschoord te worden om te voorkomen dat bij (deel)instorting brokstukken op het buurperceel vallen;

6. Alle stalen rollen en balken die aan de (dak-)constructie van de gebouwen 2 en 3 hangen dienen, om de reeds bezwijkende (dak-)constructie acuut te ontlasten, te worden verwijderd; 7. De gebouwen dienen maandelijks visueel te worden gecontroleerd op verdere scheurvorming/instorting na stormachtig weer. Als tijdens de monitoring een verdere verslechtering van de staat of een (dreigende) deelinstorting wordt geconstateerd, dienen onmiddellijk de stabiliserende maatregelen, zoals stutten en fixeren, uitgevoerd te worden.

De begunstigingstermijn waarbinnen aan de lastgeving moet worden voldaan, is gesteld op:

a. Maatregel 1: twee weken na in werking treden van het besluit;

b. Maatregel 2: één week na in werking treden van het besluit;

c. Maatregelen 3 en 7: één dag na in werking treden van het besluit;

d. Maatregelen 4, 5 en 6: zes weken na in werking treden van het besluit.

Wanneer verzoekster niet of niet tijdig aan de lastgeving voldoet, verbeurt zij een dwangsom van:

a. Maatregel 1: € 1.000,- per keer dat wordt geconstateerd dat verzoekster hier niet aan voldoet tot een maximum van € 3.000,-;

b. Maatregel 2: € 1.000,- per keer dat wordt geconstateerd dat verzoekster hier niet aan voldoet tot een maximum van € 3.000,-;

c. Maatregel 3: € 5.000,- per keer dat wordt geconstateerd dat verzoekster hier niet aan voldoet tot een maximum van € 15.000,-;

d. Maatregel 4: € 5.000,- per keer dat wordt geconstateerd dat verzoekster hier niet aan voldoet tot een maximum van € 15.000,-;

e. Maatregel 5: € 5.000,- per keer dat wordt geconstateerd dat verzoekster hier niet aan voldoet tot een maximum van € 15.000,-;

f. Maatregel 6: € 5.000,- per keer dat wordt geconstateerd dat verzoekster hier niet aan voldoet tot een maximum van € 15.000,-;

g. Maatregel 7: € 5.000,- per keer dat wordt geconstateerd dat verzoekster hier niet aan voldoet tot een maximum van € 15.000,-.

Voor het onder a en b gestelde kan per dag maximaal één constatering plaatsvinden en voor het onder c, d, e, f en g gestelde kan maximaal één constatering per week plaatsvinden.

4. Als tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Spoedeisend belang

5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster spoedeisend belang heeft bij haar verzoek. De begunstigingstermijnen die aan de lasten zijn gekoppeld, zijn inmiddels verstreken. Verzoekster is echter van plan om de loodsen op zeer korte termijn (uiterlijk vóór aanvang van het hoogwaterseizoen op 1 oktober 2026) te slopen. Gelet hierop zou nakoming van de last onder dwangsom, in het bijzonder maatregelen 4, 5 en 6 die vooral dienen tot het stutten en fixeren van de loodsen, geen reëel doel meer dienen. Met het voorgaande is het spoedeisend belang naar het oordeel van de voorzieningenrechter gegeven.

Gronden van het verzoek

6. Verzoekster betoogt dat het college haar ten onrechte de last onder dwangsom heeft opgelegd. Daartoe stelt zij dat de begunstigingstermijnen te kort en feitelijk onmogelijk om na te leven zijn. Het handhavingsverzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, is gebaseerd op onjuiste feiten. De opgelegde herstelmaatregelen en de bijbehorende dwangsommen zijn onevenredig, omdat de loodsen op korte termijn worden gesloopt. Het college heeft de financiële belangen van verzoekster, in het licht van de aanstaande sloop, onvoldoende meegewogen.

7. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet. Vast staat en tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een overtreding van de specifieke zorgplicht van artikel 3.5 in samenhang met de artikelen 3.8, 3.9 en 3.10 van het Bbl, gelet op de verslechterde staat van de loodsen. Het college was dus bevoegd daartegen handhavend op te treden.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisering, bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.

Bij de beoordeling van de gronden van het verzoek stelt de voorzieningenrechter het volgende vast. De gemachtigde van het college heeft tijdens een schorsing van de zitting contact gezocht met de burgemeester van Ridderkerk en namens hem toegezegd dat het college bereid is de aan maatregelen 4, 5 en 6 gekoppelde begunstigingstermijnen te verlengen tot 1 oktober 2026. Verzoekster krijgt hierdoor de gelegenheid om de sloop van de loodsen uiterlijk vóór 1 oktober 2026 af te ronden, waarmee in zoverre feitelijk aan het doel van de onderhavige last onder dwangsom zou zijn voldaan. De genoemde maatregelen zijn immers gericht op het stabiliseren van de loodsen in verband met de bestaande gevaarzettende situatie en de sloop van de loodsen maakt aan die situatie ook een einde. Vóór aanvang van de sloop van de loodsen dient verzoekster over een goedgekeurde sloopmelding te beschikken, waarover zij nog niet beschikt. Verzoekster heeft een melding gedaan, maar die is volgens het college nog onvolledig. Op de zitting hebben partijen besproken welke aanvullende gegevens hiervoor nog dienen te worden overgelegd. De toezichthouder heeft toegelicht dat de concrete gegevens over de bij de sloop aan te houden veiligheidszone nog ontbreken. Daarnaast dient verzoekster concreet toe te lichten hoe bij de sloop rekening wordt gehouden met de omliggende panden op de buurpercelen. Verzoekster heeft toegezegd de ontbrekende gegevens zo snel mogelijk bij de al door haar ingediende sloopmelding van 7 juli 2026 te voegen. Het college heeft desgevraagd erkend dat, hoewel de correspondentie daarover verwarring wekt, verzoekster geen nieuwe melding hoeft te doen maar de ingediende melding kan aanvullen. Partijen hebben vervolgens toegezegd zich beiden te zullen inspannen, zodat binnen één week na de datum van deze uitspraak kan worden gestart met de sloop. Het voorgaande brengt met zich dat de voorzieningenrechter in deze uitspraak geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel over maatregelen 4, 5 en 6 hoeft te geven.

De voorzieningenrechter acht het opleggen van maatregelen 1 (het verwijderen of vastzetten van loshangende onderdelen), 2 (het creëren van een veiligheidszone aan de waterzijde van loods 3 met bouwhekken, omdat het perceel ook via het water kan worden betreden), 3 (het niet betreden van loods 2 en 3) en 7 (een maandelijkse inspectie van de loodsen) redelijk, mede in het licht van de belangen van de omgeving en voorbijgangers om te worden beschermd tegen instortingsgevaar. Aan deze belangen mocht het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter een doorslaggevend gewicht toekennen. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat in verband met de gevaarzettende situatie ter plaatse verzoekster maatregelen 1, 2, 3 en 7 óók had moeten treffen als haar zou zijn gelast om de loodsen (op termijn) te slopen. De opgelegde begunstigingtermijnen van twee weken (maatregel 1), één week (maatregel 2) en één dag (maatregel 3 en 7) acht de voorzieningenrechter eveneens redelijk, gelet op de relatieve eenvoud van de te nemen maatregelen en de dringende noodzaak om zo snel mogelijk iets te doen aan de onveilige situatie. Aan het college komt bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn enige vrijheid toe. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de begunstigingstermijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Verzoekster heeft op de zitting verklaard maatregelen 1, 3 en 7 al te hebben uitgevoerd. Dat zou concreet betekenen dat zij alleen nog bouwhekken aan de waterzijde van loods 3 hoeft te plaatsen om aan maatregel 2 te voldoen. Wat verzoekster over het handhavingsverzoek en de feitelijke grondslag van het bestreden besluit heeft aangevoerd, maakt het oordeel van de voorzieningenrechter niet anders. Gesteld dat er een feitelijk onjuist handhavingsverzoek zou zijn ingediend, dan zou dat niets afdoen aan de verslechterde toestand van de loodsen en de risico’s die daarvan uitgaan, zoals ook door de toezichthouder is vastgesteld. Het college heeft in de gegeven omstandigheden hoe dan ook de plicht om op de door de toezichthouder vastgestelde overtredingen te handhaven.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.A. Brekelmans, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2026.

De griffier is verhinderd de uitspraak

te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L.A. Brekelmans

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand