Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-309408-25
Datum uitspraak: 21 augustus 2026
Datum zitting: 21 augustus 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats],
ingeschreven op het adres:
[adres], [postcode] in [plaatsnaam].
Advocaat van de verdachte: mr. L.S.E. Hinrichs
Officier van justitie: mr. T. van den Bergh
Benadeelde partij: [benadeelde partij]
Kern van het vonnis
De verdachte wordt vrijgesproken van het aan zijn schuld te wijten veroorzaken van een verkeersongeval op 11 juni 2025 te Rotterdam als gevolg waarvan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht (artikel 6 van de Wegenverkeerswet) en van het veroorzaken van gevaar op de weg (artikel 5 van de Wegenverkeerswet). De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat - samengevat - het aan zijn schuld te wijten is dat op 11 juni 2025 te Rotterdam een verkeersongeval heeft plaatsgevonden als gevolg waarvan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Subsidiair is dit ten laste gelegd als het veroorzaken van gevaar op de weg.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
primair
hij op of omstreeks 11 juni 2025 te Rotterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als
bestuurder van een motorrijtuig (vrachtwagen met gekoppelde aanhangwagen),
zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft
plaatsgevonden door met dat motorrijtuig roekeloos, in elk geval zeer, althans
aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam te rijden op de
voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A16,
welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,
- terwijl hij, verdachte, voornemens was en/of bezig was een bijzondere manoeuvre
uit te voeren, zoals bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en
verkeerstekens 1990 en/of
- niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op de
weefstrook/afrit van die weg (Rijksweg A16) en/of het zich daarop bevindende
verkeer en/of
- ( vervolgens) een stuurbeweging naar rechts heeft gemaakt en/of van rijstrook is
gewisseld (in de richting van de weefstrook/afrit 26) en/of
- ( vervolgens) een zich op die weefstrook bevindende motorfiets geen voorrang
heeft verleend, waardoor hij, verdachte, met de aanhangwagen in botsing is
gekomen met die motorfiets, waardoor de bestuurster van die motorfiets ten val is
gekomen en/of is overreden door de aanhangwagen
waardoor een ander, te weten [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk
letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de
uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair
hij op of omstreeks 11 juni 2025 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig
(vrachtwagen met gekoppelde aanhangwagen), daarmee rijdende op de voor het
openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A16, zich zodanig heeft gedragen
dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het
verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd,
welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,
- niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op de
weefstrook/afrit van die weg (Rijksweg A16) en/of het zich daarop bevindende
verkeer en/of
- ( vervolgens) een stuurbeweging naar rechts heeft gemaakt en/of van rijstrook is
gewisseld (in de richting van de weefstrook/afrit 26) en/of
- ( vervolgens) een zich op die weefstrook bevindende motorfiets geen voorrang
heeft verleend, waardoor hij, verdachte, met de aanhangwagen in botsing is
gekomen met die motorfiets, waardoor de bestuurster van die motorfiets (te weten
[slachtoffer]) ten val is gekomen en/of is overreden door de aanhangwagen.
2. Vrijspraak
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet (primair) wettig en overtuigend kan worden bewezen, in de mate van verwijtbaarheid van ‘aanmerkelijke schuld'. De verdachte heeft een verkeerde verkeersinschatting gemaakt. Er is sprake geweest van meerdere momenten waarop hij beter had moeten opletten. Aan de verdachte moet een taakstraf voor de duur van 100 uur worden opgelegd.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit.
Op basis van het strafdossier kan niet worden gesteld dat de verdachte roekeloos of in aanmerkelijke mate verwijtbaar onvoorzichtig, onoplettend of onachtzaam is geweest. Het gegeven dat een ernstig ongeval heeft plaatsgevonden, is onvoldoende om tot de vereiste schuld te komen. De verdediging stelt dan ook dat vrijspraak dient te volgen voor
het primair tenlastegelegde feit. Voor een bewezenverklaring van artikel 5 van de Wegenverkeerswet dient de verdachte concreet gevaarzettend gedrag te hebben vertoond dat inbreuk maakt op de veiligheid op de weg. In de onderhavige strafzaak volgt uit het strafdossier niet van een dergelijk concreet gevaarzettend gedrag van de zijde van de verdachte. Van een evidente vorm van gevaar of hinder, zoals vereist voor een bewezenverklaring van artikel 5 van de Wegenverkeerswet, is geen sprake geweest, althans kan op basis van het strafdossier niet of onvoldoende worden vastgesteld.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt omtrent de feiten het volgende vast.
Op 11 juni 2025 om 13:23 uur op de A16 te Rotterdam vond een verkeersongeval plaats. De verdachte was de bestuurder van een vrachtwagen met gekoppelde aanhangwagen en het slachtoffer reed op een motor. De verdachte en het slachtoffer reden op de rechterrijstrook. Tussen hen reed in elk geval één auto en waarschijnlijk een tweede auto. De verdachte en het slachtoffer besloten min of meer tegelijkertijd om uit te voegen. De verdachte heeft verklaard dat hij tweemaal in zijn spiegels had gekeken en daardoor wist dat hij ruimte had om uit te voegen. Dat de verdachte voldoende ruimte had om uit te voegen wordt bevestigd door getuigen die in de auto direct achter de verdachte reden.
Op basis van het dossier concludeert de rechtbank dat de verdachte op het moment van uitvoegen reed met een snelheid van 18 kilometer per uur en dat het slachtoffer minstens twee keer zo hard reed als de verdachte. Dit snelheidsverschil wordt onderschreven door voornoemde getuigen die zien dat rechts van hen een motor hen passeert. Tijdens het uitvoegen heeft het slachtoffer, zoals zij zelf heeft verklaard, over haar schouder gekeken. Het kan vanwege het achteromkijken en het snelheidsverschil zijn dat het slachtoffer niet heeft gezien dat de vrachtwagen (ook) aan het opschuiven was. Het slachtoffer heeft verklaard dat zij de vrachtwagen zag zodra zij weer voor zich keek. Toen was het te laat en vond de aanrijding plaats.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte niet roekeloos, noch zeer althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend of onachtzaam gehandeld. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat niet kan worden bewezen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet. De verdachte wordt om die reden van het primair ten laste gelegde vrijgesproken.
Voor een bewezenverklaring van artikel 5 van de Wegenverkeerswet dient de verdachte concreet gevaarzettend gedrag te hebben vertoond dat inbreuk maakt op de veiligheid op de weg. De verdachte heeft voorafgaand en tijdens de uitvoegmanoevre gehandeld op een wijze die van een beroepschauffeur magworden verwacht. De verdachte heeft hierbij geen concreet gevaarzettend gedrag vertoond. Van een evidente vorm van gevaar of hinder, zoals vereist voor een bewezenverklaring van artikel 5 WVW, is geen sprake geweest, althans kan op basis van het strafdossier niet worden vastgesteld. Door een nare samenloop van omstandigheden heeft het ongeval plaatsgevonden. De verdachte wordt van het subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken.
3. Vordering van de benadeelde partij
Vordering [benadeelde partij]
heeft als benadeelde partij als vergoeding voor materiële schade een bedrag van
€ 2.001,94 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard moet worden in de vordering, omdat de verdediging vrijspraak heeft bepleit. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat bij een bewezenverklaring de verdachte bereid is om de kosten te betalen in verband met de reparatie-/vervangingskosten van de motor(spullen).
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit.
De rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vordering, omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.
4. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte het primaire en subsidiaire feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Vordering benadeelde partij
verklaart de [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op nihil.
5. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. H. Wielhouwer, voorzitter,
en mrs. W.A.F. Damen en T.J. Roest Crollius, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.C. Suiker, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 21 augustus 2026.
Mr. Roest Crollius is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.