Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10.091639.25
Datum uitspraak: 28 september 2026
Datum zitting: 14 september 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. D.M. Penn
Officier van justitie: mr. W.D. van den Berg
Benadeelde partij: [benadeelde]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. A.Y. Bleeker
Kern van het vonnis
Bewezen is dat de verdachte als bestuurder van een auto door zijn schuld een verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor een vrouw en haar ongeboren kind zijn gedood (artikel 6 WVW). De verdachte heeft met een veel hogere snelheid dan de toegestane maximum snelheid van 50 km/u gereden, heeft op gevaarlijke wijze een auto ingehaald en is vervolgens vol tegen een andere auto aangebotst die wilde afslaan. De bestuurster van deze auto en haar ongeboren kind zijn als gevolg van het verkeersongeval overleden. Het rijgedrag van de verdachte wordt als roekeloos gekwalificeerd. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijf jaar.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte er primair van dat – samengevat – het aan zijn schuld te wijten is dat op 23 maart 2025 te Rotterdam een verkeersongeval heeft plaatsgevonden als gevolg waarvan [slachtoffer] en haar ongeboren kind werden gedood. Subsidiair is dit ten laste gelegd als het veroorzaken van gevaar op de weg.
De volledige tenlastelegging houdt in dat
hij, op of omstreeks 23 maart 2025 te Rotterdam, althans in Nederland,
als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto met
kenteken [kentekennummer] ),
zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft
plaatsgevonden door met dat voertuig roekeloos, in elk geval zeer, althans
aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met
aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op
de voor het openbaar verkeer openstaande weg, het Toepad,
welk rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte toen daar,
terwijl hij, verdachte, onder invloed van het inhaleren van een anti-dust spray en/of
drijfgas was en/of verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste en vijfde
lid van de Wegenverkeerswet 1994,
- met een hogere snelheid dan de aldaar toegestane maximum snelheid van 50
kilometer per uur heeft gereden (te weten ongeveer 115 km per uur), in elk geval
heeft gereden met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was en/of
(vervolgens)
- niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en/of onvoldoende
aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse, althans
onvoldoende heeft gelet op de weg en/of mogelijke weggebruikers vóór hem en/of
(vervolgens)
- met een zeer hoge snelheid gevaarlijk heeft ingehaald en/of (vervolgens)
- al slingerend heeft gewisseld van rijstrook, en/of (vervolgens) op een rijbaan heeft
gereden bedoeld voor tegemoetkomend verkeer en/of (vervolgens)
- het door hem bestuurde voertuig onvoldoende onder controle heeft gehouden,
althans onvoldoende (bij) te sturen en/of te remmen en/of (vervolgens) niet in staat
is geweest zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de
weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of (vervolgens)
- op/tegen de bestuurderszijde (zijkant) van de voor hem, verdachte, rijdende
weggebruiker, genaamd [slachtoffer] , is gebotst en/of
gereden,
waardoor [slachtoffer] en haar ongeboren kind werden
gedood;
subsidiair:
hij op of omstreeks 23 maart 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto met kenteken [kentekennummer] ), daarmee rijdende op voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten het Toepad, binnen de gemeente Rotterdam, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die wegen werd gehinderd, althans kon worden gehinderd,
welke verkeersgedraging(en) hierin hebben bestaan dat hij, verdachte, terwijl hij, verdachte, onder invloed van het inhaleren van een anti-dust spray en/of drijfgas was en/of verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste en vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994,
- met een hogere snelheid dan de aldaar toegestane maximum snelheid van 50
kilometer per uur heeft gereden (te weten ongeveer 115 km per uur), in elk geval heeft gereden met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was en/of (vervolgens)
- niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en/of onvoldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse, althans onvoldoende heeft gelet op de weg en/of mogelijke weggebruikers vóór hem en/of (vervolgens)
- met een zeer hoge snelheid gevaarlijk heeft ingehaald en/of (vervolgens)
- al slingerend heeft gewisseld van rijstrook, en/of (vervolgens) op een rijbaan heeft
gereden bedoeld voor tegemoetkomend verkeer en/of (vervolgens)
- het door hem bestuurde voertuig onvoldoende onder controle heeft gehouden, althans onvoldoende (bij) te sturen en/of te remmen en/of (vervolgens) niet in staat is geweest zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of (vervolgens)
- op/tegen de bestuurderszijde (zijkant) van de voor hem, verdachte, rijdende weggebruiker, genaamd [slachtoffer] , is gebotst en/of gereden.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het primaire feit, in die zin dat sprake is van roekeloos rijgedrag. Niet bewezen kan worden dat de verdachte heeft gereden terwijl hij onder invloed was van anti-dust spray.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van het primaire feit partiële vrijspraak bepleit voor wat betreft de schuldgradatie roekeloosheid en het onder invloed verkeren van (geïnhaleerde) anti-dust spray. De verdediging heeft zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte door zijn schuld een verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor de bestuurster van een auto en haar ongeboren kind zijn overleden. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring van het primaire feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Verklaring van de verdachte
Ik reed op 23 maart 2025 op het Toepad in Rotterdam en wilde de auto testen door hard te rijden. Ik heb daarbij geen rekening gehouden met de verkeersituatie.
2. Proces-verbaal van de politieOp 23 maart 2025 was ik begonnen met het onderzoek naar de toedracht van de aanrijding. Ik zag dat er camera’s hingen bij de Van Gent kazerne. Op de camerabeelden kon ik de volgende toedracht vaststellen:
Ik zag dat de Peugeot en de BMW beide reden op het Toepad, komende uit de richting van de Nesserdijk en gaande in de richting van de Landaulettestraat. Ik zag dat de BMW op de rijstrook reed, bestemd voor tegemoetkomend verkeer. Ik zag dat de BMW een auto inhaalde en bijna op een tegemoetkomende auto inreed. Ik zag dat de BMW ternauwernood een aanrijding kon voorkomen door terug te sturen naar zijn eigen rijstrook. Ik zag dat de Peugeot, welke voor de BMW reed, linksaf richting de inrit van de Hockeyclub stuurde. Ik zag dat de BMW met de motorkap in de flank van de Peugeot reed. Ik zag dat de Peugeot tegen een boom tot stilstand kwam. Ik zag dat de BMW een stukje doorreed en in de sloot terecht kwam.
3. Proces-verbaal van de politie forensisch onderzoek verkeersongeval
Het ongeval had plaatsgevonden op het Toepad, ter hoogte van de inrit naar het [adres 2] , ter plaatse gelegen binnen de bebouwde kom van Rotterdam in de gemeente Rotterdam.
Op het Toepad was ter hoogte van de ongevalslocatie een maximum toegestane snelheid van 50 km/uur van toepassing.
4. Proces-verbaal van de politie digitaal voertuig onderzoek
De BMW van verdachte was uitgerust met een Airbagmodule (ACSM) die 5 geheugenplaatsen heeft voor opslag van digitale ongevalgegevens.
Analyse data initial event
• Uit de door het systeem geregistreerde snelheden bleek de snelheid van het voertuig 5
seconden, voor het ongeval, 106 km/uur te zijn en deze tot 3 seconden voor het ongeval
opliep naar een snelheid van 120 km/uur.
• Tussen de 3 seconden en 2,5 seconden voor het ongeval werd geregistreerd dat de
bestuurder zijn voet van het gaspedaal heeft gehaald
• Er in de laatste vijf seconden voor het ongeval niet door het systeem werd geregistreerd dat de bestuurder heeft geremd
• Vast kan worden gesteld dat de snelheid tussen de 114 en 115 km/uur heeft gelegen.
5. Proces-verbaal van de politie, verklaring [getuige 1]
Ik kwam met mijn auto vanaf het parkeerterrein van de hockeyclub gelegen aan de [adres 2] in Rotterdam. Ik sloeg rechtsaf de Toepad op richting Kralingse Zoom. Ik zag dat er halverwege de straat een zwarte BMW heel hard kwam aanrijden. Ik zag dat er voor de BMW nog een auto reed, een witte Hyundai. Ik zag dat de BMW op het laatste moment de auto voor hem probeerde in te halen. Ik trapte heel hard op de rem en de BMW schoot tussen mijn auto en de voorganger door. De blauwe Peugeot werd door de BMW aan de rechterzijde geraakt.
6. Proces-verbaal van de politie, verklaring [getuige 2]
De Mercedes (de rechtbank begrijpt: de BMW) reed heel hard achter mij, die dook ineens op. Ik zag de tegenligger aankomen. Ik zag dat de tegenligger afremde. De Mercedes haalde mij in. Hij schoot vlak voor de jongens, welke in de tegemoet komende auto zaten, voorlangs. Dat ging maar net goed.
Vlak nadat de Mercedes mij inhaalde zag ik de botsing met de blauwe auto. Ik hoorde een enorme klap.
Met de Mercedes bedoel ik de zwarte auto. Die haalde mij in en klapte tegen de blauwe auto.
7. Schriftelijk stuk, FARR verklaring
Schouw van [slachtoffer] . Evaluatie: 33-jarige automobiliste, 15 weken zwanger.
Aard & oorzaak overlijden:
Niet natuurlijk overlijden ten gevolge van een verkeersongeval auto vs. auto op 23 maart 2025. Massale leverbloeding is de doodsoorzaak.
Bewijsmotivering primaire feit (artikel 6 WVW)
De rechtbank stelt voorop dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte anti-dust spray had geïnhaleerd en daarvan ten tijde van het ongeval onder invloed verkeerde. Vast staat wel dat hij een kwartier voor het ongeval twee bussen van die spray heeft gekocht, en dat hij onmiddellijk na het ongeval naar nabijgelegen volkstuintjes is gerend en die bussen spray daar heeft weggegooid. Omdat in het ziekenhuis het spijtserum van verdachte is vernietigd, kan echter niet buiten redelijke twijfel worden geconstateerd dat hij heeft gereden terwijl hij onder invloed was van de spray. Hij wordt daarom van dit deel van de tenlastelegging vrijgesproken.
De feiten zoals deze uit de bewijsmiddelen volgen zijn voor het overige niet door de verdediging betwist. De verdediging heeft aangevoerd dat de mate van schuld van de verdachte gekwalificeerd moet worden als aanmerkelijke schuld, in die zin dat sprake is geweest van aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag, maar niet van roekeloos rijgedrag.
Gradatie van schuld
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het rijgedrag van de verdachte gekwalificeerd moet worden als roekeloos. Hierbij wordt vooropgesteld dat van roekeloosheid in elk geval sprake is, als sprake is van een overtreding van artikel 5a Wegenverkeerswet (hierna: WVW). Voor een bewezenverklaring van artikel 5a WVW moet beoordeeld worden of de verdachte:
( a) de verkeersregels heeft geschonden;
( b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan;
( c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan;
( d) of daardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel bij anderen te duchten was.
Op grond van de bewijsmiddelen wordt vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere van de in artikel 5a WVW (niet limitatief) genoemde gedragingen. Terwijl de verdachte een auto inhaalde en daarbij 115 km/uur reed waar 50 km/uur was toegestaan, veroorzaakte hij bijna een frontale aanrijding met een hem tegemoetkomende auto. Die aanrijding is alleen voorkomen doordat de bestuurders van de ingehaalde auto en die van het tegemoetkomende voertuig tijdig en zeer krachtig remden. Met onverminderde snelheid heeft de verdachte, opnieuw op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer, onmiddellijk daarna de fatale aanrijding veroorzaakt. Hiermee heeft de verdachte zowel de geldende maximumsnelheid in grove mate overschreden als zeer gevaarlijke (inhaal)manoeuvres gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte de verkeersregels daarmee in zeer ernstige mate heeft geschonden (zie (a) en (b) hiervoor).
Gelet op alle feiten en omstandigheden in hun onderlinge samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat de verdachte, mede gelet op zijn eigen verklaring dat hij hard wilde rijden om de auto te testen, opzettelijk (zie (c) hiervoor) in ernstige mate de verkeersregels heeft overtreden en dat hij zich door zo te handelen ver buiten de orde van het normale verkeersgedrag heeft geplaatst. De verdachte heeft in de stad, op een weg met andere verkeersdeelnemers, nabij een in- en uitrit, met 115 km/uur waar 50 km/uur was toegestaan, zeer gevaarlijk ingehaald en daarbij bijna tegemoet rijdend verkeer geraakt om vervolgens met hoge snelheid en zonder te remmen terug naar zijn eigen rijstrook te sturen en daarna, nog steeds met onverminderde snelheid, wederom op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer te gaan rijden. De verdachte heeft daarmee voor anderen en zichzelf bewust onaanvaardbare risico’s genomen. Het is naar algemene ervaringsregels voorzienbaar dat hierdoor groot gevaar voor lichamelijk letsel en zelfs levensgevaar ontstaat (zie (d) hiervoor). Dit gevaar wordt eens te meer onderstreept door het gegeven dat er daadwerkelijk een verkeersongeval heeft plaats gevonden waarbij de verdachte met zijn auto vol tegen de linkerzijde van de auto van het slachtoffer is gereden, ten gevolge waarvan zij en haar ongeboren kind zijn overleden. Gelet op het voorgaande is het rijgedrag van de verdachte roekeloos.
Conclusie
Bewezen is dat door het roekeloze rijgedrag van de verdachte een verkeersongeval is ontstaan als gevolg waarvan de bestuurster van een auto en haar ongeboren kind zijn gedood.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
primair
hij, op 23 maart 2025 te Rotterdam,
als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto met
kenteken [kentekennummer] ), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat voertuig roekeloos, te rijden op
de voor het openbaar verkeer openstaande weg, het Toepad,
welk rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte toen daar,
- met een hogere snelheid dan de aldaar toegestane maximum snelheid van 50
kilometer per uur heeft gereden (te weten ongeveer 115 km per uur), en
(vervolgens)
- niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en onvoldoende
aandacht heeft gehad voor het verkeer en de verkeerssituatie ter plaatse, en
(vervolgens)
- met een zeer hoge snelheid gevaarlijk heeft ingehaald en (vervolgens)
- al slingerend heeft gewisseld van rijstrook, en (vervolgens) op een rijbaan heeft
gereden bedoeld voor tegemoetkomend verkeer en (vervolgens)
- het door hem bestuurde voertuig onvoldoende onder controle heeft gehouden,
en (vervolgens) niet in staat is geweest zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en (vervolgens)
- tegen de bestuurderszijde (zijkant) van de voor hem, verdachte, rijdende
weggebruiker, genaamd [slachtoffer] , is gebotst,
waardoor [slachtoffer] en haar ongeboren kind werden
gedood.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
primair
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander word gedood, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straffen
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het primaire feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 5 jaar.
Standpunt van de verdediging
Een straf heeft in deze zaak geen meerwaarde. De verdachte is als jongvolwassene door dit gebeuren voor het leven getekend en is zijn rijbewijs zes maanden kwijt geweest. Mocht er toch een straf worden opgelegd dan wordt verzocht dit te doen in de vorm van een taakstraf, eventueel in combinatie met een ontzegging van de rijbevoegdheid. Tevens wordt toepassing van het jeugdstrafrecht verzocht.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft, door zich op de hiervoor onder 2.3.2 beschreven wijze te gedragen een ander en haar ongeboren kind gedood.
Het rijgedrag van de verdachte was volstrekt onverantwoord. Hij heeft enorme risico’s genomen en de veiligheid van andere verkeersdeelnemers in gevaar gebracht. De nabestaanden van het slachtoffer moeten blijvend met de consequenties leven. De verdachte heeft door zijn handelen bij hen diep en onherstelbaar leed teweeg gebracht. Ter terechtzitting is door de partner, broer en moeder van het slachtoffer op indringende wijze verwoord hoe het onverwachte verlies van hun partner, zus en dochter en haar ongeboren kind voor veel verdriet, boosheid en gemis heeft gezorgd. Met zijn rijgedrag heeft de verdachte het leven van de nabestaanden ontwricht en onomkeerbaar veranderd.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 20 mei 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Rapport van de reclassering
In het rapport van Reclassering Nederland van 27 augustus 2026 staat het volgende.
Er zijn verschillende beschermende factoren aanwezig. De verdachte is schoolgaand, beschikt over een steunend familiair netwerk en heeft vaste huisvesting. Daarnaast is hij in contact met een psycholoog, mede naar aanleiding van onderhavige zaak. Het feit dat de verdachte zich nauwelijks of niets van het incident kan herinneren maakt het moeilijk om inzicht te krijgen in de totstandkoming van het incident en eventuele risicofactoren. Om die reden kan het risico op recidive niet worden ingeschat. De verdachte valt onder het adolescentenstrafrecht. Op basis van de toetsing aan het ASR-wegingskader adviseren wij toepassing van het jeugdstrafrecht. Geconcludeerd wordt dat de verdachte nog ontvankelijk is voor pedagogische beïnvloeding. Bij een veroordeling wordt geadviseerd een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen en een rijontzegging voor bepaalde tijd.
Toepassing ASR
Door de reclassering is geadviseerd om het jeugdstrafrecht toe te passen en de verdediging heeft daar ook om verzocht. De verdachte was 18 jaar oud toen hij het strafbare feit pleegde. Uitgangspunt is in dat geval toepassing van het volwassenenstrafrecht. Redenen om hiervan af te wijken moeten gelegen zijn in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan. De rechtbank ziet in deze zaak in die elementen geen aanleiding om van het hiervoor genoemde uitgangspunt af te wijken. De verdachte zit in het tweede jaar van zijn studie aan de universiteit en nam als meerderjarige in een auto deel aan het verkeer. Op geen enkele wijze is aannemelijk geworden dat hij niet in staat was om adequate beslissingen te nemen en daarbij de consequenties van zijn handelingen te overzien. Het enkele feit dat hij nog ontvankelijk zou zijn voor pedagogische beïnvloeding maakt dat niet anders. De rechtbank past daarom het volwassenenstrafrecht toe.
Oplegging straffen
Straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Wel houdt de rechtbank in enigszins strafmatigende zin rekening met de jonge leeftijd van de verdachte. Gelet op die leeftijd zal de rechtbank namelijk niet boven de eis van de officier van justitie uit gaan. De rechtbank is alles afwegend van oordeel dat de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf van acht maanden, met daarnaast een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijf jaar passend en geboden is.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.
5. Vordering van de benadeelde partij
Vordering [benadeelde]
heeft als benadeelde partij voor het feit € 2.849,54 als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De vordering van de benadeelde partij wordt niet betwist.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 2.849,54 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf het moment zoals hieronder in het dictum vermeld.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.
Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 28 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straffen zijn gebaseerd op artikel 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
7. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Ontzegging van de rijbevoegdheid
ontzegt de verdachte voor het feit de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 5 jaar;
bepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde] te betalen een bedrag van € 2.849,54 (tweeduizend achthonderdnegenenveertig euro en vierenvijftig cent) als vergoeding van materiële schade en de wettelijke rente hierover vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde] aan de staat € 2.849,54 (tweeduizend achthonderdnegenenveertig euro en vierenvijftig cent) te betalen, en de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 28 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op:
8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. L. Feraaune, voorzitter,
en mrs. W.A.F. Damen en L. Stevens, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 28 september 2026.
De jongste rechter is niet in staat mede te ondertekenen.