ECLI:NL:RBROT:2026:12879

ECLI:NL:RBROT:2026:12879

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 22-09-2026
Datum publicatie 29-09-2026
Zaaknummer 10-017503-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

de verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een gewapende woningoverval en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Aan de verdachte wordt een gevangenisstraf van 3 jaar opgelegd, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-017503-26

Datum uitspraak: 22 september 2026

Datum zitting: 8 september 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum 1] 2002 in [geboorteland],

zonder vaste woon- of verblijfplaats.

Advocaat van de verdachte: mr. A.F.M. den Hollander

Officier van justitie: mr. F.J. van der Putte

Benadeelde partijen: [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2], [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4]Advocaat van de benadeelde partijen: mr. S. van der Eijk

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – op 26 september 2025, met een ander, een woningoverval heeft gepleegd en daarbij meerdere personen wederrechtelijk van hun vrijheid heeft beroofd.

De volledige tenlastelegging houdt in dat:

1. hij op 26 september 2025 te Maassluis in een woning gelegen aan de [adres], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een geldbedrag van 150 EUR, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een vals kostuum, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:

2.hij op 26 september 2025 te Maassluis, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door: gekleed in een DHL-jas naar de woning (gelegen aan de [adres]) van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te gaan,

2. Bewijs

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor beide feiten.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit.

Oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring

Bewezen is dat:

1. hij op 26 september 2025 te Maassluis in een woning gelegen aan de [adres], tezamen en in vereniging met een ander een geldbedrag van 150 EUR dat aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van een vals kostuum, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:

2.hij op 26 september 2025 te Maassluis, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door:

Bewijsmiddelen en bewijsoverweging

De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsoverweging.

1. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 2]

Op 26 september 2025 in Maassluis deed ik de deur open en zag ik een man met een DHL-jas staan. Hij kwam binnen en direct pakte hij mij bij de keel en duwde hij mij achteruit tegen de trap aan. Ik kreeg daarna een pistool tegen mijn gezicht. Toen ik op de trap lag, zag ik dat man 2 direct achter hem aan de woonkamer in rende. Man 2 was een Antilliaanse man met een gezet postuur, hij was rustig en droeg een groen trainingspak. We moesten op de bank gaan zitten. Ik zag dat ze bij mijn vriend een tape over de mond hadden gedaan. Ik zag dat hij op de grond werd geduwd. Ze hebben 150 euro uit de portemonnee van mijn vriend meegenomen.

2. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 1]

Op 26 september 2025 was ik in mijn woning op de [adres] samen met mijn vriendin [slachtoffer 2]. Ik hoorde dat [slachtoffer 2] de voordeur opende. Ik zag dat een man in een DHL-jas [slachtoffer 2] op de trap duwde. Ik zag dat deze man een pistool op haar slaap had gericht. Er was nog een man. Ik zal de man in de DHL-jas dader 1 noemen. Ik zal de andere man dader 2 noemen. Dader 2 kwam direct op mij af. Er ontstond een worsteling en ik werd op de grond geduwd. Dader 2 wilde ducttape over mijn mond doen. Ik zag dat dader l het vuurwapen op mij richtte. Dader 2 pakte het geld uit mijn portemonnee. Dat was 150 euro. Ik zag dat dader l en dader 2 weggingen.

3. Proces-verbaal van de politie, verklaring [medeverdachte]

Op 26 september 2025 was ik in Maassluis. Ik droeg een DHL-jas en kreeg een vuurwapen in mijn handen geduwd. Ik pakte de doos vast en liep richting het huis. Ik drukte op de bel. Een mevrouw deed open. Die tweede jongen had de mevrouw naar binnen geduwd en toen stapte ik ook naar binnen. Toen ik me omdraaide, zat [slachtoffer 2] op de trap. Ik had mijn hand in mijn zak om het vuurwapen eruit te halen en stuurde mevrouw naar de huiskamer. Ik zag een Hindoestaanse man in de huiskamer, die stond op en toen zei ik tegen hem ‘Ga zitten op de bank’ en toen ging de heer zitten op de bank. Ik heb de jongen met wie ik was die ochtend ontmoet bij station Rotterdam Zuid. Ik herken hem als de jongen met het grijze trainingspak op de aan mij getoonde foto’s van ons op het station. Hij wist wel dat we op dezelfde klus waren.

4. Proces-verbaal van de politie

Naar aanleiding van de woningoverval op het adres de [adres] op 26 september 2025 werd onderzoek ingesteld. Van een onbekende verdachte waren camerabeelden beschikbaar van Station Rotterdam Zuid. Verbalisant herkent deze persoon op de beelden van Station Rotterdam als zijnde [verdachte] aan zijn SKDB foto.

Bewijsoverweging

Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een persoonsverwisseling en ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van de [medeverdachte] die naar de verdachte wijst als de persoon met wie hij de woningoverval heeft gepleegd. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat [medeverdachte] bij de politie niet uitsluitend over de betrokkenheid van de verdachte bij de woningoverval heeft verklaard, maar ook over zijn eigen betrokkenheid, hetgeen de betrouwbaarheid van zijn verklaring vergroot. De verklaring van [medeverdachte] dat de verdachte de tweede dader is, vindt daarnaast steun in de overige onderzoeksbevindingen. Zo heeft [aangever] de verdachte op de zitting herkend als de tweede dader van de woningoverval. Ook de rechtbank ziet dat de verdachte past in het door de aangevers gegeven signalement van de tweede dader en dat de verdachte sterke gelijkenissen vertoont met de tweede dader op de (opgewaardeerde) camerabeelden van de deurbel van de aangevers van direct na de woningoverval. De verdediging heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat en waarom [medeverdachte] niet de waarheid zou spreken en de verdachte heeft leugenachtig verklaard over zijn relatie met [medeverdachte]. De verdachte heeft verklaard dat hij [medeverdachte] niet zou kennen, terwijl uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op de ochtend van de woningoverval samen met [medeverdachte] op station Rotterdam Zuid was. Daarnaast heeft [medeverdachte] de avond voor de woningoverval een bericht naar zijn vriendin gestuurd dat hij bij [naam 1] was, wat de voornaam van de verdachte is. De vriendin van [medeverdachte] had bovendien twee contacten opgeslagen in haar telefoon onder de namen “[naam 2]” en “[naam 3]”, wat de bijnaam van de verdachte is. Nadat [medeverdachte] werd aangehouden door de politie heeft de vriendin van [medeverdachte] naar deze nummers gebeld. Al met al acht de rechtbank de verklaring van [medeverdachte] betrouwbaar en zal de rechtbank deze verklaring daarom voor het bewijs gebruiken.

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1:

diefstal, voorafgegaan/vergezeld/gevolgd van geweld/bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een vals kostuum;

Feit 2:

opzettelijk iemand van de vrijheid beroven/beroofd houden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4. Straf

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor beide feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering alsmede een locatieverbod voor de [locatie] en een contactverbod met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1].

Standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank om bij een veroordeling rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn jonge leeftijd en zijn bereidheid om mee te werken aan het reclasseringstoezicht en zich te houden aan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft samen met zijn medeverdachte een brute woningoverval gepleegd. De medeverdachte belde als pakketbezorger bij de woning aan, waarna één van de slachtoffers nietsvermoedend de deur opendeed. De verdachte en de medeverdachten stormden naar binnen en hebben de slachtoffers bedreigd met een vuurwapen en geweld gebruikt tegen één van hen. Hier waren twee minderjarige kinderen bij aanwezig. Het gehele gezin werd onder dreiging van het vuurwapen gedwongen om op de bank te blijven zitten en kon geen kant op. De verdachte en de medeverdachte hebben hierbij 150 euro uit de woning meegenomen.

Het gaat om zeer ernstige feiten. De verdachte heeft met zijn intimiderende en gewelddadige handelwijze tijdens deze woningoverval ernstig inbreuk gemaakt op zowel de lichamelijke als de geestelijke integriteit van het gezin alsmede hun bewegingsvrijheid. Uit de spreekrechtverklaringen ter zitting is gebleken dat dit alles een grote impact heeft (gehad) op het gezin. Daarnaast behoort een woningoverval tot de categorie strafbare feiten die een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde en die in de samenleving gevoelens van onveiligheid en onrust veroorzaken. De rechtbank rekent het de verdachte ernstig aan dat hij met zijn handelen kennelijk enkel heeft gedacht aan eigen financieel gewin, zonder rekening te houden met de bovengenoemde gevolgen.

Strafblad

Uit het strafblad van 24 april 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.

Reclasseringsadvies

Uit het reclasseringsadvies van 3 maart 2026 blijkt dat de verdachte kampt met schulden, al is de hoogte onduidelijk gebleven. Beschermende factoren zijn de steun van zijn vriendin, het hebben van een zelfstandige woning en het volgen van een opleiding. De reclassering adviseert om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, deelnemen aan een CoVa training, zich inzetten voor het hebben en behouden van een dagbesteding en meewerken aan het aflossen van schulden.

Oplegging straf

Gelet op de ernst van de strafbare feiten is het opleggen van een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een andere strafsoort acht de rechtbank niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Al met al wordt een gevangenisstraf van drie jaar opgelegd waarvan één jaar voorwaardelijk met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en met een proeftijd van twee jaar. Met het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf beoogt de rechtbank tevens te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw strafbare feiten pleegt.

Het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf is hoger dan de tijd die de verdachte voor zijn schorsing reeds heeft doorgebracht in voorarrest. Hoewel de rechtbank heeft gezien dat de schorsing van de verdachte positief is verlopen, maakt de ernst van het feit dat niet kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest.

De rechtbank ziet geen noodzaak tot het opleggen van een contactverbod en/of locatieverbod.

De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

5. Vorderingen benadeelde partijen

Vorderingen

[benadeelde partij 1]

heeft als benadeelde partij voor beide feiten € 385,- als vergoeding voor materiële schade en € 10.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.

[benadeelde partij 2]

heeft als benadeelde partij voor beide feiten € 1.485,49 als vergoeding voor materiële schade en € 12.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.

[benadeelde partij 3]

Namens de minderjarige [benadeelde partij 3] is voor beide feiten € 9.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade. Tevens is verzocht om het toe te wijzen schadebedrag over te maken naar een BEM-rekening.

[benadeelde partij 4]

Namens de minderjarige [benadeelde partij 4] is voor beide feiten € 8.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade. Tevens is verzocht om het toe te wijzen schadebedrag over te maken naar een BEM-rekening.

Standpunt van de verdediging

De heer [benadeelde partij 2] dient in zijn vordering tot vergoeding van materiële schade niet-ontvankelijk te worden verklaard. De gevorderde immateriële schade door [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] dient te worden gematigd tot hoogstens een bedrag van € 5.000,- per vordering; de vorderingen dienen voor het overige deel niet-ontvankelijk te worden verklaard. [benadeelde partij 4] dient in zijn vordering tot vergoeding van immateriële schade in zijn geheel niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] rechtstreeks materiële schade hebben geleden als gevolg van de gepleegde strafbare feiten.

De verdediging heeft de vordering van [benadeelde partij 1] niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 385,- als vergoeding van materiële schade aan de [benadeelde partij 1] moet betalen.

Ook de gehele vordering van [benadeelde partij 2] aan materiële schade wordt toegewezen, omdat deze voldoende is onderbouwd en de verdediging de vordering met onvoldoende argumenten heeft weersproken. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde kosten voor een nieuw alarmsysteem, de bijbehorende abonnementskosten (gedurende zes maanden) en de hotelovernachtingen direct na de overval in voldoende rechtstreeks verband staan met de bewezen strafbare feiten en voor vergoeding in aanmerking komen. Dit betekent dat de verdachte € 1.485,49 als vergoeding van materiële schade aan de [benadeelde partij 2] moet betalen.

Immateriële schade

De vier benadeelde partijen hebben als gevolg van de strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade geleden. Uit de onderbouwingen van de vorderingen blijkt dat het gehele gezin als gevolg van de gewapende overval in meer of mindere mate kampt met psychische klachten. De aard en de ernst van de normschending zijn van zodanig gewicht, en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij liggen zo voor de hand, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

De immateriële schade van de twee minderjarige kinderen, [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] wordt naar billijkheid begroot op € 7.000,-. Bij de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] is naar aanleiding van de gewapende overval PTSS geconstateerd. Beiden zijn hiervoor behandeld. Gelet hierop wordt de immateriële schade van ieder van hen naar billijkheid begroot op € 8.000,-.

Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vorderingen worden tot deze bedragen toegewezen. De benadeelde partijen worden in het resterende deel van de vorderingen niet-ontvankelijk verklaard.

Dit betekent dat de verdachte aan de benadeelde partijen [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] ieder € 7.000,- en aan [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] ieder € 8.000,- moet betalen als vergoeding voor immateriële schade.

BEM-clausule

De rechtbank zal bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoedingen zullen worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partijen [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] te openen rekeningen met een zogenoemde BEM (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen)-clausule. Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarigen en hun wettelijke vertegenwoordiger kunnen aldus slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen van de minderjarigen beschikken tot zij achttien jaar zijn.

Hoofdelijke veroordeling

De verdachte heeft de strafbare feiten waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader gepleegd. Zij zijn daarom hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededader de schadevergoeding (voor een deel) heeft betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben gevorderd de schadevergoedingen te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 26 september 2025.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zullen maken, omdat de vorderingen van de benadeelde partijen (grotendeels) worden toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.

Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

6. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 57, 282 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

7. Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) jaar;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Voorwaardelijk strafdeel

bepaalt dat 1 (één) jaar van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

1. zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;

2. binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;

3. zich inspant tot het volgen van een opleiding, eventueel in combinatie met betaald werk, met een vaste structuur;

4. meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;

geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder nummers 1 tot en met 4 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:

Vorderingen benadeelde partijen

[benadeelde partij 1]

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, aan de [benadeelde partij 1] (feiten 1 en 2), te betalen een bedrag van € 8.385,-, bestaande uit € 385,- als vergoeding van materiële schade en € 8.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 26 september 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;

bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

legt aan de verdachte voor de feiten 1 en 2 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 1] aan de staat € 8.385,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 26 september 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 66 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

[benadeelde partij 2]

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, aan de [benadeelde partij 2] (feiten 1 en 2), te betalen een bedrag van € 9.485,49, bestaande uit € 1.485,49 als vergoeding van materiële schade en € 8.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 26 september 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feiten 1 en 2);

bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

legt aan de verdachte voor de feiten 1 en 2 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 2] aan de staat € 9.485,49 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 26 september 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 72 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

[benadeelde partij 3]

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, aan de [benadeelde partij 3] (feiten 1 en 2), te betalen een bedrag van € 7.000,-, bestaande uit immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 26 september 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feiten 1 en 2);

bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

legt aan de verdachte de feiten 1 en 2 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 3] aan de staat € 7.000,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 26 september 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 60 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding aan [benadeelde partij 3] zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde partij 3], geboren op [geboortedatum 2] 2013, te openen rekening met een BEM-clausule;

[benadeelde partij 4]

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, aan de [benadeelde partij 4] (feiten 1 en 2), te betalen een bedrag van € 7.000,-, bestaande uit immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 26 september 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feiten 1 en 2);

bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

legt aan de verdachte de feiten 1 en 2 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 4] aan de staat € 7.000,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 26 september 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 60 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding aan [benadeelde partij 4] zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde partij 4], geboren op [geboortedatum 3] 2023, te openen rekening met een BEM-clausule;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partijen gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader de schade aan de benadeelde partijen of aan de staat hebben vergoed.

8. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H. Janssen, voorzitter,

en mrs. P. Uijtdewillegen en N.A. Nowotny, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. P.A.J. van der Hart, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 22 september 2026.

Mr. P. Uijtdewilligen is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.H. Janssen

Griffier

  • mr. P.A.J. van der Hart

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand