ECLI:NL:RBROT:2026:12600

ECLI:NL:RBROT:2026:12600

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 21-08-2026
Datum publicatie 24-09-2026
Zaaknummer 10-309408-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

De verdachte wordt vrijgesproken van het aan zijn schuld te wijten veroorzaken van een verkeersongeval op 11 juni 2025 te Rotterdam als gevolg waarvan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel is toegebracht (artikel 6 van de Wegenverkeerswet) en van het veroorzaken van gevaar op de weg (artikel 5 van de Wegenverkeerswet). De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-309408-25

Datum uitspraak: 21 augustus 2026

Datum zitting: 21 augustus 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats],

ingeschreven op het adres:

[adres], [postcode] in [plaatsnaam].

Advocaat van de verdachte: mr. L.S.E. Hinrichs

Officier van justitie: mr. T. van den Bergh

Benadeelde partij: [benadeelde partij]

Kern van het vonnis

De verdachte wordt vrijgesproken van het aan zijn schuld te wijten veroorzaken van een verkeersongeval op 11 juni 2025 te Rotterdam als gevolg waarvan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht (artikel 6 van de Wegenverkeerswet) en van het veroorzaken van gevaar op de weg (artikel 5 van de Wegenverkeerswet). De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat - samengevat - het aan zijn schuld te wijten is dat op 11 juni 2025 te Rotterdam een verkeersongeval heeft plaatsgevonden als gevolg waarvan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Subsidiair is dit ten laste gelegd als het veroorzaken van gevaar op de weg.

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat

primair

hij op of omstreeks 11 juni 2025 te Rotterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als

bestuurder van een motorrijtuig (vrachtwagen met gekoppelde aanhangwagen),

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door met dat motorrijtuig roekeloos, in elk geval zeer, althans

aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam te rijden op de

voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A16,

welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

- terwijl hij, verdachte, voornemens was en/of bezig was een bijzondere manoeuvre

uit te voeren, zoals bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990 en/of

- niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op de

weefstrook/afrit van die weg (Rijksweg A16) en/of het zich daarop bevindende

verkeer en/of

- ( vervolgens) een stuurbeweging naar rechts heeft gemaakt en/of van rijstrook is

gewisseld (in de richting van de weefstrook/afrit 26) en/of

- ( vervolgens) een zich op die weefstrook bevindende motorfiets geen voorrang

heeft verleend, waardoor hij, verdachte, met de aanhangwagen in botsing is

gekomen met die motorfiets, waardoor de bestuurster van die motorfiets ten val is

gekomen en/of is overreden door de aanhangwagen

waardoor een ander, te weten [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk

letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de

uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair

hij op of omstreeks 11 juni 2025 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig

(vrachtwagen met gekoppelde aanhangwagen), daarmee rijdende op de voor het

openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A16, zich zodanig heeft gedragen

dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het

verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd,

welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

- niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op de

weefstrook/afrit van die weg (Rijksweg A16) en/of het zich daarop bevindende

verkeer en/of

- ( vervolgens) een stuurbeweging naar rechts heeft gemaakt en/of van rijstrook is

gewisseld (in de richting van de weefstrook/afrit 26) en/of

- ( vervolgens) een zich op die weefstrook bevindende motorfiets geen voorrang

heeft verleend, waardoor hij, verdachte, met de aanhangwagen in botsing is

gekomen met die motorfiets, waardoor de bestuurster van die motorfiets (te weten

[slachtoffer]) ten val is gekomen en/of is overreden door de aanhangwagen.

2. Vrijspraak

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet (primair) wettig en overtuigend kan worden bewezen, in de mate van verwijtbaarheid van ‘aanmerkelijke schuld'. De verdachte heeft een verkeerde verkeersinschatting gemaakt. Er is sprake geweest van meerdere momenten waarop hij beter had moeten opletten. Aan de verdachte moet een taakstraf voor de duur van 100 uur worden opgelegd.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit.

Op basis van het strafdossier kan niet worden gesteld dat de verdachte roekeloos of in aanmerkelijke mate verwijtbaar onvoorzichtig, onoplettend of onachtzaam is geweest. Het gegeven dat een ernstig ongeval heeft plaatsgevonden, is onvoldoende om tot de vereiste schuld te komen. De verdediging stelt dan ook dat vrijspraak dient te volgen voor

het primair tenlastegelegde feit. Voor een bewezenverklaring van artikel 5 van de Wegenverkeerswet dient de verdachte concreet gevaarzettend gedrag te hebben vertoond dat inbreuk maakt op de veiligheid op de weg. In de onderhavige strafzaak volgt uit het strafdossier niet van een dergelijk concreet gevaarzettend gedrag van de zijde van de verdachte. Van een evidente vorm van gevaar of hinder, zoals vereist voor een bewezenverklaring van artikel 5 van de Wegenverkeerswet, is geen sprake geweest, althans kan op basis van het strafdossier niet of onvoldoende worden vastgesteld.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt omtrent de feiten het volgende vast.

Op 11 juni 2025 om 13:23 uur op de A16 te Rotterdam vond een verkeersongeval plaats. De verdachte was de bestuurder van een vrachtwagen met gekoppelde aanhangwagen en het slachtoffer reed op een motor. De verdachte en het slachtoffer reden op de rechterrijstrook. Tussen hen reed in elk geval één auto en waarschijnlijk een tweede auto. De verdachte en het slachtoffer besloten min of meer tegelijkertijd om uit te voegen. De verdachte heeft verklaard dat hij tweemaal in zijn spiegels had gekeken en daardoor wist dat hij ruimte had om uit te voegen. Dat de verdachte voldoende ruimte had om uit te voegen wordt bevestigd door getuigen die in de auto direct achter de verdachte reden.

Op basis van het dossier concludeert de rechtbank dat de verdachte op het moment van uitvoegen reed met een snelheid van 18 kilometer per uur en dat het slachtoffer minstens twee keer zo hard reed als de verdachte. Dit snelheidsverschil wordt onderschreven door voornoemde getuigen die zien dat rechts van hen een motor hen passeert. Tijdens het uitvoegen heeft het slachtoffer, zoals zij zelf heeft verklaard, over haar schouder gekeken. Het kan vanwege het achteromkijken en het snelheidsverschil zijn dat het slachtoffer niet heeft gezien dat de vrachtwagen (ook) aan het opschuiven was. Het slachtoffer heeft verklaard dat zij de vrachtwagen zag zodra zij weer voor zich keek. Toen was het te laat en vond de aanrijding plaats.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte niet roekeloos, noch zeer althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend of onachtzaam gehandeld. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat niet kan worden bewezen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet. De verdachte wordt om die reden van het primair ten laste gelegde vrijgesproken.

Voor een bewezenverklaring van artikel 5 van de Wegenverkeerswet dient de verdachte concreet gevaarzettend gedrag te hebben vertoond dat inbreuk maakt op de veiligheid op de weg. De verdachte heeft voorafgaand en tijdens de uitvoegmanoevre gehandeld op een wijze die van een beroepschauffeur magworden verwacht. De verdachte heeft hierbij geen concreet gevaarzettend gedrag vertoond. Van een evidente vorm van gevaar of hinder, zoals vereist voor een bewezenverklaring van artikel 5 WVW, is geen sprake geweest, althans kan op basis van het strafdossier niet worden vastgesteld. Door een nare samenloop van omstandigheden heeft het ongeval plaatsgevonden. De verdachte wordt van het subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken.

3. Vordering van de benadeelde partij

Vordering [benadeelde partij]

heeft als benadeelde partij als vergoeding voor materiële schade een bedrag van

€ 2.001,94 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard moet worden in de vordering, omdat de verdediging vrijspraak heeft bepleit. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat bij een bewezenverklaring de verdachte bereid is om de kosten te betalen in verband met de reparatie-/vervangingskosten van de motor(spullen).

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit.

De rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vordering, omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.

4. Beslissingen

De rechtbank:

Vrijspraak

verklaart niet bewezen dat de verdachte het primaire en subsidiaire feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Vordering benadeelde partij

verklaart de [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op nihil.

5. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H. Wielhouwer, voorzitter,

en mrs. W.A.F. Damen en T.J. Roest Crollius, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.C. Suiker, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 21 augustus 2026.

Mr. Roest Crollius is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. H. Wielhouwer

Griffier

  • mr. L.C. Suiker

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand