Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummers: 10-259215-25 en 10-250199-25
Parketnummers vorderingen tenuitvoerlegging: 10-143818-24 en 10-304481-22
Datum uitspraak: 22 september 2026
Datum zitting: 8 september 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2000 in [geboorteplaats],
ingeschreven op het adres [adres 1], [postcode] [plaatsnaam]. Advocaat van de verdachte: mr. J.G.W.M. LutOfficier van justitie: mr. F.J. van der Putte
Benadeelde partijen (10-259215-25): [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2], [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4]
Advocaat van de benadeelde partijen: mr. S. van der Eijk
Benadeelde partijen (10-250199-25): [benadeelde partij 5], [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 7]Advocaat benadeelde partijen: mr. F.J.M. Hamers
1. Tenlastelegging
10-017503-26
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - op 26 september 2025, met een ander, een woningoverval heeft gepleegd en daarbij meerdere personen wederrechtelijk van hun vrijheid heeft beroofd. Daarnaast wordt de verdachte ervan beschuldigd dat hij op 2 oktober 2025 een vuurwapen voorhanden heeft gehad en dat hij op 23 september 2025 opzettelijk 33,6 gram MDMA en 185,7 gram cocaïne aanwezig heeft gehad.
De volledige tenlastelegging houdt in dat:
1.hij op 26 september 2025 te Maassluis in een woning gelegen aan de [adres 2], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een geldbedrag van 150 EUR, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een vals kostuum, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
2.hij op 26 september 2025 te Maassluis, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door:
- gekleed in een DHL-jas naar de woning (gelegen aan de [adres 2]) van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te gaan,
3.hij op 2 oktober 2025 te Den Haag, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen, van het merk/type BBM Olympic 38, kaliber .22lr, zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver, voorhanden heeft gehad.
4.hij op of omstreeks 23 september 2025 te Rotterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad- ongeveer 33,6 gram MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, en/of ongeveer 185,7 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde MDMA en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
10-250199-25
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - op 24 augustus 2025, met anderen, een woningoverval heeft gepleegd en zich daarbij schuldig heeft gemaakt aan diefstal en afpersing. Daarnaast wordt de verdachte verweten dat hij op 2 oktober 2025 opzettelijk 381,9 gram MDMA aanwezig heeft gehad.
De volledige tenlastelegging houdt in dat:
1.hij op of omstreeks 24 augustus 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een laptop en/of een geldbedrag van 2.000 euro, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 5] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader, meermalen, althans eenmaal,
2.hij op of omstreeks 24 augustus 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 6] heeft gedwongen tot de afgifte van een horloge en/of een (hals)ketting en/of een geldbedrag van 6.000 euro, althans enig geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het - richten en/of gericht houden van een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op (het hoofd) van) die [slachtoffer 6] en/of
3.
hij op of omstreeks 02 oktober 2025 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 381,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor alle zeven ten laste gelegde feiten.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor 10-250199-25, feit 3. De verdediging heeft zich ten aanzien van de overige feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat:
10-259215-25
1.
hij op 26 september 2025 te Maassluis in een woning gelegen aan de [adres 2], tezamen en in vereniging met een ander een geldbedrag van 150 EUR, dat aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van een vals kostuum, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
2.
hij op 26 september 2025 te Maassluis, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], wederrechtelijk van de vrijheid hebben beroofd en beroofd gehouden, door:
3.
hij op 2 oktober 2025 te Den Haag, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen van het merk/type BBM Olympic 38, kaliber.22lr, zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver, voorhanden heeft gehad.
4.
hij op 23 september 2025 te Rotterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 33,6 gram van een materiaal bevattende MDMA, en
- ongeveer 185,7 gram van een materiaal bevattende cocaïne,
zijnde MDMA en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
10-250199-25
1.
hij op 24 augustus 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een laptop en een geldbedrag van 2.000 euro, toebehorende aan [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6], welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 5] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of zijn mededader, meermalen, althans eenmaal,
2.
hij op 24 augustus 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 6] heeft gedwongen tot de afgifte van een horloge en een (hals)ketting en een geldbedrag van 6.000 euro, geheel toebehorende aan die [slachtoffer 6], welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de hiervoor genoemde feiten bekend en de verdediging heeft ten aanzien van deze feiten geen vrijspraak bepleit. Daarom worden de bewijsmiddelen voor deze feiten hieronder wel genoemd, maar niet nader uitgewerkt.
10-259215-25
Feiten 1 en 2:
1. Verklaring van de verdachte
2. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 2]
3. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 1]
Feit 3:
1. Verklaring van de verdachte
2. Proces-verbaal van de politie
Feit 4:
1. Verklaring van de verdachte
2. Proces-verbaal van de politie
3. Proces-verbaal van de politie, onderzoek verdovende middelen
4. Rapport NFI
5. Kennisgeving van inbeslagneming
6. Kennisgeving van inbeslagneming
10-250199-25
Feiten 1 en 2
1. Verklaring van de verdachte
2. Proces-verbaal van de rechter-commissaris, verklaring [slachtoffer 6]
3. Proces-verbaal van de rechter-commissaris, verklaring [slachtoffer 5]
4. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 6]
5. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 5]
Vrijspraak 10-250199-25, feit 3
Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat het feit niet bewezen kan worden. Op basis van het strafdossier kan niet worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap en beschikkingsmacht had over de aangetroffen drugs in de kelderbox bij de woning van zijn moeder. De verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificaties
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
10-259215-25
Feit 1:
diefstal, voorafgegaan/vergezeld/gevolgd van geweld/bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een vals kostuum;
Feit 2:
opzettelijk iemand van de vrijheid beroven/beroofd houden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
Feit 3:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
Feit 4:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
10-250199-25
Feit 1:
diefstal, voorafgegaan/vergezeld/gevolgd van geweld/bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden/die diefstal gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
Feit 2:
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor alle zeven ten laste gelegde feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank om bij een veroordeling rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn bekennende houding en zijn jonge leeftijd.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee gewapende woningovervallen.
Bij de eerste woningoverval hebben de verdachte en zijn medeverdachte één van de slachtoffers op straat overvallen en hem onder dreiging van een vuurwapen naar zijn woning geleid waar ze hem met tie-wraps hebben vastgebonden en geld en een laptop afhandig hebben gemaakt. De verdachte en de medeverdachte hebben het tweede slachtoffer dat nietsvermoedend in de woning lag te slapen gewekt met een vuurwapen op haar gericht en haar eveneens bedreigd en gedwongen geld en sieraden af te staan. In de woning waren ook twee minderjarige kinderen en een neef van één van de slachtoffers aanwezig.
Bij de tweede woningoverval heeft de verdachte, gekleed als pakketbezorger, bij de woning aangebeld, waarna één van de slachtoffers nietsvermoedend de deur opendeed. De verdachte en de medeverdachten stormden naar binnen en hebben de slachtoffers bedreigd met een vuurwapen en geweld gebruikt tegen één van hen. Hier waren twee minderjarige kinderen bij aanwezig. Het gehele gezin werd onder dreiging van het vuurwapen gedwongen om op de bank te blijven zitten en kon geen kant op. De verdachte en de medeverdachte hebben hierbij 150 euro uit de woning meegenomen.
Daarnaast zijn er drugs en een vuurwapen bij de verdachte aangetroffen.
Het gaat om ernstige strafbare feiten, waarbij de verdachte zich binnen een relatief korte periode tweemaal schuldig heeft gemaakt aan een gewapende woningoverval. De verdachte heeft met zijn intimiderende en gewelddadige handelwijze tijdens deze woningovervallen ernstig inbreuk gemaakt op zowel de lichamelijke als de geestelijke integriteit van de slachtoffers. Uit de spreekrechtverklaringen ter zitting is gebleken dat dit alles een grote impact heeft (gehad) op de slachtoffers. Daarnaast behoort een woningoverval tot de categorie strafbare feiten die een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde en die in de samenleving gevoelens van onveiligheid en onrust veroorzaken. De rechtbank rekent het de verdachte ernstig aan dat hij met zijn handelen kennelijk enkel heeft gedacht aan eigen financieel gewin, zonder rekening te houden met de bovengenoemde gevolgen.
Ook het voorhanden hebben van harddrugs en het voorhanden hebben van een vuurwapen rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan. Het voorhanden hebben van harddrugs brengt risico’s voor de volksgezondheid en de daarmee samenhangende criminaliteit met zich mee. Het voorhanden hebben van een vuurwapen vormt daarnaast een ernstig risico voor de veiligheid van anderen. Dit geldt temeer nu de verdachte het vuurwapen voorhanden heeft gehad in een periode waarin hij zich ook schuldig heeft gemaakt aan gewapende overvallen.
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel uit de justitiële documentatie) van 24 augustus 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten. Deze veroordelingen dateren echter van langere tijd geleden en hebben betrekking op andersoortige vermogensfeiten dan woningovervallen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het strafblad van de verdachte geen aanleiding geeft tot oplegging van een hogere straf.
Reclasseringsadvies
Uit het reclasseringsadvies van 3 maart 2026 blijkt dat de verdachte kampt met financiële problemen. Naast zijn financiële situatie worden ook zijn sociale netwerk, psychosociaal functioneren en deels pro-criminele houding als risicoverhogende factoren gezien. De verdachte maakt volgens de reclassering pro-criminele keuzes door op illegale wijze ‘bij te verdienen’ door middel van delictgedrag.
Daartegenover ziet de reclassering ook beschermende factoren. De verdachte is gemotiveerd om een delictvrij leven op te bouwen en zijn kinderen vormen voor hem een belangrijke bron van motivatie. Ook heeft hij zich tijdens eerder reclasseringstoezicht gemotiveerd opgesteld. Al met al beschikt de verdachte volgens de reclassering over de motivatie en vaardigheden om een delictvrij leven op te bouwen, maar heeft hij daarbij een duw in de juiste richting nodig.
De reclassering adviseert om bij een veroordeling een deels voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling, verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een contactverbod, een locatieverbod zonder elektronisch toezicht, een verplichting tot het hebben van dagbesteding en een verplichting tot het aflossen van schulden.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een andere straf is niet passend. Bij het bepalen van de strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.
Voor dit soort strafbare feiten worden in beginsel lange gevangenisstraffen opgelegd. Bij een cumulatie van de feiten zou dit kunnen leiden tot een gevangenisstraf van zes of zeven jaar. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of een dergelijke langdurige gevangenisstraf in deze zaak passend is.
De verdachte was ten tijde van de feiten weliswaar volwassen, maar nog jong. Ter terechtzitting heeft hij zijn oprechte excuses aangeboden en verklaard dat hij, nu hij langere tijd in detentie heeft verbleven, inziet hoe fout zijn handelen is geweest. Hij heeft de rechtbank laten weten definitief te willen afrekenen met zijn criminele verleden en een andere weg in zijn leven te willen inslaan. De rechtbank spreekt de hoop en verwachting uit dat de verdachte hier daadwerkelijk gevolg aan zal geven.
De rechtbank wil deze positieve ontwikkeling en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte meewegen bij de strafoplegging. Daar staat tegenover dat ook recht moet worden gedaan aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten.
Al met al zal de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden opleggen.
De gevangenisstraf zal ten uitvoer worden gelegd in een penitentiaire inrichting, totdat de verdachte eventueel voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld.
5. Vordering tot tenuitvoerleggingen
Vordering
De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting twee vorderingen ingediend tot
tenuitvoerlegging van aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde straffen, omdat de
verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw
schuldig zal maken aan strafbare feiten. Het parketnummer 10-143818-24 betreft een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. Het parketnummer 10-304481-22 betreft een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vordering met parketnummer 10-143818-24 moet worden toegewezen en de vordering met parketnummer 10-304481-22 moet worden afgewezen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt beide vorderingen tot tenuitvoerlegging af te wijzen.
Oordeel van de rechtbank
De nu bewezen feiten zijn tijdens de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de feiten heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan de vonnissen verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen.
Ten aanzien van de vordering met parketnummer 10-143818-24 ziet de rechtbank af van de tenuitvoerlegging, omdat zij, gelet op de in deze zaak op te leggen straf, geen meerwaarde ziet in de tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf. Wel acht de rechtbank het noodzakelijk de proeftijd met één jaar te verlengen.
Ten aanzien van de vordering met parketnummer 10-304481-22 ziet de rechtbank eveneens af van de tenuitvoerlegging. Het strafbare feit waarop deze vordering betrekking heeft, is geruime tijd geleden gepleegd en ziet grotendeels op andersoortige feiten. De rechtbank ziet geen meerwaarde in de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding om de proeftijd te verlengen. De vordering wordt daarom afgewezen.
6. Vorderingen benadeelde partijen
10-259215-25
Vorderingen
[benadeelde partij 1]
heeft als benadeelde partij voor beide feiten € 385,- als vergoeding voor materiële schade en € 10.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.
[benadeelde partij 2]
heeft als benadeelde partij voor beide feiten € 1.485,49 als vergoeding voor materiële schade en € 12.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.
[benadeelde partij 3]
Namens de minderjarige [benadeelde partij 3] is voor beide feiten € 9.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade. Tevens is verzocht om het toe te wijzen schadebedrag over te maken naar een BEM-rekening.
[benadeelde partij 4]
Namens de minderjarige [benadeelde partij 4] is voor beide feiten € 8.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade. Tevens is verzocht om het toe te wijzen schadebedrag over te maken naar een BEM-rekening.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade verzoekt de verdediging om de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] niet tot het volledige gevorderde bedrag toe te wijzen, omdat deze bedragen te hoog zijn. Daarbij dient aansluiting te worden gezocht bij de Rotterdamse Schaal, die een bandbreedte van € 3.000,- tot € 8.000,- hanteert. Van verhogende factoren is volgens de verdediging geen sprake.
Ten aanzien van de namens [benadeelde partij 4] gevorderde immateriële schade verzoekt de verdediging de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat onvoldoende is onderbouwd dat hij, gelet op zijn zeer jonge leeftijd van twee jaar ten tijde van de overval, als gevolg daarvan immateriële schade heeft geleden.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] rechtstreeks materiële schade hebben geleden als gevolg van de gepleegde strafbare feiten.
De verdediging heeft de vordering van [benadeelde partij 1] niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 385,- als vergoeding van materiële schade aan de [benadeelde partij 1] moet betalen.
Ook de gehele vordering van [benadeelde partij 2] aan materiële schade wordt toegewezen, omdat deze voldoende is onderbouwd en de verdediging de vordering met onvoldoende argumenten heeft weersproken. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde kosten voor een nieuw alarmsysteem, de bijbehorende abonnementskosten (gedurende zes maanden) en de hotelovernachtingen direct na de overval in voldoende rechtstreeks verband staan met de bewezen strafbare feiten en voor vergoeding in aanmerking komen. Dit betekent dat de verdachte € 1.485,49 als vergoeding van materiële schade aan de [benadeelde partij 2] moet betalen.
Immateriële schade
De vier benadeelde partijen hebben als gevolg van de strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade geleden. Uit de onderbouwingen van de vorderingen blijkt dat het gehele gezin als gevolg van de gewapende overval in meer of mindere mate kampt met psychische klachten. De aard en de ernst van de normschending zijn van zodanig gewicht, en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij liggen zo voor de hand, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
De immateriële schade van de twee minderjarige kinderen, [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] wordt naar billijkheid begroot op € 7.000,-. Bij de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] is naar aanleiding van de gewapende overval PTSS geconstateerd. Beiden zijn hiervoor behandeld. Gelet hierop wordt de immateriële schade van ieder van hen naar billijkheid begroot op € 8.000,-.
Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vorderingen worden tot deze bedragen toegewezen. De benadeelde partijen worden in het resterende deel van de vorderingen niet-ontvankelijk verklaard.
Dit betekent dat de verdachte aan de benadeelde partijen [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] ieder € 7.000,- en aan [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] ieder € 8.000,- moet betalen als vergoeding voor immateriële schade.
BEM-clausule
De rechtbank zal bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoedingen zullen worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partijen [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] te openen rekeningen met een zogenoemde BEM (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen)-clausule. Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarigen en hun wettelijke vertegenwoordiger kunnen aldus slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen van de minderjarigen beschikken tot zij achttien jaar zijn.
Hoofdelijke veroordeling
De verdachte heeft de strafbare feiten waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader gepleegd. Zij zijn daarom hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededader de schadevergoeding (voor een deel) heeft betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partijen hebben gevorderd de schadevergoedingen te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 26 september 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zullen maken, omdat de vorderingen van de benadeelde partijen (grotendeels) worden toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.
Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
10-250199-25
Vorderingen
[benadeelde partij 5]
heeft als benadeelde partij voor feiten 1 en 2 € 6.000,- als vergoeding voor materiële schade en € 10.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ook vraagt de benadeelde partij voor een eventuele hoger beroep procedure een vergoeding van € 2.500,- voor de (nog) niet bekende schade, althans nader te onderbouwen schade.
De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld voor vergoeding van deze schade.
[benadeelde partij 6]
heeft als benadeelde partij voor feiten 1 en 2 € 12.500,- als vergoeding voor materiële schade en € 10.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ook vraagt de benadeelde partij voor een eventuele hoger beroep procedure een vergoeding van € 2.500,- voor de (nog) niet bekende schade, althans nader te onderbouwen schade.
De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld voor vergoeding van deze schade.
[benadeelde partij 7]
Namens de minderjarige [benadeelde partij 7] is voor feiten 1 en 2 € 7.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ook vraagt de benadeelde partij voor een eventuele hoger beroep procedure een vergoeding van € 2.500,- voor de (nog) niet bekende schade, althans nader te onderbouwen schade.
De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld voor vergoeding van deze schade.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade verzoekt de verdediging om de vorderingen van [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6] te matigen en aansluiting te zoeken bij de Rotterdamse Schaal, die een bandbreedte van € 3.000,00 tot € 8.000,00 hanteert voor dergelijke delicten.
De verdediging verzoekt [benadeelde partij 7] in zijn vordering tot vergoeding van immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair wordt verzocht deze vordering aanzienlijk te matigen.
De gevorderde materiële schade van [benadeelde partij 5] dient te worden afgewezen, dan wel dient de benadeelde partij in haar vordering in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat deze schade onvoldoende is onderbouwd. Uit de overgelegde overzichten blijkt onvoldoende dat zich een bedrag van € 6.000,- in de woning bevond.
In lijn met het voorgaande verzoekt de verdediging ook om de gevorderde materiële schade van [benadeelde partij 6], bestaande uit het contant geld (€2.000,-), af te wijzen, dan wel de benadeelde partij in zijn vordering in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partijen [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6] rechtstreeks materiële schade hebben geleden als gevolg van de gepleegde strafbare feiten.
De vordering van [benadeelde partij 5] wordt toegewezen, omdat deze voldoende is onderbouwd en de verdediging de vordering met onvoldoende argumenten heeft weersproken. Dit betekent dat de verdachte € 6.000,- moet betalen aan de [benadeelde partij 5] als vergoeding voor de materiële schade.
De vordering van [benadeelde partij 6] wordt gedeeltelijk toegewezen. Het deel van de vordering dat ziet op de gescheurde jas, de beschadigde tas en de telefoon is door de verdediging niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen.
Het gevorderde bedrag aan weggenomen geld is door de verdediging wel betwist. Dit deel van de vordering is naar het oordeel van de rechtbank echter voldoende onderbouwd en door de verdediging onvoldoende gemotiveerd weersproken. Ook dit deel van de vordering komt daarom voor toewijzing in aanmerking.
De gestelde medische kosten zijn onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij zal daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
In totaal zal een bedrag van € 2.576,98 aan materiële schade worden toegewezen. Voor het overige zal de [benadeelde partij 6] in zijn vordering tot vergoeding van materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.
Immateriële schade
De drie benadeelde partijen hebben als gevolg van de strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade geleden. Uit de onderbouwingen van de vorderingen blijkt dat zij als gevolg van de gewapende overval psychische klachten hebben ontwikkeld. De aard en de ernst van de normschending zijn van zodanig gewicht, en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij liggen zo voor de hand, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
De rechtbank begroot de immateriële schade van de benadeelde partijen [benadeelde partij 5], [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 7] naar billijkheid op € 7.000,-.
Bij de begroting is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder heeft de rechtbank bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vorderingen zijn tot deze bedragen voor toewijzing vatbaar. De benadeelde partijen zullen in het resterende deel van hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard.
Dit betekent dat de verdachte aan de benadeelde partijen [benadeelde partij 5], [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 7] ieder een bedrag van € 7.000,- moet betalen als vergoeding voor immateriële schade.
Nader te onderbouwen schade
Alle drie de benadeelde partijen hebben ook nader te onderbouwen schade gevorderd. Nu op dit moment niet duidelijk is waarop deze schade betrekking heeft, zullen zij in dit deel van hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard.
Hoofdelijke veroordeling
De verdachte heeft de strafbare feiten waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders gepleegd. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als een van de mededaders de schadevergoeding (voor een deel) heeft betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partijen hebben gevorderd de schadevergoedingen te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 24 augustus 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zullen maken, omdat de vorderingen van de benadeelde partijen (grotendeels) worden toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
De rechtbank legt ten aanzien van alle drie de vorderingen de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.
Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
7. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 47, 57, 282, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
8. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte 10-250199-25, feit 3 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, 10-259215-25, 1 tot en met 4 en 10-250199-25, 1 en 2, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 54 (vierenvijftig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 10-143818-24)
verlengt de proeftijd van de bij vonnis van 13 mei 2024 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf met 1 (één) jaar;
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 10-304481-24)
wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de in het vonnis van 5 mei 2024 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf;
Vorderingen benadeelde partijen bij parketnummer 10-259215-25
[benadeelde partij 1]
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, aan de [benadeelde partij 1] (feiten 1 en 2), te betalen een bedrag van € 8.385,-, bestaande uit € 385,- als vergoeding van materiële schade en € 8.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 26 september 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;
bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
legt aan de verdachte voor feit de feiten 1 en 2 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 1] aan de staat € 8.385,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 26 september 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 66 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
[benadeelde partij 2]
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, aan de [benadeelde partij 2] (feiten 1 en 2), te betalen een bedrag van € 9.485,49, bestaande uit € 1.485,49 als vergoeding van materiële schade en € 8.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 26 september 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feiten 1 en 2);
bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
legt aan de verdachte voor de feiten 1 en 2 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 2] aan de staat € 9.485,49 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 26 september 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 72 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
[benadeelde partij 3]
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, aan de [benadeelde partij 3] (feiten 1 en 2), te betalen een bedrag van € 7.000,-, bestaande uit immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 26 september 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feiten 1 en 2);
bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
legt aan de verdachte de feiten 1 en 2 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 3] aan de staat € 7.000,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 26 september 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 60 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding aan [benadeelde partij 3] zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde partij 3], geboren op [geboortedatum 2] 2013, te openen rekening met een BEM-clausule;
[benadeelde partij 4]
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, aan de [benadeelde partij 4] (feiten 1 en 2), te betalen een bedrag van € 7.000,-, bestaande uit immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 26 september 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feiten 1 en 2);
bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
legt aan de verdachte de feiten 1 en 2 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 4] aan de staat € 7.000,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 26 september 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 60 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding aan [benadeelde partij 4] zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde partij 4], geboren op [geboortedatum 3] 2023, te openen rekening met een BEM-clausule;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partijen gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader de schade aan de benadeelde partijen of aan de staat hebben vergoed.
Vorderingen benadeelde partijen bij parketnummer 10-250199-25
[benadeelde partij 5]
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de [benadeelde partij 5] (feit 1 en 2), te betalen een bedrag van € 13.000,-, bestaande uit € 6.000,- als vergoeding van materiële schade en € 7.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 24 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feiten 1 en 2);
bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
legt aan de verdachte de feiten 1 en 2 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 5] aan de staat € 13.000,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 24 augustus 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 90 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
[benadeelde partij 6]
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de [benadeelde partij 6] (feit 1 en 2), te betalen een bedrag van € 9.576,98, bestaande uit € 2.576,98 als vergoeding van materiële schade en € 7.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 24 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feiten 1 en 2);
bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
legt aan de verdachte de feiten 1 en 2 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 6] aan de staat € 9.576,98 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 24 augustus 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 70 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
[benadeelde partij 7]
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de [benadeelde partij 7] (feit 1 en 2), te betalen een bedrag van € 7.000,-, bestaande uit vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 24 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feiten 1 en 2);
bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
legt aan de verdachte de feiten 1 en 2 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 7] aan de staat € 7.000,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 24 augustus 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 60 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partijen gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader de schade aan de benadeelde partijen of aan de staat hebben vergoed.
9. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.H. Janssen, voorzitter,
en mrs. P. Uijtdewillegen en N.A. Nowotny, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. P.A.J. van der Hart, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 22 september 2026.
Mr. P. Uijtdewilligen is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.