Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
Rekestnummer: [nummer]
BESCHIKKING op het verzoek van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verzoekster] ,
gevestigd te [vestigingsplaats 1],
verzoekster,
advocaat: mr. drs. M.N. Landzaad
strekkende tot faillietverklaring van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster] ,
gevestigd te [vestigingsplaats 2],
verweerster,
advocaat: mr. W.E. Boogert
1. De procedure
Verzoekster, bij monde van mr. M.N. Landzaad, advocaat, en de heer [persoon A] en verweerster, bij monde van haar advocaat, mr. W.E. Boogert, zijn gehoord in raadkamer op 8 september 2026.
Ter zitting van 8 september 2026 zijn door verweerster pleitnotities aan de rechtbank overgelegd.
2. Standpunten
Standpunt verzoekster
Verzoekster heeft in haar verzoekschrift en ter zitting (samengevat) gesteld dat zij een opeisbare vordering heeft op verweerster uit hoofde van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van de rechtbank Rotterdam, team handel en haven, van 18 februari 2026 (hierna: het vonnis). Daarnaast heeft Invint I B.V. (hierna: Invint) ook een opeisbare vordering op verweerster op grond van hetzelfde vonnis. In het vonnis is verweerster veroordeeld tot betaling van € 250.000,00 aan zowel verzoekster als Invint afzonderlijk, op grond van een tussen hen en verweerster gesloten vaststellingsovereenkomst waarin een earn-outregeling is overeengekomen. Verweerster heeft echter niet aan het vonnis voldaan, ondanks sommaties en door middel van bankbeslagen is slechts een bedrag van € 13.476,32 geïncasseerd. Verzoekster is ervan overtuigd dat zij ook in hoger beroep in het gelijk wordt gesteld. Dat verweerster niet wil betalen, omdat sprake zou zijn van een restitutierisco, is niet van belang. Er ligt een vonnis dat uitvoerbaar bij vooraad is verklaard. Ter zitting heeft verzoekster gepersisteerd in haar verzoek tot faillietverklaring van verweerster.
Standpunt verweerster
Verweerster heeft (samengevat) gesteld dat het faillissementsverzoek moet worden afgewezen. Verzoekster en Invint hebben geen vordering op verweerster, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor een nabetaling op grond van de overeengekomen earn-outregeling. In het vonnis is nauwelijks acht geslagen op de verweren van verweerster en de vorderingen zijn uitsluitend toegewezen omdat ten onrechte de verzwaarde motiveringsplicht is toepast. Verweerster is in hoger beroep gegaan tegen het vonnis en deze procedure staat op de rol voor 15 september 2026 voor het nemen van grieven. Verweerster is ervan overtuigd dat de vordering in hoger beroep zal worden afgewezen. Daarnaast verkeert verweerster niet in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. De vorderingen zijn namelijk niet onbetaald gelaten uit betalingsonmacht, maar uit betalingsonwil. Verweerster wil niet betalen, gelet op het aanwezige restitutierisico. Bovendien heeft zij ook na het leggen van de conservatoire beslagen zekerheid aangeboden in de vorm van een bankgarantie voor de bij het vonnis toegewezen bedragen. Inmiddels is voor beide vorderingen een bankgarantie gesteld voor € 300.000,00. Dat bedrag staat op een geblokkeerde rekening. Daarmee zijn verzoekster en Invint verzekerd van betaling van hun vermeende vorderingen. Tot slot geldt dat er verder geen steunvorderingen zijn.
3. De beoordeling
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerster in Nederland ligt.
Op grond van artikel 6 van de Faillissementswet wordt de faillietverklaring uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Van de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden blijkt in het algemeen, indien sprake is van pluraliteit van schuldeisers, terwijl ten minste één vordering opeisbaar is.
De rechtbank overweegt als volgt.
Het vorderingsrecht van verzoekster
Verzoekster baseert haar vorderingsrecht (en dat van Invint) op het toewijzend vonnis, dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Het instellen van hoger beroep tegen dat vonnis heeft dus geen schorsende werking, zodat de vordering van verzoekster en de vordering van Invint vooralsnog opeisbaar zijn. Vaststaat dat verweerster de vorderingen van verzoekster en van Invint niet heeft voldaan. Deze vorderingen staan echter niet onherroepelijk vast. Of in deze faillissementsprocedure summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van verzoekster kan in het midden blijven. Het verzoek tot faillietverklaring stuit namelijk af op het volgende.
Geen toestand van hebben opgehouden te betalen
Uit het partijdebat maakt de rechtbank op dat verweerster de vorderingen van verzoekster en Invint niet betaalt omdat zij deze betwist en een restitutierisico aanwezig acht. Inmiddels is een hoger beroepsprocedure aanhangig, waarin de vorderingen van verzoekster en Invint in volle omvang onderwerp van geschil zijn. Dat verweerster niet in staat is tot betaling is de rechtbank niet gebleken. Verzoekster heeft niet weersproken dat er geen andere steunvordering is dan de betwiste vordering van Invint. Bovendien heeft verweerster inmiddels zekerheid gesteld voor de betaling van deze vorderingen door het stellen van twee ter zitting overgelegde bankgaranties. Dat verweerster heeft opgehouden te betalen is daarom niet summierlijk gebleken.
Nog afgezien van het voorgaande heeft verzoekster niet duidelijk gemaakt welk redelijk belang zij er voor het verhaal van haar vordering bij heeft, dat de procedure in hoger beroep niet wordt afgewacht en in plaats daarvan het faillissement van verweerster wordt uitgesproken.
Het verzoek tot faillietverklaring wordt daarom afgewezen.
4. De beslissing
De rechtbank:
- wijst af het verzoek tot faillietverklaring.
Deze beschikking is op 15 september 2026 gegeven door mr. E.A. Vroom, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.M. de Laat, griffier.