ECLI:NL:RBROT:2026:12876

ECLI:NL:RBROT:2026:12876

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 02-09-2026
Datum publicatie 29-09-2026
Zaaknummer C/10/711863 / HA ZA 25-1105
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Beroepsfout accountantskantoor: geen beroep op deelnemingsvrijstelling. Geschil over schadeomvang. Dat eiseressen door de beroepsfout de kans is ontnomen om te profiteren van een mogelijke omissie van de belastingdienst levert naar het oordeel van de rechtbank geen door het accountantskantoor ter zake van de gemaakte beroepsfout te vergoeden schade op.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel & haven

Zaaknummer: C/10/711863 / HA ZA 25-1105

Vonnis van 2 september 2026

in de zaak van

1. [eiseres 1] B.V.,

te [plaats 1] ,

hierna te noemen: [eiseres 1] ,2. [eiseres 2] B.V.,

te [plaats 2] ,

hierna te noemen: [eiseres 2] ,

eisende partijen,

advocaat: mr. D. Bercx,

tegen

1. de maatschap [gedaagde 1] ,

te [plaats 3] ,2. [gedaagde 2] B.V.,

te [plaats 4] ,3. [gedaagde 3] B.V.,

te [plaats 4] ,4. de maatschap [gedaagde 4],

te [plaats 5] ,

hierna te noemen: [gedaagde 4] ,5. [gedaagde 5] B.V.,

te [plaats 5] ,6. [gedaagde 6] B.V.,

te [plaats 5] ,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: [gedaagden] ,

advocaat: mr. D. Liem.

1. De zaak in het kort

Gedaagde 4, het accountantskantoor dat eiseressen en derden heeft begeleid bij een herstructurering, heeft een beroepsfout gemaakt. Daardoor konden eiseressen geen beroep doen op de deelnemingsvrijstelling. Er zijn aan hen aanslagen Vennootschapsbelasting voor grotere bedragen opgelegd dan anders het geval zou zijn geweest. Tussen partijen bestaat een geschil over de omvang van de schade die het accountantskantoor aan eiseressen dient te vergoeden. De gestelde schade omvat in de visie van de rechtbank in materiële zin onder meer nadeel dat erin is gelegen dat als gevolg van de beroepsfout de kans verloren is gegaan dat de belastingdienst over het hoofd had kunnen zien dat sprake was van een zogenoemd lucratief belang. Als de belastingdienst dat in de situatie zonder beroepsfout over het hoofd zou hebben gezien, hadden de UBO’s van eiseressen het voordeel gehad dat het wel bestaande lucratief belang (ten onrechte) niet in de belastingheffing zou zijn betrokken. Per saldo zou dan over de door hen gerealiseerde winst met verkoop van aandelen in het bedrijf waarvoor zij werkzaam waren veel minder belasting zijn geheven dan in de werkelijke situatie met beroepsfout het geval is geweest. Dat eiseressen, althans hun UBO’s, door de beroepsfout de kans is ontnomen om te profiteren van een mogelijke omissie van de belastingdienst levert naar het oordeel van de rechtbank geen door het accountantskantoor ter zake van de gemaakte beroepsfout te vergoeden schade op. De rechtbank begroot de verschenen toerekenbare schade en wijst die toe. Ter zake van de nog niet verschenen mogelijk nog te verschijnen schade verwijst de rechtbank de zaak naar de schadestaatprocedure.

2. procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 8 december 2025;

- de akte houdende overlegging producties van [eiseres 1] en [eiseres 2] , met producties 1 t/m 17;- de conclusie van antwoord, met producties 1 t/m 16;- de brief van 5 februari 2026 van de rechtbank waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;

- de akte houdende producties van [eiseres 1] en [eiseres 2] , met producties 18 t/m 25;

- de akte overlegging producties van [gedaagden] , met productie 17;

- de mondelinge behandeling van 16 juni 2026 en de ter gelegenheid daarvan door partijen overgelegde spreekaantekeningen.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

[eiseres 1] en [eiseres 2] zijn de persoonlijke houdstervennootschappen van respectievelijk [persoon A] (hierna: “ [persoon A] ”) en [persoon B] (hierna: “ [persoon B] ”). Gedaagde sub 1 en [gedaagde 4] zijn accountantskantoren. Gedaagden sub 2 en 3 zijn de maten van gedaagde sub 1, gedaagden sub 5 en 6 zijn de maten van [gedaagde 4] .

[gedaagde 4] heeft in 2015 een herstructurering begeleid van de groep vennootschappen waarvan [persoon C] (hierna: [persoon C] ) eigenaar was. Onderdeel van het door [gedaagde 4] geadviseerde stappenplan was dat [eiseres 1] en [eiseres 2] ieder € 20.000,00 zouden inbrengen ter verkrijging van 25% van de gewone aandelen in [bedrijf 1] B.V. Daarnaast zou [bedrijf 2] B.V. (hierna: ‘ [bedrijf 2] B.V.”) € 40.000,00 storten in ruil voor 50% gewone aandelen, waardoor in totaal € 80.000,00 zou worden gestort voor gewone aandelen.

[bedrijf 2] B.V. zou ook 100% uit te geven cumulatief preferente aandelen verkrijgen ter waarde van € 20.000,00. Die cumulatief preferente aandelen zouden ertoe leiden dat 4% van de jaarlijkse winst is bestemd voor [bedrijf 2] B.V., voordat zou worden toegekomen aan overige winstdeling op de gewone aandelen. De gewone aandelen van [eiseres 1] en [eiseres 2] zouden dus pas rendement genereren bij een winstpercentage hoger dan 4.

In het stappenplan van [gedaagde 4] is verder ook vermeld dat het nominaal aandelenbelang van [eiseres 1] en [eiseres 2] meer dan 5% moet zijn in verband met de deelnemingsvrijstelling. Aan die eis werd met dit advies voldaan omdat het totale aandelenkapitaal € 100.000,00 zou bedragen en [eiseres 1] en [eiseres 2] ieder meer dan 5% daarvan zouden inbrengen.

[gedaagde 4] heeft dit advies voorgelegd aan de belastingdienst met de vraag te bevestigen dat geen sprake is van lucratief belang in de zin van de Wet Inkomstenbelasting en dat door de omzetting geen goodwill en/of stille reserves naar de opvolgers verschuiven. Zij heeft daarbij onder meer gewezen op de financiële risico’s voor [eiseres 1] en [eiseres 2] door de stortingen van € 20.000,00 voor gewone aandelen en op het dividendpercentage van 4 op de cumulatief preferente aandelen. De belastingdienst heeft vervolgens bevestigd dat de conclusies van [gedaagde 4] juist zijn.

Toen [gedaagde 4] in september 2015 uitvoering wilde geven aan haar advies, bleek dat [persoon A] en [persoon B] het bedrag van € 20.000,00 te hoog vonden om te storten als aandelenkapitaal. Hierop heeft [gedaagde 4] de inbreng gewijzigd in die zin dat het totale gewone aandelenkapitaal is verlaagd van € 80.000,00 naar € 40.000,00 en dat [eiseres 1] en [eiseres 2] daarvan ieder € 10.000,00 zouden storten. Onder deze aangepaste omstandigheden werd nog steeds voldaan aan het vereiste om meer dan 5% kapitaal in te brengen in verband met de deelnemingsvrijstelling.

In de ontwerpaktes over de uitgifte van de cumulatief preferente aandelen is de notaris echter op verzoek van [persoon A] en [persoon B] uitgegaan van een te storten bedrag van € 250,00 voor [eiseres 1] en [eiseres 2] in plaats van € 10.000,00. Omdat de cumulatief preferente aandelen een waarde vertegenwoordigden van € 20.000,00 en het gewone aandelenkapitaal in totaal (slechts) € 1.000,00 (€ 250,00 in te brengen door [eiseres 1] , € 250,00 door [eiseres 2] en € 500,00 door [bedrijf 2] B.V.), hadden [eiseres 1] en [eiseres 2] ieder nog maar (afgerond) 1% van het totale aandelenpakket. Daardoor voldeden zij niet aan de eisen voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling. [gedaagde 4] heeft bij e-mail van 20 oktober 2015 aan de notaris akkoord gegeven op de ontwerpaktes.

Om de financiële positie van [bedrijf 1] B.V. te verbeteren hebben [bedrijf 2] B.V., [eiseres 1] en [eiseres 2] op 23 november 2020 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarin is onder meer bepaald dat een huurovereenkomst uit 2015 tussen [bedrijf 2] B.V. als verhuurster en [bedrijf 3] B.V. als huurster met terugwerkende kracht per 1 januari 2020 zou worden vervangen door een andere huurovereenkomst. De huurprijs die [bedrijf 2] B.V. in rekening bracht werd op basis daarvan tot en met 31 december 2024 verlaagd van € 600.000 naar € 200.000 per jaar. [bedrijf 3] B.V. is een dochtervennootschap van [bedrijf 1] B.V. Ook werd in de vaststellingsovereenkomst opgenomen dat [bedrijf 2] B.V. in feite afstand deed van haar tot 31 december 2019 opgebouwde cumulatief preferent dividend ten bedrage van € 524.070,00.

Deze vaststellingsovereenkomst vormde de aanleiding voor onderstaand bericht van [gedaagde 4] aan [eiseres 1] en [eiseres 2] :

[…]

Afsluitend willen wij het volgende kenbaar maken:

Uitsluiting aansprakelijk [gedaagde 4]

De documenten zijn opgesteld om een compromis te bereiken inzake de tussen u allen ontstane impasse. Civielrechtelijk gezien bent u vrij om onderling af te spreken wat u wilt, zolang dit niet in strijd is met wet- en regelgeving. De onderhavige documenten zijn dan ook civielrechtelijk opgesteld en hebben tot doel de bedoelingen van u als partijen weer te geven. De inhoud van deze documenten kunnen fiscale gevolgen hebben. Deze risico’s zijn met u besproken en u heeft aangegeven deze risico’s voor uw rekening te nemen en te accepteren. Wij benadrukken dat wij geen enkele aansprakelijkheid aanvaarden ten aanzien van de (fiscale) gevolgen van de opgestelde documenten, noch dat wij aansprakelijk zijn voor de keuzes of beslissingen die door u gemaakt worden naar aanleiding van de overeenkomsten. Wij vrijwaren ons nadrukkelijk ten aanzien van alle claims die herleid zouden kunnen worden naar de opgestelde documenten.

[eiseres 1] en [eiseres 2] hebben in 2022/2023 hun aandelen in [bedrijf 1] B.V. verkocht. De verkoopwinst bedroeg ruim € 800.000 voor zowel [eiseres 1] als [eiseres 2] .

In november 2024 ontvingen [eiseres 1] en [eiseres 2] een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting over 2023. Volgens deze voorlopige aanslagen zouden zij over 2023 een bedrag van € 7.204,00 respectievelijk € 4.120,00 aan vennootschapsbelasting terugkrijgen.

In 2025 heeft de belastingdienst gesignaleerd dat de verkoopwinst belast had moeten zijn omdat de deelnemingsvrijstelling ten onrechte is toegepast. In afwijking van de voorlopige aanslag is in mei en juni 2025 aan [eiseres 1] en [eiseres 2] een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd over het belastingjaar 2023 ten bedrage van € 243.094,00 respectievelijk € 228.965,00.

4. Het geschil

[eiseres 1] en [eiseres 2] vorderen – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

een verklaring voor recht dat [gedaagden] jegens hen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die zij hebben geleden en nog zullen lijden als gevolg van een door [gedaagden] gemaakte beroepsfout, inhoudende dat [gedaagden] bij hun advisering in 2015 en/of in 2023 er niet voor zorg hebben gedragen dat [eiseres 1] en [eiseres 2] een beroep zou toekomen op de zogenoemde deelnemingsvrijstelling;

een hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 250.928,00 aan [eiseres 1] , te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding en te vermeerderen met de over de hoofdsom verschuldigde vennootschapsbelasting, althans nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

een hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 233.085,00 aan [eiseres 2] , te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding en te vermeerderen met de over de hoofdsom verschuldigde vennootschapsbelasting, althans nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

een hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot vergoeding van de schade aan [eiseres 1] en [eiseres 2] , die zij hebben geleden en nog zullen lijden als gevolg van de onder 1. genoemde beroepsfout, voor zover die schade niet onder 2. en 3. is genoemd, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag waarop de schade is geleden;

een hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] in de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.

[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres 1] en [eiseres 2] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres 1] en [eiseres 2] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

Beroepsfout

Het vertrekpunt in deze zaak is de erkende beroepsfout van [gedaagde 4] . [gedaagde 4] had de opdracht om de herstructurering zo in te richten dat [eiseres 1] en [eiseres 2] een beroep zouden kunnen doen op de deelnemingsvrijstelling. In de uitvoering van die opdracht heeft zij een fout gemaakt, ofwel doordat zij zich niet bewust is geweest van de (aanzienlijke) verlaging van de door [eiseres 1] en [eiseres 2] in te brengen bedragen in de door de notaris toegezonden ontwerpaktes, ofwel doordat zij over het hoofd heeft gezien dat het cumulatief preferente aandelenkapitaal meetelt bij het bepalen van het aandelenpercentage voor het beroep op de deelnemingsvrijstelling. Hoe dan ook: [gedaagde 4] had moeten bewerkstelligen dat [eiseres 1] en [eiseres 2] een aandelenbelang van minimaal 5% zouden hebben zodat zij gebruik zouden kunnen maken van de deelnemingsvrijstelling, en daarop heeft zij onvoldoende toegezien. In die zin is [gedaagde 4] tekortgeschoten in de advisering ten aanzien van [eiseres 1] en [eiseres 2] . Dat brengt mee dat [gedaagde 4] in beginsel aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan door [eiseres 1] en [eiseres 2] geleden schade. Ook de maten van [gedaagde 4] zijn daarmee hoofdelijk aansprakelijk. Dat is tussen partijen niet in geschil.

[eiseres 1] en [eiseres 2] hebben geen rechtsgrond gesteld op grond waarvan ook [gedaagde 1] (gedaagde sub 1) en haar maten (gedaagden sub 2 en 3) aansprakelijk zouden zijn. De vorderingen tegen die gedaagden zullen dan ook worden afgewezen.

Centraal staat vervolgens de vraag wat de omvang is van de toerekenbare schade in verband met de fout van [gedaagde 4] . [gedaagde 4] betwist dat de door [eiseres 1] en [eiseres 2] gestelde schade tot die omvang aan haar en haar maten kan worden toegerekend. Daarnaast doet zij een beroep op eigen schuld.

Geen eigen schuld

Om met het beroep op eigen schuld te beginnen: dat verweer slaagt niet. [gedaagde 4] heeft in dat kader aangevoerd dat [persoon A] in het verleden jarenlang werkzaam is geweest als accountant, veel (fiscale) kennis van zaken heeft en dus zelf had kunnen signaleren dat niet werd voldaan aan de 5%-grens voor de deelnemingsvrijstelling. Naar het oordeel van de rechtbank brengt dat echter niet mee dat een deel van de schade moet worden toegerekend aan [eiseres 1] en [eiseres 2] . Daarbij weegt de rechtbank mee dat een accountant niet per definitie de fiscale kennis van een belastingadviseur kan worden toegedicht en dat [eiseres 1] en [eiseres 2] juist ook voor wat betreft de fiscale aspecten van de herstructurering [gedaagde 4] hadden ingeschakeld. [gedaagde 4] was op dat gebied de professionele partij; [eiseres 1] en [eiseres 2] mochten in beginsel vertrouwen op de fiscale expertise van [gedaagde 4] . De ervaring van [persoon A] als accountant brengt dus niet mee dat aan [eiseres 1] en [eiseres 2] kan worden toegerekend dat zij er zelf (ook) niet op bedacht zijn geweest dat bij de uiteindelijk gekozen structuur geen beroep zou kunnen worden gedaan op de deelnemingsvrijstelling en evenmin dat het om die reden gerechtvaardigd is om de schadevergoedingsplicht van [gedaagde 4] en haar maten ten opzichte van [eiseres 1] en [eiseres 2] te verminderen.

Schadetoerekening en begroting

Het andere verweer van [gedaagde 4] slaagt wel. De rechtbank licht dat als volgt toe. Bij de begroting van de aan [gedaagde 4] en haar maten toerekenbare schade als gevolg van de gemaakte beroepsfout moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds de werkelijke situatie waarin de beroepsfout is gemaakt en anderzijds de hypothetische situatie waarin de beroepsfout niet zou zijn gemaakt.

Over de werkelijke situatie kan de rechtbank kort zijn: daarin is van belang dat [eiseres 1] en [eiseres 2] geen beroep kunnen doen op de deelnemingsvrijstelling en dat met de aanslagen vennootschapsbelasting uit 2025 over het belastingjaar 2023 de voorlopige aanslagen op dat punt werden gecorrigeerd.

In de hypothetische situatie zonder beroepsfout hadden [eiseres 1] en [eiseres 2] in beginsel wel een beroep kunnen doen op de deelnemingsvrijstelling. De aanslagen die de belastingdienst in 2025 heeft opgelegd aan [eiseres 1] en [eiseres 2] zouden dan niet zijn opgelegd. Volgens [eiseres 1] en [eiseres 2] moet in plaats daarvan worden uitgegaan van de voorlopige aanslagen van november 2024. Het verschil tussen die aanslagen resulteert in de bedragen die zij hebben genoemd in hun vorderingen onder 2 en 3.

[gedaagde 4] heeft er naar het oordeel van de rechtbank echter terecht op gewezen dat er door de in de vaststellingsovereenkomst vastgelegde afspraken van 2020 een belangrijke wijziging in de fiscale structuur heeft plaatsgevonden. Deze wijziging zou zich ook in de hypothetische situatie zonder beroepsfout hebben voorgedaan en staat geheel los van de beroepsfout.

Met die wijziging, zoals verkort weergegeven onder 2.8, is de positie van [eiseres 1] en [eiseres 2] als aandeelhouders van [bedrijf 1] B.V. in financiële zin sterk verbeterd ten opzichte van de positie van [bedrijf 2] B.V., de andere aandeelhouder. De fiscale structuur week daardoor sterk af van de in 2015 vooraf aan de belastingdienst ter goedkeuring voorgelegde plannen inzake de herstructurering. De betrokkenen aan de zijde van [eiseres 1] en [eiseres 2] hebben ervoor gekozen om ter zake van de in hun voordeel gemaakte afspraken in 2020 geen contact met de belastingdienst op te (laten) nemen. De afspraken waarover afstemming met de belastingdienst had plaatsgevonden zijn aldus zonder overleg ingrijpend gewijzigd.

Een door de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van [gedaagde 4] ingeschakelde schadedeskundige, [deskundige gedaagden] , heeft in zijn schadememorandum op dit punt het volgende geschreven:

[…] De wijziging van de afspraken komt er simpel gezegd op neer, dat [bedrijf 2] B.V. voor een belangrijk deel van haar overeengekomen opbrengsten afziet en deze doet toekomen aan de persoonlijke vennootschappen van de heren [persoon A] en [persoon B] . Men behoeft geen fiscale scholing te bezitten om te beseffen dat deze wijzigingen een vorm van beloning bevatten en indruisen tegen de fiscale regels rond de overdracht van een onderneming op basis van een cumulatieve preferente structuur. Evenzo kan worden verklaard over de jaarlijkse huurverlaging met € 400.000, oftewel 2/3 deel van de tot dan toe gebruikelijke huursom. Er dient zeer te worden betwijfeld of de gewijzigde huur wel “at arms length” is. […]

De belastingdienst zal in de regel bij een wijziging in de afspraken van deze omvang het gehele aandelenbezit van de sleutelfunctionarissen als lucratief belang bestempelen, hetgeen inhoudt dat de opbrengst van het aandelenpakket in ieder geval privé als loon/bonus wordt belast tegen het inkomstenbelastingtarief. […]

Conclusie

Op basis van voorgaande berekeningen resteert er een verkoopopbrengst voor het 25% aandelenpakket van de toetreders van € 40.000 (€ 870.000 - € 830.000). Zoals aangegeven is er een bedrag van € 250 voor dit aandelenpakket betaald door de toetreders. Door het ontbreken van de deelnemingsvrijstelling moet er over dit bedrag van € 40.000 een bedrag van 19% ofwel € 7.600 aan vennootschapsbelasting worden betaald (geen rekening gehouden met verkoopkosten). Dit bedrag is mijns inziens dan ook als schade voortvloeiend uit de beroepsfout te kwalificeren. […]

[eiseres 1] en [eiseres 2] hebben een eigen deskundige, [deskundige eiseressen] , ingeschakeld. Die heeft in zijn reactie op het schadememorandum van [deskundige gedaagden] onder meer het volgende geschreven:

Conclusie

In Nederland wordt slechts belasting geheven op grond van een wettelijke regeling. De uitvoering van die wet is neergelegd bij de Belastingdienst. Die bepaalt op basis van die wet wat wel en niet in de belastingheffing wordt betrokken. In de onderhavige zaak heeft de Belastingdienst aan de persoonlijke holding van elk van de sleutelfunctionarissen een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd van ruim € 200.000 omdat de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is. Het is de sleutelfunctionarissen gebleken dat de Belastingdienst het dossier tot in de puntjes heeft bestudeerd, kennelijk tot de conclusie is gekomen dat er zakelijk is gehandeld en er geen sprake is van een te belasten lucratief belang of een “fiscaal tikkende tijdbom”. Een navorderingsaanslag was in deze redelijkerwijs niet te verwachten en is inmiddels realistischer wijs al helemaal niet meer te verwachten. Bovendien zijn de in dit dossier gemaakte afspraken tussen partijen zakelijk geweest, zijn ze vastgelegd in een nota bene door [gedaagde 4] opgestelde vaststellingsovereenkomst en de verkoop van de onderneming is ook nog eens begeleid door [gedaagde 4] . Vast staat dat de persoonlijke houdsters van de beide sleutelfunctionarissen schade hebben geleden door de onjuiste implementatie van de herstructurering door [gedaagde 4] .

De rechtbank acht het fiscale belang van de gewijzigde afspraken evident. Het schadememorandum van [deskundige gedaagden] vermeldt dat de belastingdienst bij een juiste en volledige voorstelling van zaken, wetende van de in 2020 gewijzigde afspraken, het aandelenbelang van [eiseres 1] en [eiseres 2] hoogstwaarschijnlijk als lucratief belang tegen inkomstenbelastingtarief zou hebben belast. [eiseres 1] en [eiseres 2] hebben dat onvoldoende gemotiveerd weersproken. De visie van [deskundige eiseressen] dat de sleutelfunctionarissen is gebleken dat de belastingdienst het dossier tot in de puntjes heeft bestudeerd, kennelijk tot de conclusie is gekomen dat er zakelijk is gehandeld en dat er geen sprake is van een te belasten lucratief belang of een persoonlijke bevoordeling, mist een deugdelijke onderbouwing. De belastingdienst is immers niet door of namens die sleutelfunctionarissen geïnformeerd over de gewijzigde afspraken. Voor de belastingdienst bestond er in de werkelijke situatie bovendien geen aanleiding om de door de aandeelhouders behaalde voordelen op hun investering aan een nader kritisch onderzoek te onderwerpen. Er werd al een substantieel bedrag aan belasting over dat voordeel geheven doordat de belastingdienst terecht constateerde dat geen beroep op de deelnemingsvrijstelling kon worden gedaan. In de hypothetische situatie zonder beroepsfout was de kans echter groot geweest dat de belastingdienst bij de verkoop van de aandelen in 2023 een lucratief belang zou hebben gesignaleerd. Die verkoop vormde een separaat beoordelingsmoment en de belastingdienst zou dan waarschijnlijk verder hebben gekeken dan naar het in de werkelijke situatie te corrigeren onterechte beroep op de deelnemingsvrijstelling.

Er zou in de hypothetische situatie echter ook een kans hebben bestaan dat de belastingdienst het lucratief belang niet zou hebben gesignaleerd. Mogelijk is door de betrokkenen aan de zijde van [eiseres 1] en [eiseres 2] gehoopt dat de met de vaststellingsovereenkomst gecreëerde fiscale wijziging voor hen in de praktijk geen negatieve fiscale gevolgen zou hebben omdat dit wellicht aan de aandacht van de belastingdienst zou ontsnappen. De rechtbank neemt aan dat dit voor hen de reden is geweest om – anders dan ten tijde van de herstructurering in 2015 – in 2020 hun adviseur niet in overleg te laten treden met de belastingdienst, maar om ervoor te kiezen het risico te nemen. Aan de zijde van [eiseres 1] en [eiseres 2] is in die zin mogelijk “schade” geleden omdat als gevolg van de beroepsfout van [gedaagde 4] de in de hypothetische situatie voor hen gunstige kans op een eventuele omissie aan de zijde van de belastingdienst verloren is gegaan. Dat rechtvaardigt echter niet om in praktische zin het daarmee gemoeide financiële belang als door de beroepsfout veroorzaakte schade aan [gedaagde 4] toe te rekenen. De beroepsfout van [gedaagde 4] heeft (vooralsnog) niet tot gevolg gehad dat er veel meer belasting aan de zijde van [eiseres 1] en [eiseres 2] (inclusief hun UBO’s [persoon A] en [persoon B] ) is geheven dan op basis van de fiscale regelgeving materieel bezien gerechtvaardigd kan worden geacht.

Op de door [deskundige gedaagden] in zijn schadememorandum getrokken conclusie over de omvang van de (wel) toerekenbare schade zijn [eiseres 1] en [eiseres 2] niet specifiek ingegaan. In hun visie is voor elk van hen het verschil tussen de voorlopige aanslag (2024) en de gecorrigeerde aanslag (2025) vennootschapsbelasting aan te merken als aan [gedaagde 4] en haar maten toerekenbare schade. Die visie acht de rechtbank op grond van het voorgaande onjuist. De rechtbank volgt voor wat betreft de omvang van de aan [gedaagde 4] en haar maten toerekenbare schade de conclusie van het schadememorandum van [deskundige gedaagden] . Dat betekent voor [eiseres 1] en [eiseres 2] een aan [gedaagde 4] en haar maten toerekenbaar schadebedrag van € 7.600 in hoofdsom. De gevorderde vermeerdering met wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding zal als onbetwist en op de wet gegrond worden toegewezen over dit bedrag.

Vorderingen onder 1 en 4

Gelet op de toewijzing van de tot schadevergoeding strekkende vorderingen, hebben [eiseres 1] en [eiseres 2] geen belang bij een aparte verklaring voor recht. De vordering onder 1 zal dus worden afgewezen.

[eiseres 1] en [eiseres 2] hebben als vierde vordering een verwijzing naar de schadestaatprocedure gevorderd ter zake van de schade voor zover die niet onder vorderingen 2 en 3 is genoemd. Voor zover ter zake van het geen beroep op de deelnemingsvrijstelling kunnen doen nog aanslagen zouden worden opgelegd, zou van dergelijke schade sprake kunnen zijn. Daarom zal die vordering worden toegewezen. Uiteraard zal in een eventuele schadestaatprocedure dienen te worden beoordeeld of en in hoeverre gestelde schade is toe te rekenen aan [gedaagde 4] en haar maten.

Buitengerechtelijke kosten

[eiseres 1] en [eiseres 2] vorderen vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten (hierna: het Besluit). De hoofdvordering valt echter niet onder het toepassingsbereik van het Besluit. Bovendien stellen [eiseres 1] en [eiseres 2] in het lichaam van hun dagvaarding wel dat hun advocaat buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht, maar noemen zij in het petitum van de dagvaarding geen bedrag aan buitengerechtelijke kosten. Daar komt bij dat de omvang van de toewijsbare schade (vooralsnog) veel beperkter is dan door [eiseres 1] en [eiseres 2] gesteld. Dit deel van de vordering wordt dan ook afgewezen.

Proceskosten

Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Hoofdelijkheid

De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.

6. De beslissing

De rechtbank

veroordeelt [gedaagde 4] en haar maten, [gedaagde 5] B.V. en [gedaagde 6] B.V., hoofdelijk om aan zowel [eiseres 1] als [eiseres 2] te betalen een schadevergoeding van € 7.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 8 december 2025 tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde 4] en haar maten, [gedaagde 5] B.V. en [gedaagde 6] B.V., hoofdelijk om aan zowel [eiseres 1] als [eiseres 2] te vergoeden de schade die zij hebben geleden en nog zullen lijden als gevolg van de beroepsfout van [gedaagde 4] , inhoudende dat [gedaagde 4] bij haar advisering in 2015 er niet voor zorg heeft gedragen dat [eiseres 1] en [eiseres 2] een beroep zou toekomen op de zogenoemde deelnemingsvrijstelling, voor zover die schade niet onder 4.1 onder 2. en 3. is gevorderd, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag waarop de schade wordt geleden,

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.

[3533 / 1729]

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C. Bouwman. Het is ondertekend door de rol

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand